Hoofdtekst
De listige schapendief.
Er was eens een man, die leefde eenige jaren als dief en was zoo bekwaam in zijn vak dat hij altijd uit de handen van het gerecht wist te blijven. Maar eindelijk kreeg hij toch een tegenzin in dit handwerk en besloot een eerlijk man te worden. Hij verhuurde zich bij een boer als knecht en gedroeg zich zoo goed en naar genoegen van zijn baas dat deze veel van hem hield. Eens toen zij bij elkander zaten te keuvelen, begon de knecht te vertellen van zijne vroegere schelmstukken en listige streken. Deze waren zoo vreemd en wonderbaar dat de boer ze niet best konde gelooven. Hij zeide ten slotte: «Als gij werkelijk zoo knap zijt als gij zegt, zoude ik daarvan wel eens een proefje willen zien.»
Hiervoor bood zich spoedig de gelegenheid aan. Een slagersknecht uit de stad kwam van den boer een schaap koopen en begaf zich daarmede steêwaarts. Thans zeide de boerenknecht: «Als gij er nu plezier in hebt, boer, en het mij toestaat, dan zal ik dien man onderweg zijn schaap ontstelen zonder dat hij het ziet.» De boer achtte dit onuitvoerbaar, maar stond de proefneming toe. De knecht nam een paar schoenen, die nog verre van versleten waren, en langs zijpaden tusschen het geboomte wist hij den slagersknecht vooruit te komen. Weêr op den algemeenen weg komende, wierp hij daar de schoenen neder, den een ongeveer drie honderd schreden van den ander verwijderd. Nu verschool hij zich in het kreupelhout. De slagersknecht kwam waar de eerste schoen lag, maar omdat hij den tweeden niet zag, was die eene hem 't oprapen niet waard en hij ging verder. Spoedig vond hij den anderen; nu speet het hem dat hij den eersten had laten liggen en besloot met gezwinden pas terug te gaan om den schoen te halen. Het schaap, dat hij op de schouders droeg, legde hij op den grond en bond het de pooten vast, zoodat het niet kon wegloopen. Maar bij zijne terugkomst vond hij de plaats ledig. Nu was goede raad duur. Kwam hij zonder schaap bij den baas, dan werd hij weggejaagd, dit begreep hij. Hij keerde naar den boer terug, vertelde dezen zijn ongeluk en kocht op krediet een ander schaap zoo hij meende, maar 't was hetzelfde, dat hij een uur vroeger reeds betaald had.
Zoodra hij was vertrokken, bood de boerenknecht aan, hem op nieuw het schaap afhandig te maken, zonder dat hij het zoude ontdekken. De boer had er schik in en zeide: «Ga je gang maar, je krijgt eene belooning als je 't doet, maar 'k vrees dat het dezen keer zal mislukken.» De voormalige gauwdief echter achtte zich zeker van zijne zaak, hij snelde weêr den slagersknecht vooruit en verschool zich in het bosch, waardoor de weg liep. Toen hij den slagersknecht hoorde naderen, begon hij te roepen: « Blae! Blae!» zoo natuurlijk als ware hij al zijn leven een schaap geweest. De slagersknecht, dat hoorende, dacht: «Daar zal het schaap zijn dat ik kwijt ben geraakt. Hij scheen er niet aan te denken, dat hij het dier de pooten aan elkander had gebonden. Hij wilde zich op het geluid af tusschen het geboomte begeven, maar met een schaap op de schouders ging dit niet. Hij zag zich dus genoodzaakt zijn levende vracht weêr op den weg te leggen. Hij zocht in het bosch, maar vond geen schaap, en hoorde 't ook niet meer. En toen hij na eene poos vruchteloos zoekens, het op den weg gelegde maar weêr wilde opnemen, was ook dat nogmaals verdwenen.
Hij wist geen raad. Mismoedig ging hij huiswaarts en toen hij den baas vertelde hoe 't hem gegaan was, werd deze zoo verstoord, dat hij den hals wilde wegjagen zonder hem een penning loon uit te betalen. Echter, voor het hiertoe gekomen was, kwam de listige boerenknecht het verloren schaap den slager bezorgen.
Er was eens een man, die leefde eenige jaren als dief en was zoo bekwaam in zijn vak dat hij altijd uit de handen van het gerecht wist te blijven. Maar eindelijk kreeg hij toch een tegenzin in dit handwerk en besloot een eerlijk man te worden. Hij verhuurde zich bij een boer als knecht en gedroeg zich zoo goed en naar genoegen van zijn baas dat deze veel van hem hield. Eens toen zij bij elkander zaten te keuvelen, begon de knecht te vertellen van zijne vroegere schelmstukken en listige streken. Deze waren zoo vreemd en wonderbaar dat de boer ze niet best konde gelooven. Hij zeide ten slotte: «Als gij werkelijk zoo knap zijt als gij zegt, zoude ik daarvan wel eens een proefje willen zien.»
Hiervoor bood zich spoedig de gelegenheid aan. Een slagersknecht uit de stad kwam van den boer een schaap koopen en begaf zich daarmede steêwaarts. Thans zeide de boerenknecht: «Als gij er nu plezier in hebt, boer, en het mij toestaat, dan zal ik dien man onderweg zijn schaap ontstelen zonder dat hij het ziet.» De boer achtte dit onuitvoerbaar, maar stond de proefneming toe. De knecht nam een paar schoenen, die nog verre van versleten waren, en langs zijpaden tusschen het geboomte wist hij den slagersknecht vooruit te komen. Weêr op den algemeenen weg komende, wierp hij daar de schoenen neder, den een ongeveer drie honderd schreden van den ander verwijderd. Nu verschool hij zich in het kreupelhout. De slagersknecht kwam waar de eerste schoen lag, maar omdat hij den tweeden niet zag, was die eene hem 't oprapen niet waard en hij ging verder. Spoedig vond hij den anderen; nu speet het hem dat hij den eersten had laten liggen en besloot met gezwinden pas terug te gaan om den schoen te halen. Het schaap, dat hij op de schouders droeg, legde hij op den grond en bond het de pooten vast, zoodat het niet kon wegloopen. Maar bij zijne terugkomst vond hij de plaats ledig. Nu was goede raad duur. Kwam hij zonder schaap bij den baas, dan werd hij weggejaagd, dit begreep hij. Hij keerde naar den boer terug, vertelde dezen zijn ongeluk en kocht op krediet een ander schaap zoo hij meende, maar 't was hetzelfde, dat hij een uur vroeger reeds betaald had.
Zoodra hij was vertrokken, bood de boerenknecht aan, hem op nieuw het schaap afhandig te maken, zonder dat hij het zoude ontdekken. De boer had er schik in en zeide: «Ga je gang maar, je krijgt eene belooning als je 't doet, maar 'k vrees dat het dezen keer zal mislukken.» De voormalige gauwdief echter achtte zich zeker van zijne zaak, hij snelde weêr den slagersknecht vooruit en verschool zich in het bosch, waardoor de weg liep. Toen hij den slagersknecht hoorde naderen, begon hij te roepen: « Blae! Blae!» zoo natuurlijk als ware hij al zijn leven een schaap geweest. De slagersknecht, dat hoorende, dacht: «Daar zal het schaap zijn dat ik kwijt ben geraakt. Hij scheen er niet aan te denken, dat hij het dier de pooten aan elkander had gebonden. Hij wilde zich op het geluid af tusschen het geboomte begeven, maar met een schaap op de schouders ging dit niet. Hij zag zich dus genoodzaakt zijn levende vracht weêr op den weg te leggen. Hij zocht in het bosch, maar vond geen schaap, en hoorde 't ook niet meer. En toen hij na eene poos vruchteloos zoekens, het op den weg gelegde maar weêr wilde opnemen, was ook dat nogmaals verdwenen.
Hij wist geen raad. Mismoedig ging hij huiswaarts en toen hij den baas vertelde hoe 't hem gegaan was, werd deze zoo verstoord, dat hij den hals wilde wegjagen zonder hem een penning loon uit te betalen. Echter, voor het hiertoe gekomen was, kwam de listige boerenknecht het verloren schaap den slager bezorgen.
Onderwerp
AT 1525D - Theft by Distracting Attention   
ATU 1525D - Theft by Distracting Attention.   
Beschrijving
Een dief verstaat zijn vak zo goed, dat hij nooit betrapt is. Hij besluit echter een eerlijk man te worden en gaat aan het werk bij een boer. Als hij de boer vertelt over zijn oude gewoonte, gelooft deze niet dat de knecht de waarheid spreekt. Als op een dag een slagersjongen een schaap kom halen, wil de knecht bewijzen dat hij niet gelogen heeft. Hij legt een paar schoenen op de weg, met tussen de beide schoenen een ruime afstand. De knecht raapt de eerste schoen niet op, aan een heeft hij niets, maar als hij de tweede schoen vindt, keert hij om om ook de eerste op te rapen. Het schaap laat hij op de weg achter. De knecht neemt het schaap mee naar de boer. De slagersjongen koopt zonder het te weten hetzelfde schaap opnieuw en weer laat de knecht zijn vaardigheid zien. Hij kruipt en de bosjes en maakt het geluid van een schaap. De slagersjongen gaat op zoek naar het eerste schaap en laat het tweede op de weg achter, waar het door de knecht gestolen wordt. De slagersjongen komt radeloos bij zijn baas, maar de knecht bezorgt het schaap terug.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 81-82.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
