Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2020 - De spookkamer

Een sprookje (boek), 1896

Hoofdtekst

De spookkamer.
Er was eens een arme schoenmaker die had geen werk; daarom ging hij op reis om werk te zoeken. Den eersten avond kwam hij in een dorp waar 't jaarmarkt was. In de herberg was veel volk bijeen en op zijne vraag of hij daar in huis kon overnachten, kreeg hij een weigerend antwoord; alles was vol en bezet. Dit was voor den reiziger eene groote teleurstelling, want hij was zeer vermoeid en de duisternis viel in. Op zijn herhaald en dringend vragen zeî de kastelein eindelijk: «Ja, vriend, om je de waarheid te zeggen, ik heb nog wel eene kamer ledig; maar daar kunt ge toch den nacht niet doorbrengen.» « Hé, waarom niet?» « Omdat het daar spookt. Niemand heeft het daar nog een nacht kunnen uithouden. Mannen, wien het evenmin aan moed als aan kracht ontbrak, zijn teruggedeinsd voor den onzichtbaren geest, die het licht uitblaast telkens kort nadat het is aangestoken.» De reiziger zeî: «welzoo? nu, dat wil ik ook beproeven als ge mij er twee brandende kaarsen wilt geven.» - «Zeker wil ik dat,» zeî de hospes, «en bovendien krijgt gij eten en drinken ook.»
De schoenmaker ging in de ledige kamer bij de tafel zitten en gebruikte met smaak hetgeen hem was opgedischt. Er verliep meer dan een uur, zonder dat er iets bijzonders voorviel. Toen sloeg de dorpsklok elf uur - en een zijner kaarsen werd uitgeblazen; maar met de nog brandende stak de schoenmaker haar dadelijk weêr aan. - Na verloop van een kwartier werd de andere kaars uitgeblazen, maar ook door den bewaker even spoedig weêr aangestoken. Dit gebeurde tot viermalen toe en eenige minuten later sloeg de klok twaalf uur. Nogmaals werd een der kaarsen uitgebluscht en in een hoek der kamer hoorde de reiziger een zucht. Ook meende hij daar eene lichtende verschijning te zien. Hij hield de hand voor de kaarsvlam, zoodat die hoek der kamer verduisterd werd en nu zag hij duidelijk op den witten wand de gedaante van een menschengeraamte, dat hem scheen te wenken. Door het wegnemen zijner hand werd de muur weêr verlicht en de verschijning onzichtbaar. De schoenmaker plaatste nu het licht achter het haardscherm en het geraamte vertoonde zich op nieuw. Hij trad er op toe en waagde te vragen: «wat is uwe begeerte?» - Het antwoord was: «Wees niet bevreesd, maar hoor mij aan. Gij kunt mij verlossen. Wilt of durft gij niet, dan moet ik nogmaals wachten tot er iemand komt, die moediger is dan gij. Verlost gij mij, dan zult gij met de uwen voorspoedig en gelukkig zijn. Wat is uw besluit?» - «Ik wil u verlossen indien ik slechts kan.» - «Gij kunt het. Kniel neder en sla een kruis. Door het teeken des kruises ben ik vervloekt, ik moet er ook door verlost worden.» De schoenmaker voldeed aan het bevel en het spooksel vervolgde: «Het is nu honderd jaar geleden, dat ik als koopman hier op de jaarmarkt kwam en vele zaken deed, zoodat ik ten slotte in het bezit was van eene aanzienlijke geldsom. Deze kamer had ik gehuurd. Maar toen ik den laatsten nacht hier te slapen lag, bracht de kastelein mij om het leven. Hij telde mijn geld uit op de tafel, maar toen hij het weêr in den buidel had geborgen ontwaakte zijn geweten; hij snelde weg en sloot de kamerdeur zorgvuldig. Den volgenden nacht om twaaf uur kwam hij vol berouw hier terug; hij knielde bij mijn lijk en zwoer, van het geld, waarom hij mij vermoord had, nooit een penning te zullen uitgeven. - Vervolgens bemetselde hij mijn lijk benevens het geld hier in den muur. Niet lang daarna verkocht hij de herberg en begaf zich in een klooster. Maar mijne ziel kon niet tot rust komen, want niemand kon voor mij bidden omdat men van mijn dood niet wist, en de moordenaar had ook bezworen, dat ik niet verlost zoude worden dan nadat er iemand kwam, die het zoude wagen een nacht in deze kamer door te brengen en doorstaan dat ik tot vijfmaal toe het licht uitblies. Gij hebt dit proefstuk volbracht, nu kunt gij mij verlossen en het geld, dat met mij is verduisterd, zal uw loon zijn. Koop dit huis en zoodra gij hier woont, open dezen muur, dan vindt gij mijn geraamte. Breng dat naar het kerkhof, leg het gebeente daar op den kalen grond; zoodra het de aarde aanraakt zal het stof zijn en verstuiven voor den wind. Dan heeft mijne ziel de eeuwige rust.»
De reiziger deed zooals hem bevolen was. Hij werd eigenaar en bewoner van de herberg en opende toen den binnenmuur der spookkamer op de hem bekende plaats. Het geraamte stond daar nog rechtop. Hij legde de beenderen voorzichtig in eene mand en bracht die in het holle van den nacht naar het kerkhof. Daar op den grond gelegd zijnde, verstoven zij, zoodat er des anderen daags geen spoor van te vinden was. Vervolgens nam hij den verborgen schat in bezit en liet den gebroken muur herstellen. Het ging hem in zijne herberg zoo voorspoedig, dat hij na verloop van weinige jaren de zaak met voordeel van de hand kon doen, en teruggaan naar zijne geboorteplaats om daar zijne dagen in vrede te slijten.

Onderwerp

AT 0326 - The Youth Who Wanted to Learn What Fear Is    AT 0326 - The Youth Who Wanted to Learn What Fear Is   

ATU 0326 - The Youth Who Wanted to Learn What Fear Is.    ATU 0326 - The Youth Who Wanted to Learn What Fear Is.   

Beschrijving

Een arme schoenmaker wil overnachten in een herberg. Alle kamers zijn vol, behalve een, daar durft niemand te slapen omdat het er spookt. Tussen elf en twaalf blaast een geest daar steeds het licht uit. De schoenmaker wil proberen in de kamer te overnachten. Hoewel zijn kaarsen steeds worden uitgeblazen, blijft hij rustig zitten. Om twaalf uur hoort hij een zucht en ziet hij een verschijning van een geraamte. Het geraamte vertelt hem dat hij ooit koopman was en in deze kamer door de voormalige kastelein is vermoord. Deze heeft het lijk in de muur gemetseld en het geld, dat hij uit wroeging niet wilde hebben, eveneens. De schoenmaker kan hem verlossen door het geraamte uit de muur te halen en naar het kerkhof te brengen. Daar zal het verstuiven en zal de ziel rust vinden. De schoenmaker doet wat hem gezegd is en neemt daarna de schat in bezit. Hij wordt een rijk man.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 63-65.

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20