Hoofdtekst
Van een landheer en een boer.
In den overouden tijd, toen alles geheel anders in zijn werk ging dan thans, waren er eens een landheer en een boer, die samen een groot stuk bouwgrond in eigendom hadden. De boer had dit van zijne ouders geërfd, maar hij had slechte tijden beleefd en alzoo het hoofd niet boven water kunnen houden. Hij had hulp gezocht bij den landheer en deze betoonde zich welwillend, maar was den eenvoudigen boer te slim af., Het kwam zoover dat mijnheer mede-eigenaar werd van het stuk bouwgrond niet alleen, maar hij verkreeg ook het recht om te bepalen wat er jaarlijks op gebouwd zou worden. Men kwam overeen dat het eerste jaar de boer zou hebben wat in den grond en de landheer wat boven den grond groeide; het tweede jaar zou 't anders-om gaan en zoo vervolgens. Nu werd er 't eerste jaar kool verbouwd en de boer kreeg niets dan waardelooze wortels en stronkels. Het tweede jaar waren 't rapen en de sukkel moest zich met het loof tevreden stellen.
Maar was deze boer onnoozel, hij had een zeer schrandere dochter. Zij zag wel in, dat haar vader door den landheer bedrogen werd en gaf hem den raad, zich hierover te beklagen bij den graaf. Niet dan na eenig tegenstreven ging de man hiertoe over. De graaf was een jong en vroolijk man, die geen ding ter wereld bijzonder ernstig opvatte. Toen de boer hem verteld had hoe de vork in den steel zat, begreep hij zeer goed dat de landheer schuldig was, maar ongenegen om met dezen in ongelegenheid te komen, vond hij best zich met een kunstgreep van de zaak af te maken. Hij beval den boer met een week terug te komen, en dan hem deze drie vragen te beantwoorden: «Wat is vetter dan vet? - Wat is dieper dan diep? - Wat klinkt nog meer dan metaal?»
De landheer werd aangemaand om op denzelfden tijd voor den graaf te verschijnen ter beantwoording derzelfde vragen. Voor zoo iets was mijnheer nu juist de rechte man niet, maar hij liet zich onderrichten door zijne vrouw en hoopte alzoo wel klaar te komen. - De boer kwam zeer mismoedig tehuis; hij vreesde dezen wedstrijd te zullen verliezen, omdat de landheer veel knapper was dan hij. Maar zijne dochter sprak hem moed in en gaf hem aan de hand, hoe hij de vragen had te beantwoorden.
De twee mannen verschenen voor den graaf en den landheer werd het eerst gevraagd: «Wat is vetter dan vet?» - Antwoord: «Varkensreuzel driemaal uitgebraden.» - «Wat is dieper dan diep?» - «De zee, waarin men soms geen grond kan vinden.» - «Wat klinkt nog meer dan metaal?» - «Twee fijne metalen bekkens tegen elkaar geslagen geven een dubbelen klank.»
Nu was de boer aan de beurt; hij zeî: «Vetter dan vet is de aarde, want uit haar komt alle vettigheid voort. - Dieper dan diep is het menschelijk hart, want dit is ondoorgrondelijk. - En wat meer klinkt dan metaal is Gods woord, want dit klinkt zelfs in dat onpeilbare hart.»
De graaf zeide: «Gij hebt beide mijne drie vragen beantwoord, maar de ware antwoorden gaf de boer. En nu is mijne uitspraak, dat hij voortaan alleen het beheer zal hebben over het stuk bouwgrond.»
De landheer kon vertrekken, maar alvorens den boer te laten gaan, vroeg de graaf hem hoe hij aan die mooie antwoorden gekomen was. - «Mijne dochter heeft ze mij geleerd,» was ’t antwoord. En nu luidde 't bevel van den graaf: «Dan moet ook zij mij komen bezoeken: niet bij dag en niet bij nacht, niet naakt en niet gekleed, niet te paard en niet te voet, niet in een wagen en niet over het water.»
Hoe verblijd de boer was over 's graven uitspraak omtrent den bouwgrond, toch kwam hij niet vroolijk gestemd tehuis, omdat de eischen aan zijne dochter gesteld, hem onuitvoerbaar toeschenen. Zij echter meende er wel aan te kunnen voldoen.
Toen de tijd daar was ontdeed zij zich van hare kleêren en sloeg een vischnet om haar lijf. Op een ezel reed zij naar het grafelijk slot, waar zij in den schemeravond aankwam. Zijne Hoogheid stond alweêr verbaasd over hare schranderheid. En toen hij zich vervolgens met haar onderhield, steeg zijne bewondering ten top, ja, hij verliefde op haar. In zijne opgetogenheid zeî hij: «Zie hier nu maar vrij overal rond, en wat u het beste bevalt moogt ge meênemen naar huis, wanneer gij vanhier vertrekt. Geef maar bevelen aan mijne bedienden; zij moeten doen wat gij verlangt.»
Terwijl de graaf nu recht verheugd naast de boerendochter aan tafel zat en zich den wijn goed liet smaken, wist zij ongemerkt een slaapmiddel in zijn beker te moffelen. Eellige oogenblikken later viel de graaf in een diepen slaap. Nu liet zij een rijtuig inspannen, waarin de slapende op haar bevel werd nedergevleid; zij nam bij hem plaats en liet hem zoo naar haars vaders woning voeren. Bij zijn ontwaken zag hij verwonderd om zich heen en op zijne vraag, hoe hij in die boerenwoning terecht gekomen was, antwoordde het meisje: «Gij hebt mij gezegd, heer graaf, wat mij in uw kasteel het beste beviel, mocht ik meênemen naar huis. Welnu, dit heb ik gedaan, want onder al uwe schatten was er niets dat mij zoozeer beviel dan gijzelf. Ik hoop dat ge 't mij niet ten kwade zult duiden; het is maar een grap.» - «Neen,» zeî de graaf, «het is volstrekt geen grap. Het is ernst: gij zult de mijne zijn en ik de uwe.» - En zoo geschiedde het. Niet lang daarna was de schrandere boerendochter gravin.
In den overouden tijd, toen alles geheel anders in zijn werk ging dan thans, waren er eens een landheer en een boer, die samen een groot stuk bouwgrond in eigendom hadden. De boer had dit van zijne ouders geërfd, maar hij had slechte tijden beleefd en alzoo het hoofd niet boven water kunnen houden. Hij had hulp gezocht bij den landheer en deze betoonde zich welwillend, maar was den eenvoudigen boer te slim af., Het kwam zoover dat mijnheer mede-eigenaar werd van het stuk bouwgrond niet alleen, maar hij verkreeg ook het recht om te bepalen wat er jaarlijks op gebouwd zou worden. Men kwam overeen dat het eerste jaar de boer zou hebben wat in den grond en de landheer wat boven den grond groeide; het tweede jaar zou 't anders-om gaan en zoo vervolgens. Nu werd er 't eerste jaar kool verbouwd en de boer kreeg niets dan waardelooze wortels en stronkels. Het tweede jaar waren 't rapen en de sukkel moest zich met het loof tevreden stellen.
Maar was deze boer onnoozel, hij had een zeer schrandere dochter. Zij zag wel in, dat haar vader door den landheer bedrogen werd en gaf hem den raad, zich hierover te beklagen bij den graaf. Niet dan na eenig tegenstreven ging de man hiertoe over. De graaf was een jong en vroolijk man, die geen ding ter wereld bijzonder ernstig opvatte. Toen de boer hem verteld had hoe de vork in den steel zat, begreep hij zeer goed dat de landheer schuldig was, maar ongenegen om met dezen in ongelegenheid te komen, vond hij best zich met een kunstgreep van de zaak af te maken. Hij beval den boer met een week terug te komen, en dan hem deze drie vragen te beantwoorden: «Wat is vetter dan vet? - Wat is dieper dan diep? - Wat klinkt nog meer dan metaal?»
De landheer werd aangemaand om op denzelfden tijd voor den graaf te verschijnen ter beantwoording derzelfde vragen. Voor zoo iets was mijnheer nu juist de rechte man niet, maar hij liet zich onderrichten door zijne vrouw en hoopte alzoo wel klaar te komen. - De boer kwam zeer mismoedig tehuis; hij vreesde dezen wedstrijd te zullen verliezen, omdat de landheer veel knapper was dan hij. Maar zijne dochter sprak hem moed in en gaf hem aan de hand, hoe hij de vragen had te beantwoorden.
De twee mannen verschenen voor den graaf en den landheer werd het eerst gevraagd: «Wat is vetter dan vet?» - Antwoord: «Varkensreuzel driemaal uitgebraden.» - «Wat is dieper dan diep?» - «De zee, waarin men soms geen grond kan vinden.» - «Wat klinkt nog meer dan metaal?» - «Twee fijne metalen bekkens tegen elkaar geslagen geven een dubbelen klank.»
Nu was de boer aan de beurt; hij zeî: «Vetter dan vet is de aarde, want uit haar komt alle vettigheid voort. - Dieper dan diep is het menschelijk hart, want dit is ondoorgrondelijk. - En wat meer klinkt dan metaal is Gods woord, want dit klinkt zelfs in dat onpeilbare hart.»
De graaf zeide: «Gij hebt beide mijne drie vragen beantwoord, maar de ware antwoorden gaf de boer. En nu is mijne uitspraak, dat hij voortaan alleen het beheer zal hebben over het stuk bouwgrond.»
De landheer kon vertrekken, maar alvorens den boer te laten gaan, vroeg de graaf hem hoe hij aan die mooie antwoorden gekomen was. - «Mijne dochter heeft ze mij geleerd,» was ’t antwoord. En nu luidde 't bevel van den graaf: «Dan moet ook zij mij komen bezoeken: niet bij dag en niet bij nacht, niet naakt en niet gekleed, niet te paard en niet te voet, niet in een wagen en niet over het water.»
Hoe verblijd de boer was over 's graven uitspraak omtrent den bouwgrond, toch kwam hij niet vroolijk gestemd tehuis, omdat de eischen aan zijne dochter gesteld, hem onuitvoerbaar toeschenen. Zij echter meende er wel aan te kunnen voldoen.
Toen de tijd daar was ontdeed zij zich van hare kleêren en sloeg een vischnet om haar lijf. Op een ezel reed zij naar het grafelijk slot, waar zij in den schemeravond aankwam. Zijne Hoogheid stond alweêr verbaasd over hare schranderheid. En toen hij zich vervolgens met haar onderhield, steeg zijne bewondering ten top, ja, hij verliefde op haar. In zijne opgetogenheid zeî hij: «Zie hier nu maar vrij overal rond, en wat u het beste bevalt moogt ge meênemen naar huis, wanneer gij vanhier vertrekt. Geef maar bevelen aan mijne bedienden; zij moeten doen wat gij verlangt.»
Terwijl de graaf nu recht verheugd naast de boerendochter aan tafel zat en zich den wijn goed liet smaken, wist zij ongemerkt een slaapmiddel in zijn beker te moffelen. Eellige oogenblikken later viel de graaf in een diepen slaap. Nu liet zij een rijtuig inspannen, waarin de slapende op haar bevel werd nedergevleid; zij nam bij hem plaats en liet hem zoo naar haars vaders woning voeren. Bij zijn ontwaken zag hij verwonderd om zich heen en op zijne vraag, hoe hij in die boerenwoning terecht gekomen was, antwoordde het meisje: «Gij hebt mij gezegd, heer graaf, wat mij in uw kasteel het beste beviel, mocht ik meênemen naar huis. Welnu, dit heb ik gedaan, want onder al uwe schatten was er niets dat mij zoozeer beviel dan gijzelf. Ik hoop dat ge 't mij niet ten kwade zult duiden; het is maar een grap.» - «Neen,» zeî de graaf, «het is volstrekt geen grap. Het is ernst: gij zult de mijne zijn en ik de uwe.» - En zoo geschiedde het. Niet lang daarna was de schrandere boerendochter gravin.
Onderwerp
AT 0875 - The Clever Peasant Girl   
ATU 0875 - The Clever Farmgirl   
Beschrijving
Een boer beklaagt zich bij een graaf over zijn heer. De graaf geeft de heer en de boer drie raadsels op: "wat is vetter dan vet?" "wat is dieper dan diep?" en "wat klinkt meer dan metaal?". De dochter van de boer is heel wijs en vertelt hem wat te zeggen: de aarde is vetter dan vet, het menselijk hart dieper dan diep en Gods woord klinkt meer dan metaal. De graaf wil weten hoe de boer aan deze wijsheid komt. Hij zegt de boer dat zijn dochter naar hem toe moet komen, niet bij dag en niet bij nacht, niet gekleed en niet ongekleed, niet te paard en niet te voet. Het meisje gaat gehuld in een visnet en gezeten op een ezel tijdens de schemering naar de graaf. Hij wordt verliefd op haar en zegt dat zij wat ze het liefste hebben wil uit het paleis mag meenemen. Het meisje geeft de graaf een slaapmiddel en neemt hem mee naar het huis van haar vader: hij is wat ze het liefste wil. De graaf verbaast zich over haar wijsheid en trouwt met de boerendochter.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 73-76.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
