Hoofdtekst
Drie goede levenslessen.
Er waren eens een jongeling en een meisje, die trouwden samen omdat zij elkander lief hadden, maar zij waren arm; als ze niets verdienden hadden ze niets. En nauwelijks eene week na hun huwelijk stond de jonge man al aan den weg op den uitkijk, of er iets te verdienen mocht vallen, want hij had geen werk. Toen kwam daar een fraaie koets aangereden waarin een deftig heerschap zat. Dit rijtuig hield nevens den jongen werkman stil en de heer riep hem toe: «Hebt gij niets te doen, vriend?» - «Neen mijnheer,» was het antwoord. - «Wilt ge dan mijn knecht zijn, om overal met mij te reizen? Dan kunt ge duizend gulden in het jaar verdienen.» -:- « Dat neem ik zonder beraad aan,» zeî de jonge man, «maar dan wil ik eerst even naar huis gaan om afscheid van mijn vrouwtje te nemen.» - «Daar heb ik geen geduld voor,» zeî het heerschap, «je moet dadelijk meê gaan - of blijven.» - «Dan dadelijk maar meê,» zeî de man. Hij nam plaats in den wagen en deze reed verder. En tehuis wachtte zijn jong vrouwtje hem met smart, en toen hij lang uitbleef was zij in duizend angsten en vreezen.
Zoodra de nieuwe knecht met zijn heer in een groote stad kwam, werd hij gekleed zooals de bediende van een voornaam heerschap behoort gekleed te zijn. De heer was steeds best over hem tevreden en het beviel den knecht in zijn dienst uitstekend. Zij reisden samen naar allerlei vreemde landen, de geheele wereld door. Maar toen dit zestien jaar aaneen zoo geduurd had, begon het toch den jongen man te verdrieten. Hij verlangde naar zijn dorp terug te reizen om te vernemen of zijne vrouw nog leefde en hoe zij het had.
De heer betaalde hem zijn loon, samen zestienduizend gulden, en gaf hem op den koop toe nog drie goede levenslessen. De eerste was: Verlaat, als gij in den vreemde reist, nooit den koninklijken weg. De tweede: Vraag nooit naar dingen die u niet aangaan. En de derde: Wanneer gij eens zeer boos wordt, bedwing dan uwen toorn tot den volgenden dag en bedenk dan wat u te doen staat.
De knecht bedankte zijnen heer voor het ontvangen geld en de goede lessen, waarop hij de reis naar huis aanvaardde. Niet lang had hij gewandeld, toen hij in gezelschap kwam van eenige kooplieden die op reis waren naar de naastbijgelegen stad. Zij kwamen bij een uitgestrekt bosch, waar de algemeene weg met een grooten bocht buiten omheen slingerde. Maar recht door het bosch liep een voetpad en de kooplieden zeiden: «Als wij dit nemen is de reis veel korter.» De heerenknecht volgde hen, maar niet ver was hij het bosch in, toen hij zich de eerste les van zijnen heer herinnerde. En hij keerde terug. De anderen lachten hem uit, maar dit hinderde hem niet; hij koos den koninklijken weg. Het was des avonds reeds laat, toen hij in de stad aankwam. Daar heerschte groote ontsteltenis omdat er bericht was aangekomen, dat in het nabijgelegen bosch, eenige reizende kooplieden door roovers waren overvallen en vermoord.
Den volgenden morgen ging hij verder en liep den geheelen dag, totdat hij des avonds bij een adellijk slot kwam. Daar klopte hij aan en verzocht er den nacht te mogen overblijven. De slotheer weigerde dit niet, maar liet den reiziger bij zich in de eetzaal komen om onmiddellijk deel te kunnen nemen aan het avondmaal. Toen dit zoude aanvangen, opende de heer eene kast, waaruit eene jonge vrouw te voorschijn kwam, die aan de tafel plaats nam en mede at zonder een woord te spreken. Na afloop van den maaltijd ging zij weêr in de kast en de heer sloot de deur. «Wie mag toch deze vrouw zijn?» dacht de reiziger, maar hij waagde 't niet er naar te vragen, gedachtig aan de tweede les van zijn heerschap. - Des anderen morgens bij het ontbijt ging het eveneens. Daarna dacht de reiziger weêr te vertrekken, maar nu vraagde de slotheer: «waart ge niet nieuwsgierig te weten wie de derde was die met ons at en dronk?» - «O!» was het antwoord, «daar heb ik niet naar willen vragen, omdat het mij niet aanging.» - «Dat was verstandig en ook gelukkig voor je,» zeî de heer. «Hadt ge 't gedaan, dan hadt ge niet levend dit slot verlaten. Maar als gij nu belooft te zullen zwijgen, dan wil ik je de zaak vertellen. Die jonge vrouw is mijne gade, die mij eens ontrouw is geweest, en sedert houd ik haar steeds opgesloten, want dat kwaad vergeef ik haar nooit.» - «Mijnheer,» zeî de reiziger, «laat ons dan toch, voor ik vanhier ga, samen een paternoster voor haar bidden.» - Hiertegen had de heer niets, maar hij zeî: «ik heb dat in lang niet gedaan, zeg jij 't mij maar vóór.» Dit gebeurde en het ging goed, maar toen de reiziger de woorden: «Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren,» had uitgesproken, zweeg het heerschap. En daarop zeî hij: «Je hebt waarlijk gelijk. God moet mij mijne zonden vergeven, ik vergeef ze ook aan mijne vrouw.» Hij liet haar uit de kast komen en schonk haar vergiffenis. Zij was zeer verblijd en de reiziger ontving van den heer een mooi sommetje geld.
De reiziger kwam weêr tehuis, maar kende zijn dorp niet meer; alles was daar veel veranderd. Hij ging in de herberg en zijne vraag of hij daar een paar weken tehuis kon zijn, werd toestemmend beantwoord. Maar zijne kleederen waren vuil geworden en hij verlangde eene waschvrouw. De kastelein zeî: «Hier naast woont eene vrouw die daarvoor bekwaam is en zij is hulpbehoevend ook. Zestien jaren geleden is zij door haren man verlaten, toen zij nauwelijks eene week getrouwd waren geweest. Maar zij is hem altijd trouw gebleven. Zie, daar komt zij juist hierheen.» Ja, zij die daar binnen kwam was zijne vrouw; hij herkende haar, ofschoon zij veel was verouderd. Hoezeer het hem moeite kostte zich te bedwingen, wist hij zich onbekend te houden en sprak met haar als een vreemd heerschap. Zij nam op zich zijne kleederen te reinigen en volbracht dit naar wensch.
Na verloop van eenige dagen ging de reiziger naar de woning der arme weduwe - zooals men daar meende met het voornemen zich aan zijne vrouw bekend te maken en haar weêr tot zich te nemen. Voor hij binnen trad gluurde hij door het venster ... en zie! daar zat zij aan de zijde van een jongen matroos, dien zij hartelijk liefkoosde. Hij werd zeer boos en raapte een steen van den grond om daarmeê den jongeling te treffen. - Maar daar herinnerde hij zich de derde les van zijnen heer; hij liet den steen vallen en keerde naar de herberg terug. Daar vertelde hem de kastelein: «De zoon der arme vrouw, die uwe kleêren heeft gereinigd is zooeven van een lange zeereis teruggekeerd!» Die jonge matroos, die hij met een steen had willen dooden, was dus haar zoon en - alzoo ook de zijne! Dit denkbeeld deed hem rillen maar hij hield zich kalm en zeide: «Laat die vrouw met haar zoon van avond hier komen.» - Dit gebeurde. De vrouw vertelde opgetogen dat haar zoon, haar eenig kind, terug was gekomen. En de vreemde reiziger zeide: «welzoo, jongeling, ben jij de zoon van deze vrouw? verlang je nooit eens naar je vader?» - «Mijn vader» antwoordde de matroos, «die mijne moeder zoo schandelijk heeft verlaten? Wanneer ik hem ontmoette zou ik in staat zijn hem te dooden. » - «Foei, dat is hard!» zeî de reiziger, «als je vader nu eens rijk terug kwam en hij wilde weêr goed maken, alles wat hij jegens je moeder misdreven heeft?» - «Dat is om 't even,» zeî de jongeling, «ik zou hem niet ontzien.» - «Maar je kent je vader immers niet eens; gesteld dat ik je vader was, zoudt ge mij dan ook kwaad willen doen?» - Nu lachte de matroos en zeî: «neen, zeker niet, want gij zijt zoo vriendelijk en zoo goed; mocht mijn vader zóó zijn....» - «Welnu, jongen! ik ben je vader. Beste lieve vrouw, ik ben je man, die je voor zestien jaar verliet. Ik heb je veel leed en verdriet berokkend, maar nu ben ik in staat je gelukkig te maken en hoop dat te doen!»
Er waren eens een jongeling en een meisje, die trouwden samen omdat zij elkander lief hadden, maar zij waren arm; als ze niets verdienden hadden ze niets. En nauwelijks eene week na hun huwelijk stond de jonge man al aan den weg op den uitkijk, of er iets te verdienen mocht vallen, want hij had geen werk. Toen kwam daar een fraaie koets aangereden waarin een deftig heerschap zat. Dit rijtuig hield nevens den jongen werkman stil en de heer riep hem toe: «Hebt gij niets te doen, vriend?» - «Neen mijnheer,» was het antwoord. - «Wilt ge dan mijn knecht zijn, om overal met mij te reizen? Dan kunt ge duizend gulden in het jaar verdienen.» -:- « Dat neem ik zonder beraad aan,» zeî de jonge man, «maar dan wil ik eerst even naar huis gaan om afscheid van mijn vrouwtje te nemen.» - «Daar heb ik geen geduld voor,» zeî het heerschap, «je moet dadelijk meê gaan - of blijven.» - «Dan dadelijk maar meê,» zeî de man. Hij nam plaats in den wagen en deze reed verder. En tehuis wachtte zijn jong vrouwtje hem met smart, en toen hij lang uitbleef was zij in duizend angsten en vreezen.
Zoodra de nieuwe knecht met zijn heer in een groote stad kwam, werd hij gekleed zooals de bediende van een voornaam heerschap behoort gekleed te zijn. De heer was steeds best over hem tevreden en het beviel den knecht in zijn dienst uitstekend. Zij reisden samen naar allerlei vreemde landen, de geheele wereld door. Maar toen dit zestien jaar aaneen zoo geduurd had, begon het toch den jongen man te verdrieten. Hij verlangde naar zijn dorp terug te reizen om te vernemen of zijne vrouw nog leefde en hoe zij het had.
De heer betaalde hem zijn loon, samen zestienduizend gulden, en gaf hem op den koop toe nog drie goede levenslessen. De eerste was: Verlaat, als gij in den vreemde reist, nooit den koninklijken weg. De tweede: Vraag nooit naar dingen die u niet aangaan. En de derde: Wanneer gij eens zeer boos wordt, bedwing dan uwen toorn tot den volgenden dag en bedenk dan wat u te doen staat.
De knecht bedankte zijnen heer voor het ontvangen geld en de goede lessen, waarop hij de reis naar huis aanvaardde. Niet lang had hij gewandeld, toen hij in gezelschap kwam van eenige kooplieden die op reis waren naar de naastbijgelegen stad. Zij kwamen bij een uitgestrekt bosch, waar de algemeene weg met een grooten bocht buiten omheen slingerde. Maar recht door het bosch liep een voetpad en de kooplieden zeiden: «Als wij dit nemen is de reis veel korter.» De heerenknecht volgde hen, maar niet ver was hij het bosch in, toen hij zich de eerste les van zijnen heer herinnerde. En hij keerde terug. De anderen lachten hem uit, maar dit hinderde hem niet; hij koos den koninklijken weg. Het was des avonds reeds laat, toen hij in de stad aankwam. Daar heerschte groote ontsteltenis omdat er bericht was aangekomen, dat in het nabijgelegen bosch, eenige reizende kooplieden door roovers waren overvallen en vermoord.
Den volgenden morgen ging hij verder en liep den geheelen dag, totdat hij des avonds bij een adellijk slot kwam. Daar klopte hij aan en verzocht er den nacht te mogen overblijven. De slotheer weigerde dit niet, maar liet den reiziger bij zich in de eetzaal komen om onmiddellijk deel te kunnen nemen aan het avondmaal. Toen dit zoude aanvangen, opende de heer eene kast, waaruit eene jonge vrouw te voorschijn kwam, die aan de tafel plaats nam en mede at zonder een woord te spreken. Na afloop van den maaltijd ging zij weêr in de kast en de heer sloot de deur. «Wie mag toch deze vrouw zijn?» dacht de reiziger, maar hij waagde 't niet er naar te vragen, gedachtig aan de tweede les van zijn heerschap. - Des anderen morgens bij het ontbijt ging het eveneens. Daarna dacht de reiziger weêr te vertrekken, maar nu vraagde de slotheer: «waart ge niet nieuwsgierig te weten wie de derde was die met ons at en dronk?» - «O!» was het antwoord, «daar heb ik niet naar willen vragen, omdat het mij niet aanging.» - «Dat was verstandig en ook gelukkig voor je,» zeî de heer. «Hadt ge 't gedaan, dan hadt ge niet levend dit slot verlaten. Maar als gij nu belooft te zullen zwijgen, dan wil ik je de zaak vertellen. Die jonge vrouw is mijne gade, die mij eens ontrouw is geweest, en sedert houd ik haar steeds opgesloten, want dat kwaad vergeef ik haar nooit.» - «Mijnheer,» zeî de reiziger, «laat ons dan toch, voor ik vanhier ga, samen een paternoster voor haar bidden.» - Hiertegen had de heer niets, maar hij zeî: «ik heb dat in lang niet gedaan, zeg jij 't mij maar vóór.» Dit gebeurde en het ging goed, maar toen de reiziger de woorden: «Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren,» had uitgesproken, zweeg het heerschap. En daarop zeî hij: «Je hebt waarlijk gelijk. God moet mij mijne zonden vergeven, ik vergeef ze ook aan mijne vrouw.» Hij liet haar uit de kast komen en schonk haar vergiffenis. Zij was zeer verblijd en de reiziger ontving van den heer een mooi sommetje geld.
De reiziger kwam weêr tehuis, maar kende zijn dorp niet meer; alles was daar veel veranderd. Hij ging in de herberg en zijne vraag of hij daar een paar weken tehuis kon zijn, werd toestemmend beantwoord. Maar zijne kleederen waren vuil geworden en hij verlangde eene waschvrouw. De kastelein zeî: «Hier naast woont eene vrouw die daarvoor bekwaam is en zij is hulpbehoevend ook. Zestien jaren geleden is zij door haren man verlaten, toen zij nauwelijks eene week getrouwd waren geweest. Maar zij is hem altijd trouw gebleven. Zie, daar komt zij juist hierheen.» Ja, zij die daar binnen kwam was zijne vrouw; hij herkende haar, ofschoon zij veel was verouderd. Hoezeer het hem moeite kostte zich te bedwingen, wist hij zich onbekend te houden en sprak met haar als een vreemd heerschap. Zij nam op zich zijne kleederen te reinigen en volbracht dit naar wensch.
Na verloop van eenige dagen ging de reiziger naar de woning der arme weduwe - zooals men daar meende met het voornemen zich aan zijne vrouw bekend te maken en haar weêr tot zich te nemen. Voor hij binnen trad gluurde hij door het venster ... en zie! daar zat zij aan de zijde van een jongen matroos, dien zij hartelijk liefkoosde. Hij werd zeer boos en raapte een steen van den grond om daarmeê den jongeling te treffen. - Maar daar herinnerde hij zich de derde les van zijnen heer; hij liet den steen vallen en keerde naar de herberg terug. Daar vertelde hem de kastelein: «De zoon der arme vrouw, die uwe kleêren heeft gereinigd is zooeven van een lange zeereis teruggekeerd!» Die jonge matroos, die hij met een steen had willen dooden, was dus haar zoon en - alzoo ook de zijne! Dit denkbeeld deed hem rillen maar hij hield zich kalm en zeide: «Laat die vrouw met haar zoon van avond hier komen.» - Dit gebeurde. De vrouw vertelde opgetogen dat haar zoon, haar eenig kind, terug was gekomen. En de vreemde reiziger zeide: «welzoo, jongeling, ben jij de zoon van deze vrouw? verlang je nooit eens naar je vader?» - «Mijn vader» antwoordde de matroos, «die mijne moeder zoo schandelijk heeft verlaten? Wanneer ik hem ontmoette zou ik in staat zijn hem te dooden. » - «Foei, dat is hard!» zeî de reiziger, «als je vader nu eens rijk terug kwam en hij wilde weêr goed maken, alles wat hij jegens je moeder misdreven heeft?» - «Dat is om 't even,» zeî de jongeling, «ik zou hem niet ontzien.» - «Maar je kent je vader immers niet eens; gesteld dat ik je vader was, zoudt ge mij dan ook kwaad willen doen?» - Nu lachte de matroos en zeî: «neen, zeker niet, want gij zijt zoo vriendelijk en zoo goed; mocht mijn vader zóó zijn....» - «Welnu, jongen! ik ben je vader. Beste lieve vrouw, ik ben je man, die je voor zestien jaar verliet. Ik heb je veel leed en verdriet berokkend, maar nu ben ik in staat je gelukkig te maken en hoop dat te doen!»
Onderwerp
AT 0910B - The servant's good counsels   
ATU 0910B - The Observance of the Master’s Precepts   
Beschrijving
Een jong stel trouwt, maar is erg arm. Een heer biedt de jongen duizend gulden per jaar als hij direct voor hem komt werken. Zonder afscheid te mogen nemen gaat hij mee op reis. Na zestien jaar krijgt hij zijn loon en daarbij drie adviezen: hij moet nooit de koninklijke weg verlaten, niet vragen naar dingen die hem niet aangaan en zijn boosheid tot de volgende dag bedwingen en dan pas actie ondernemen. Onderweg naar huis trekt hij op met een groep kooplieden die een pad door het bos nemen. De man denkt aan de raad van zijn heer en blijft op de koninklijke weg. Zijn kameraden worden in het bos door rovers vermoord. De man vindt onderdak op een slot en eet met de slotheer. Een vrouw neemt ook aan tafel plaats en eet mee zonder iets te zeggen. De man besluit niets te vragen. De slotheer zegt hem dat dit wijs is, had hij het gedaan, dan had dit zijn dood betekend. De vrouw is de slotvrouwe, die gestraft wordt voor overspel. De man vraagt de slotheer om samen het Onze Vader te bidden. De heer komt tot vergeving. In zijn oude woonplaats aangekomen ziet de man zijn vrouw, die gekust wordt door een jonge matroos. Hij wordt kwaad, maar besluit pas de volgende dag iets te ondernemen. De herbergier vertelt hem dat de jongen de zoon van de vrouw is - en ook die van de man. De man onthult zijn ware identiteit.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 65-68.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
