Hoofdtekst
De schrandere boerendochter.
Er is in den ouden tijd eens een boer geweest, die een paard had dat een veulen ter wereld moest brengen. Hij reed er meê naar een heer, daar bond hij het paard aan een boom vast en zeide tot den heer: «ik weet dat dit paard heden een veulen moet werpen, en nu zoude ik gaarne zien dat gij met uw volk daar het toezicht op wildet houden, tot ik terugkom, want ik heb andere bezigheden. «Zeer goed,» zeî de heer, «dat willen we doen.» Toen de boer des avonds terugkwam en den toestand van zijn paard onderzocht, zag hij dat het een veulen geworpen had en vroeg den heer waar dit was. «Welk veulen?» zeî de heer, «het paard heeft geen veulen gebracht.» «O zoo?» zeî de boer, «maar ik weet het wel beter en gij komt er zoo niet af, dat zeg ik je.» De heer wilde er niet verder over praten, maar hield zich vriendelijk en liet den boer in huis komen. Deze zag het veulen in een hoek staan. Hij werd boos en zeî: «hoe kunt ge nu nog zeggen dat het paard geen veulen geworpen heeft?» - «Dat is geen veulen van het paard,» was 't antwoord, «maar van den boom waaraan het paard was vastgebonden.» - «Maak dat een ander wijs,» zeî de boer, «maar ik ga je morgen bij den koning aanklagen.»
Hij ging des anderen daags naar den koning en vertelde dezen het geval. De koning gebood, dat beide, de boer en de heer, bij hem moesten komen. Dit geschiedde. Maar de heer was een gunsteling van den koning; hij werd niet gestraft, en mocht vooreerst het veulen behouden. Doch de koning gaf hun raadsels op. Wie dezen voor den eerstvolgenden zondag zoude geraden hebben, aan hem zou het veulen worden toegewezen. De raadsels luidden aldus: «Wat is vetter dan vet? - Wat klinkt meer dan metaal?»
Beide vonden deze vragen moeilijk te beantwoorden, maar zij moesten zich er op scherpen. De boer deelde ze, toen hij tehuis kwam, aan zijne dochter mede. Deze zeide terstond: «dat is niet moeilijk» en zij onderrichtte haren vader hoe hij moest antwoorden.
Toen de twee mannen des zondags weêr voor den koning kwamen, werd de heer het eerst gevraagd: «wat is vetter dan vet?» «Boter,» was 't antwoord. - «Dat is mis,» zeî de koning. Zeg nu eens: «wat klinkt meer dan metaal?» Nu antwoordde de heer: «ik heb een klein tafeltje van fijn hout, als men daar op slaat, klinkt het meer dan metaal.» - «Dat is weêr mis,» zeî de koning.
En nu vroeg hij den boer: «wat is vetter dan vet?» - «De aarde,» was 't antwoord, «want daaruit komen alle vruchten voort.»- «Goed geantwoord,» zeî de koning; «en wat klinkt meer dan metaal?» - «Gods woord,» zeî de boer, «want dat klinkt door de geheele wereld.» - «Ja zeker!» zeî de koning; «ge hebt mooi geantwoord; maar dat heb je niet van je zelven: wie heeft je zoo wijs gemaakt?» - «Mijne dochter» zeî de boer. «Wel zoo?» zeî de koning, «als dat meisje zoo verstandig is, dan moet zij eens hier komen: niet te voet en niet te paard, niet gekleed en niet ongekleed.»
De boer nam op zich haar dit te zeggen en vertrok. Toen zij bij zijne tehuiskomst vroeg hoe 't gegaan was, antwoordde de vader: « zeer goed, maar ik heb het veulen nog niet; en nu staat het nog erger, want de koning heeft bevolen dat gij bij hem moet komen: niet te voet en niet te paard, niet gekleed en niet ongekleed.» «Hoe kon de koning dat bevelen?» vroeg zij, «kent hij mij wel?» - «Dat weet ik niet,» antwoordde de vader, «maar toen ik de raadsels goed had geraden, vroeg hij wie mij zoo wijs had gemaakt, en toen ik jou noemde verlangde hij dat gij bij hem zoudt komen, zooals ik gezegd heb. «Welnu,» zeide zij, «als de koning dat beveelt, moet ik trachten aan zijn verlangen te voldoen.»
Zij voorzag zich van een net, dat zij om haar lichaam sloeg, en op een bokje, dat zij gekocht had, reed zij bij schemeravond naar des konings hof. Toen zij daar aankwam, verbaasde de koning zich over haar vernuft en zeide: «gij zult de mijne worden als ge wilt.» «Ja,» zeî ze, «dat wil ik wel; maar dan wil ik het eerst aan mijn vader vertellen:» - «Neen, dat niet,» zeî de koning, «maar als gij met mij trouwen wilt zal het in de volgende week gebeuren; vooraf wil ik eens met je uit rijden gaan het land door.» - «O!» zeî ze, «daar heb ik wel lust toe.»
Op een schemeravond, terwijl de koning afwezig was, ging zij in stilte naar haren vader en zeide hem: «Morgen zullen wij hier langs den weg komen rijden. Dan moet gij op het land gaan zitten hengelen. Vraagt de koning u dan of ge gek zijt, dan antwoordt gij: «kan een boom een veulen werpen, dan kan ik ook visch op het land vangen.» Daarna vertrok zij weêr met allen spoed. Toen zij des anderen daags met den koning, voorbij haars vaders hoeve reed, zat de landman nabij den weg midden op het veld met een hengel en deed alsof hij vischte. De koning vond dit bespottelijk en riep: «ben je gek, kerel?» - «Zeker niet!» was 't antwoord, «kan een boom een veulen voortbrengen, dan kan ik ook visch op het land vangen.» Nu vroeg de koning aan het meisje: «heb jij je vader zoo wijs gemaakt?» Zij wilde dit eerst tegenspreken, maar dit baatte niet en nu zeide de koning: «hier zult ge deze schade bij hebben, dat ik niet met je wil trouwen; maar gij zult bij mij blijven wonen en dan kunt ge krijgen wat ge maar hebben wilt. » Hierin nam zij genoegen. De koning verwachtte dat zij zoude zeggen: «dan wil ik het veulen hebben.» Maar dit deed zij niet. Zoodra zij de gelegenheid geschikt vond, gaf zij den koning ongemerkt een slaapmiddel in. En toen hij daardoor in een vasten slaap viel, liet zij een rijtuig inspannen en den koning daarin mede naar haars vaders woning vervoeren, waar hij te bed werd gebracht. Toen hij eindelijk ontwaakte, zag hij verwonderd op en riep luidkeels: «waar ben ik toch?» Het meisje kwam hierop aan en de koning vroeg haar: «waar heb je mij gebracht?» Zij antwoordde : «Gij hebt gezegd, dat ik kon krijgen wat ik hebben wilde. Welnu, ik wilde u hebben, daarom heb ik u meêgenomen naar mijns vaders huis.» Nu verwonderde de koning zich nog meer dan vroeger over hare schranderheid en besloot terstond dat zij zijne vrouw zoude worden. Kort daarna zijn zij getrouwd en hebben samen lang en gelukkig geleefd. Als ze niet gestorven zijn leven ze nog.
Er is in den ouden tijd eens een boer geweest, die een paard had dat een veulen ter wereld moest brengen. Hij reed er meê naar een heer, daar bond hij het paard aan een boom vast en zeide tot den heer: «ik weet dat dit paard heden een veulen moet werpen, en nu zoude ik gaarne zien dat gij met uw volk daar het toezicht op wildet houden, tot ik terugkom, want ik heb andere bezigheden. «Zeer goed,» zeî de heer, «dat willen we doen.» Toen de boer des avonds terugkwam en den toestand van zijn paard onderzocht, zag hij dat het een veulen geworpen had en vroeg den heer waar dit was. «Welk veulen?» zeî de heer, «het paard heeft geen veulen gebracht.» «O zoo?» zeî de boer, «maar ik weet het wel beter en gij komt er zoo niet af, dat zeg ik je.» De heer wilde er niet verder over praten, maar hield zich vriendelijk en liet den boer in huis komen. Deze zag het veulen in een hoek staan. Hij werd boos en zeî: «hoe kunt ge nu nog zeggen dat het paard geen veulen geworpen heeft?» - «Dat is geen veulen van het paard,» was 't antwoord, «maar van den boom waaraan het paard was vastgebonden.» - «Maak dat een ander wijs,» zeî de boer, «maar ik ga je morgen bij den koning aanklagen.»
Hij ging des anderen daags naar den koning en vertelde dezen het geval. De koning gebood, dat beide, de boer en de heer, bij hem moesten komen. Dit geschiedde. Maar de heer was een gunsteling van den koning; hij werd niet gestraft, en mocht vooreerst het veulen behouden. Doch de koning gaf hun raadsels op. Wie dezen voor den eerstvolgenden zondag zoude geraden hebben, aan hem zou het veulen worden toegewezen. De raadsels luidden aldus: «Wat is vetter dan vet? - Wat klinkt meer dan metaal?»
Beide vonden deze vragen moeilijk te beantwoorden, maar zij moesten zich er op scherpen. De boer deelde ze, toen hij tehuis kwam, aan zijne dochter mede. Deze zeide terstond: «dat is niet moeilijk» en zij onderrichtte haren vader hoe hij moest antwoorden.
Toen de twee mannen des zondags weêr voor den koning kwamen, werd de heer het eerst gevraagd: «wat is vetter dan vet?» «Boter,» was 't antwoord. - «Dat is mis,» zeî de koning. Zeg nu eens: «wat klinkt meer dan metaal?» Nu antwoordde de heer: «ik heb een klein tafeltje van fijn hout, als men daar op slaat, klinkt het meer dan metaal.» - «Dat is weêr mis,» zeî de koning.
En nu vroeg hij den boer: «wat is vetter dan vet?» - «De aarde,» was 't antwoord, «want daaruit komen alle vruchten voort.»- «Goed geantwoord,» zeî de koning; «en wat klinkt meer dan metaal?» - «Gods woord,» zeî de boer, «want dat klinkt door de geheele wereld.» - «Ja zeker!» zeî de koning; «ge hebt mooi geantwoord; maar dat heb je niet van je zelven: wie heeft je zoo wijs gemaakt?» - «Mijne dochter» zeî de boer. «Wel zoo?» zeî de koning, «als dat meisje zoo verstandig is, dan moet zij eens hier komen: niet te voet en niet te paard, niet gekleed en niet ongekleed.»
De boer nam op zich haar dit te zeggen en vertrok. Toen zij bij zijne tehuiskomst vroeg hoe 't gegaan was, antwoordde de vader: « zeer goed, maar ik heb het veulen nog niet; en nu staat het nog erger, want de koning heeft bevolen dat gij bij hem moet komen: niet te voet en niet te paard, niet gekleed en niet ongekleed.» «Hoe kon de koning dat bevelen?» vroeg zij, «kent hij mij wel?» - «Dat weet ik niet,» antwoordde de vader, «maar toen ik de raadsels goed had geraden, vroeg hij wie mij zoo wijs had gemaakt, en toen ik jou noemde verlangde hij dat gij bij hem zoudt komen, zooals ik gezegd heb. «Welnu,» zeide zij, «als de koning dat beveelt, moet ik trachten aan zijn verlangen te voldoen.»
Zij voorzag zich van een net, dat zij om haar lichaam sloeg, en op een bokje, dat zij gekocht had, reed zij bij schemeravond naar des konings hof. Toen zij daar aankwam, verbaasde de koning zich over haar vernuft en zeide: «gij zult de mijne worden als ge wilt.» «Ja,» zeî ze, «dat wil ik wel; maar dan wil ik het eerst aan mijn vader vertellen:» - «Neen, dat niet,» zeî de koning, «maar als gij met mij trouwen wilt zal het in de volgende week gebeuren; vooraf wil ik eens met je uit rijden gaan het land door.» - «O!» zeî ze, «daar heb ik wel lust toe.»
Op een schemeravond, terwijl de koning afwezig was, ging zij in stilte naar haren vader en zeide hem: «Morgen zullen wij hier langs den weg komen rijden. Dan moet gij op het land gaan zitten hengelen. Vraagt de koning u dan of ge gek zijt, dan antwoordt gij: «kan een boom een veulen werpen, dan kan ik ook visch op het land vangen.» Daarna vertrok zij weêr met allen spoed. Toen zij des anderen daags met den koning, voorbij haars vaders hoeve reed, zat de landman nabij den weg midden op het veld met een hengel en deed alsof hij vischte. De koning vond dit bespottelijk en riep: «ben je gek, kerel?» - «Zeker niet!» was 't antwoord, «kan een boom een veulen voortbrengen, dan kan ik ook visch op het land vangen.» Nu vroeg de koning aan het meisje: «heb jij je vader zoo wijs gemaakt?» Zij wilde dit eerst tegenspreken, maar dit baatte niet en nu zeide de koning: «hier zult ge deze schade bij hebben, dat ik niet met je wil trouwen; maar gij zult bij mij blijven wonen en dan kunt ge krijgen wat ge maar hebben wilt. » Hierin nam zij genoegen. De koning verwachtte dat zij zoude zeggen: «dan wil ik het veulen hebben.» Maar dit deed zij niet. Zoodra zij de gelegenheid geschikt vond, gaf zij den koning ongemerkt een slaapmiddel in. En toen hij daardoor in een vasten slaap viel, liet zij een rijtuig inspannen en den koning daarin mede naar haars vaders woning vervoeren, waar hij te bed werd gebracht. Toen hij eindelijk ontwaakte, zag hij verwonderd op en riep luidkeels: «waar ben ik toch?» Het meisje kwam hierop aan en de koning vroeg haar: «waar heb je mij gebracht?» Zij antwoordde : «Gij hebt gezegd, dat ik kon krijgen wat ik hebben wilde. Welnu, ik wilde u hebben, daarom heb ik u meêgenomen naar mijns vaders huis.» Nu verwonderde de koning zich nog meer dan vroeger over hare schranderheid en besloot terstond dat zij zijne vrouw zoude worden. Kort daarna zijn zij getrouwd en hebben samen lang en gelukkig geleefd. Als ze niet gestorven zijn leven ze nog.
Onderwerp
AT 0875 - The Clever Peasant Girl   
ATU 0875 - The Clever Farmgirl   
Beschrijving
Een boer beklaagt zich bij de koning over een heer die hem een veulen ontstolen heeft. De koning geeft de heer en de boer raadsels op: "wat is vetter dan vet?" en "wat klinkt meer dan metaal?". De dochter van de boer is heel wijs en vertelt hem wat te zeggen: de aarde is vetter dan vet en Gods woord klinkt meer dan metaal. De koning wil weten hoe de boer aan deze wijsheid komt. Hij zegt de boer dat zijn dochter naar hem toe moet komen, niet gekleed en niet ongekleed, niet te paard en niet te voet. Het meisje gaat gehuld in een visnet en gezeten op een bok naar de koning. Hij wil met haar trouwen om haar wijsheid, maar zij mag dit pas aan haar vader vertellen als ze een rijtoer hebben gemaakt. Als het meisje hem niet gehoorzaamt, wil de koning niet meer met haar trouwen. Wel mag zij wat zij het liefste hebben wil uit het paleis meenemen. Het meisje geeft de koning een slaapmiddel en neemt hem mee naar het huis van haar vader: hij is wat ze het liefste wil. De koning verbaast zich over haar wijsheid en huwt haar alsnog.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 71-73.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
