Hoofdtekst
Nog dommer dan dom.
Er was eens een boer die een zeer domme vrouw had. Op zekeren herfst slachtte hii een vet varken en nu meende de vrouw dat zij maar alle dagen spek moesten gaan eten zooveel zij konden. De boer evenwel zeî: «Dit gaat zoo niet goed, we moeten het spek sparen voor den kouden winter.»
Eenigen tijd daarna, toen de boer een dag op reis moest, zeî hij tot zijne vrouw: «Als hier vandaag een beestenkooper komt wil ik de minste twee van onze koeien wel missen. Het zijn de twee zwartbonte, die onderaan in de rij op stal staan. En daar moet ik honderddertig gulden voor hebben, tegen lager prijs moet ge ze niet laten gaan.» - «Heel best,» zeî de vrouw, «ik zal wel oppassen, dat ik me niet laat foppen.»
Ongeveer een uur nadat de man vertrokken was kwam er bij de vrouw een bedelaar voor de deur, die geheel verkleumd scheen. Het was guur herfstweder en de stumperd was gekleed in een dunne gescheurde oude plunje. - «Ben jij misschien de koude winter?» vroeg hem de boerin. - «Wel zeker,» was 't antwoord, «dat kunt ge wel zien, ik ben de koude winter in eigen persoon.» - «Nu, dan heb ik iets voor je,» zeî ze. «Wij hebben onlangs een vet varken geslacht, maar toen ik van het spek wilde gebruiken voor den middagpot, zeî mijn man: «Dat gaat niet goed; we moeten het sparen voor den kouden winter. Dus, dan wil ik het je maar meêgeven.» - Hier had de bedelaar niets tegen en hij nam afscheid, beladen met twee groote zakken, volgepropt met spek.
Vervolgens kwam ook de beestenkooper. Toen de boerin hem zeide dat zij twee koeien te verkoopen had, gingen zij samen naar den veestal en waren 't over den prijs spoedig eens. Maar toen de koopman de koeien wilde ontbinden om er meê weg te gaan zeî de vrouw: «Ho, ho! niet zoo haastig; je moet mij immers eerst betalen. » - «Hé ja, dat is waar ook,» zeî de man, «dat zou ik warempel hebben vergeten.»' Hij tastte in den broekzak, toen in den anderen en zeî bedremmeld: «Dit is een leelijk geval; ik ontdek, dat ik mijn geld tehuis heb laten liggen.» - «Welnu, dan laat je eenvoudig de koeien staan.» - « Ja, maar hoor eens, vrouw: ik weet, geloof ik, beter raad. Ik wil je waarborg laten houden; ik neem slechts eene der koeien meê en laat de andere staan tot onderpand; dan kom ik je morgen het geld brengen en de andere koe afhalen.» - «O!» zeî ze, «als je 't zoo bedoelt, dan is het mij wel,» en liet hem vertrekken met eene koe.
Toen de boer des avonds weêr tehuis was, vertelde hem de vrouw: «De koude winter is hier van morgen geweest en ik heb hem het spek maar meêgegeven.» - «Wat zeg je daar?!» - «Ja, die arme ziel was zoo bibberkoud, dat ik hem vroeg of hij misschien de koude winter was. Hij zei «ja,» en omdat jij hadt gezegd dat wij ons spek moesten sparen voor den kouden winter, heb ik 't hem maar laten meênemen; nu zijn we van dat zaakje af.» - De boer werd ter dege boos; hij zeî: «Ik wist wel dat je dom waart, maar zoo erg had ik het toch niet verwacht. En is de beestenkooper ook hier geweest?» - «Ja, en ik heb de twee koeien verkocht ook, voor honderddertig gulden.» - «En waar heb je ’t geld?» - «Ja, zie je, de man had zijn geld tehuis vergeten.» - «Dan heeft hij natuurlijk de koeien ook niet meêgenomen.» - «Dat zou hij gedaan hebben, had ik het hem niet knaphandig belet. Ja, ik heb wel op mijn tellen gepast. Eene koe heeft hij meêgenomen en de andere, ook nog wel de kleinste, die 't minste vreet, heb ik gehouden tot onderpand. Nu komt hij morgen het geld hrengen, en doet hij 't niet, dan houden wij de koe. Heb ik dat niet leep overlegd?» - De boer verbleekte. Hij hief zijn stok tegen de vrouw op, maar zij viel op de knieën en jammerde: «Heb ik nu slagen verdiend? en ik meende zoo goed opgepast te hebben!» - De man liet den opgeheven stok zinken en zeî: «Ik zou in staat zijn je dood te slaan, maar ik weet, je bent niet kwaad, alleen zoo door en door dom, dat, als er nog dommer menschen in de wereld zijn, ik die wel eens zou willen zien. Ik ga nogmaals op reis, nu voor een dag of drie. Ontmoet ik dan menschen, nog dommer dan jij, dan zal ik je alles vergeven en met je huishouden zoo goed het gaan wil. Zoo niet, dan krijg je met den stok.»
Den volgenden dag begaf de boer zich weêr op weg en kwam tegen den avond in eene eenvoudige dorpsherberg, waar hij kon overnachten. Des anderen morgens stond hij tamelijk vroeg op, en in de gelagkamer komende, waar de kastelein en zijne vrouw hun slaapstede hadden, zag hij dat ook zij aanstalten maakten om op te staan. In hun bed stond een ladder, steunende tegen een zolderbalk. De kastelein klom daar op zoo hoog hij kon en zijne vrouw hield zijn broek geopend omhoog om hem er in te laten springen. Maar dit mislukte herhaalde malen. De boer zag dit met verbazing en zeî: «Heb je elken morgen zooveel moeite, man, om in je broek te komen?» - «Wel zeker,» was 't antwoord, «hoe zou ik anders?» De boer trachtte hem nu te beduiden dat het veel gemakkelijker kon, maar dit hielp niet. Weêr op den weg zijnde dacht hij: «die zijn nog dommer dan mijne vrouw.»
Hij was ongeveer een uur verder gewandeld, toen hij op den weg een boerenwagen zag naderen, waarop eene vrouw stond het paard te mennen. De wagen was half volgeladen met knollen, terwijl de vrouw een mand, geheel met knollen gevuld, op haren rug had gebonden. De boer dacht: «die is zeker ook al niet bijzonder snugger,» en om dit te beproeven begon hij midden op den weg op en neêr te springen en met de armen te zwaaien, alsof hij wilde gaan vliegen. Zij hield haar paard staande en riep: «wat heb je toch ten doel, man, met je vreemde beweging?» - «Ik ben uit den hemel gevallen,» was 't antwoord, «en nu beproef ik om weêr naar boven te komen, maar 't gelukt niet; och goede vrouw, zou jij met je wagen mij niet even er heen kunnen rijden?» - «Hoe kunt ge mij zooiets vragen?» zeî ze, «ik weet den weg immers niet. Maar ben jij uit den hemel gevallen, vriend? Dan weet je misschien ook wel iets af van mijn man, die er voor een paar jaar is heengereisd.» - «O ja, ik heb hem gisteren nog zien wandelen; maar 't schijnt hem niet te best te gaan: hij was sober gekleed, en zijn jas was kaal en verschoten.» - «Wel, wat je zegt! Dan zou zijn nieuwe zondagsrok, dien hij kort voor zijn dood gekregen heeft en nu bij mij ongebruikt in de kast hangt, hem daar wel te pas komen. Zoudt gij zoo goed willen zijn, vriend, dien voor hem meê te nemen?» - «Neen vrouw, dat gaat niet. We mogen daar geen aardse goederen binnenbrengen. Alles wat iemand van dien aard meêbrengt wordt hem bij de poort afgenomen.» - «Dus ook geen geld?» - «Geld is iets anders,» zeî de boer. «Dat kan men gemakkelijk in zijne kleeding verstoppen, zodat de oude Petrus het niet opmerkt.» - «Welnu, ik heb verleden week mijn koren verkocht; had mijn man het geld, dat ik daarvoor ontving, hij zou er veel genot van kunnen hebben. Zoudt ge dat niet voor hem kunnen meênemen, vriend?» - .« Nu ja,» zeî de boer;« om je een plezier te doen wil ik 't daar wel eens meê probeeren. » - «Goed; ik rijd dadelijk terug om het te halen.» - «Doe dat, vrouw, ik zal hier op je wachten. Maar, zeg eens: waarom sta je op den wagen inplaats van te zitten, en waarom werpt ge dien mandvol rapen niet bij de anderen inplaats van ze te dragen?» - «Wat denk je wel,» zeî ze, «dat ik geen zorg draag voor mijn paard? Deed ik zooals gij zegt, de vracht zou voor het dier te zwaar zijn.» - Zij reed huiswaarts en kwam spoedig terug met een dikgevulden geldzak, dien zij den boer overreikte, hem tevens bedankende voor den dienst.
Weêr tehuis gekomen zijnde, vertelde zij haren zoon, die nu van den veldarbeid was teruggekeerd, van hare ontmoeting met den vreemden man. - De lummel zeî: «Dat is toch zonderling. Ik heb altijd gedacht, dat in den hemel niemand aan iets gebrek had. Maar ik zou dien vreemden man wel gaarne eens willen spreken.» - «Welnu,» zeî de moeder, «spring haastig te paard en jaag hem na; misschien kunt ge hem nog inhalen.» - Hij deed alzoo en kwam spoedig op de plaats waar de boer zich ter zijde van den weg in het gras had nedergevlijd om het geld eens te tellen. De paardrijder riep hem toe: «Zijt gij de man die uit den hemel is gevallen?» - «Neen,» zeî de boer, «die is zoo pas van hier en daar ginds dien hoogen terp opgegaan, om zoo spoedig mogelijk weer in den hemel te kunnen zijn. Maar als je vlug rijdt, haalt ge hem nog wel in.» - «Jamaar,» zei de lummel, «ik weet den weg niet en ken den man niet. Och, goede vriend, zoudt gij niet even hem na willen rijden en hier terug brengen? Dan ga ik zoolang in het gras zitten rusten, want ik ben vermoeid van het werken en. het paardrijden bevalt mij slecht.» - «Nu ja», zeî de boer, «dan moet ik dat maar even voor je doen.» - Hij besteeg het paard, reed weg - en kwam niet terug. - De lummel bleef geduldig zitten wachten tot den avond en toen hij weêr bij zijne moeder kwam zeî hij: «de man uit den hemel zal zeker te veel haast gehad hebben om terug te keeren, en ik denk dat hij ons paard ook heeft meêgenomen.» - «Nu, dat is goed,» zeî moeder, «dan kan je vader daar ook nog wat genot van hebben.»
De boer kwam bij zijne vrouw terug en zeî: «Nu heb ik toch ontdekt dat er nog dommer menschen. zijn dan jij. Daardoor heb ik in de plaats van de slechte koe, die jij je hebt laten afpraten, een best paard gekregen, en nog geld toe, veel meer dan het spek waard was, dat jij hebt weggeschonken. Dus je krijgt geen stokslagen en ik wil voortaan met je huishouden zoo goed ik kan.»
Hiermeê is 't vertelsel uit en die 't het laatst verteld heeft leeft nog.
Er was eens een boer die een zeer domme vrouw had. Op zekeren herfst slachtte hii een vet varken en nu meende de vrouw dat zij maar alle dagen spek moesten gaan eten zooveel zij konden. De boer evenwel zeî: «Dit gaat zoo niet goed, we moeten het spek sparen voor den kouden winter.»
Eenigen tijd daarna, toen de boer een dag op reis moest, zeî hij tot zijne vrouw: «Als hier vandaag een beestenkooper komt wil ik de minste twee van onze koeien wel missen. Het zijn de twee zwartbonte, die onderaan in de rij op stal staan. En daar moet ik honderddertig gulden voor hebben, tegen lager prijs moet ge ze niet laten gaan.» - «Heel best,» zeî de vrouw, «ik zal wel oppassen, dat ik me niet laat foppen.»
Ongeveer een uur nadat de man vertrokken was kwam er bij de vrouw een bedelaar voor de deur, die geheel verkleumd scheen. Het was guur herfstweder en de stumperd was gekleed in een dunne gescheurde oude plunje. - «Ben jij misschien de koude winter?» vroeg hem de boerin. - «Wel zeker,» was 't antwoord, «dat kunt ge wel zien, ik ben de koude winter in eigen persoon.» - «Nu, dan heb ik iets voor je,» zeî ze. «Wij hebben onlangs een vet varken geslacht, maar toen ik van het spek wilde gebruiken voor den middagpot, zeî mijn man: «Dat gaat niet goed; we moeten het sparen voor den kouden winter. Dus, dan wil ik het je maar meêgeven.» - Hier had de bedelaar niets tegen en hij nam afscheid, beladen met twee groote zakken, volgepropt met spek.
Vervolgens kwam ook de beestenkooper. Toen de boerin hem zeide dat zij twee koeien te verkoopen had, gingen zij samen naar den veestal en waren 't over den prijs spoedig eens. Maar toen de koopman de koeien wilde ontbinden om er meê weg te gaan zeî de vrouw: «Ho, ho! niet zoo haastig; je moet mij immers eerst betalen. » - «Hé ja, dat is waar ook,» zeî de man, «dat zou ik warempel hebben vergeten.»' Hij tastte in den broekzak, toen in den anderen en zeî bedremmeld: «Dit is een leelijk geval; ik ontdek, dat ik mijn geld tehuis heb laten liggen.» - «Welnu, dan laat je eenvoudig de koeien staan.» - « Ja, maar hoor eens, vrouw: ik weet, geloof ik, beter raad. Ik wil je waarborg laten houden; ik neem slechts eene der koeien meê en laat de andere staan tot onderpand; dan kom ik je morgen het geld brengen en de andere koe afhalen.» - «O!» zeî ze, «als je 't zoo bedoelt, dan is het mij wel,» en liet hem vertrekken met eene koe.
Toen de boer des avonds weêr tehuis was, vertelde hem de vrouw: «De koude winter is hier van morgen geweest en ik heb hem het spek maar meêgegeven.» - «Wat zeg je daar?!» - «Ja, die arme ziel was zoo bibberkoud, dat ik hem vroeg of hij misschien de koude winter was. Hij zei «ja,» en omdat jij hadt gezegd dat wij ons spek moesten sparen voor den kouden winter, heb ik 't hem maar laten meênemen; nu zijn we van dat zaakje af.» - De boer werd ter dege boos; hij zeî: «Ik wist wel dat je dom waart, maar zoo erg had ik het toch niet verwacht. En is de beestenkooper ook hier geweest?» - «Ja, en ik heb de twee koeien verkocht ook, voor honderddertig gulden.» - «En waar heb je ’t geld?» - «Ja, zie je, de man had zijn geld tehuis vergeten.» - «Dan heeft hij natuurlijk de koeien ook niet meêgenomen.» - «Dat zou hij gedaan hebben, had ik het hem niet knaphandig belet. Ja, ik heb wel op mijn tellen gepast. Eene koe heeft hij meêgenomen en de andere, ook nog wel de kleinste, die 't minste vreet, heb ik gehouden tot onderpand. Nu komt hij morgen het geld hrengen, en doet hij 't niet, dan houden wij de koe. Heb ik dat niet leep overlegd?» - De boer verbleekte. Hij hief zijn stok tegen de vrouw op, maar zij viel op de knieën en jammerde: «Heb ik nu slagen verdiend? en ik meende zoo goed opgepast te hebben!» - De man liet den opgeheven stok zinken en zeî: «Ik zou in staat zijn je dood te slaan, maar ik weet, je bent niet kwaad, alleen zoo door en door dom, dat, als er nog dommer menschen in de wereld zijn, ik die wel eens zou willen zien. Ik ga nogmaals op reis, nu voor een dag of drie. Ontmoet ik dan menschen, nog dommer dan jij, dan zal ik je alles vergeven en met je huishouden zoo goed het gaan wil. Zoo niet, dan krijg je met den stok.»
Den volgenden dag begaf de boer zich weêr op weg en kwam tegen den avond in eene eenvoudige dorpsherberg, waar hij kon overnachten. Des anderen morgens stond hij tamelijk vroeg op, en in de gelagkamer komende, waar de kastelein en zijne vrouw hun slaapstede hadden, zag hij dat ook zij aanstalten maakten om op te staan. In hun bed stond een ladder, steunende tegen een zolderbalk. De kastelein klom daar op zoo hoog hij kon en zijne vrouw hield zijn broek geopend omhoog om hem er in te laten springen. Maar dit mislukte herhaalde malen. De boer zag dit met verbazing en zeî: «Heb je elken morgen zooveel moeite, man, om in je broek te komen?» - «Wel zeker,» was 't antwoord, «hoe zou ik anders?» De boer trachtte hem nu te beduiden dat het veel gemakkelijker kon, maar dit hielp niet. Weêr op den weg zijnde dacht hij: «die zijn nog dommer dan mijne vrouw.»
Hij was ongeveer een uur verder gewandeld, toen hij op den weg een boerenwagen zag naderen, waarop eene vrouw stond het paard te mennen. De wagen was half volgeladen met knollen, terwijl de vrouw een mand, geheel met knollen gevuld, op haren rug had gebonden. De boer dacht: «die is zeker ook al niet bijzonder snugger,» en om dit te beproeven begon hij midden op den weg op en neêr te springen en met de armen te zwaaien, alsof hij wilde gaan vliegen. Zij hield haar paard staande en riep: «wat heb je toch ten doel, man, met je vreemde beweging?» - «Ik ben uit den hemel gevallen,» was 't antwoord, «en nu beproef ik om weêr naar boven te komen, maar 't gelukt niet; och goede vrouw, zou jij met je wagen mij niet even er heen kunnen rijden?» - «Hoe kunt ge mij zooiets vragen?» zeî ze, «ik weet den weg immers niet. Maar ben jij uit den hemel gevallen, vriend? Dan weet je misschien ook wel iets af van mijn man, die er voor een paar jaar is heengereisd.» - «O ja, ik heb hem gisteren nog zien wandelen; maar 't schijnt hem niet te best te gaan: hij was sober gekleed, en zijn jas was kaal en verschoten.» - «Wel, wat je zegt! Dan zou zijn nieuwe zondagsrok, dien hij kort voor zijn dood gekregen heeft en nu bij mij ongebruikt in de kast hangt, hem daar wel te pas komen. Zoudt gij zoo goed willen zijn, vriend, dien voor hem meê te nemen?» - «Neen vrouw, dat gaat niet. We mogen daar geen aardse goederen binnenbrengen. Alles wat iemand van dien aard meêbrengt wordt hem bij de poort afgenomen.» - «Dus ook geen geld?» - «Geld is iets anders,» zeî de boer. «Dat kan men gemakkelijk in zijne kleeding verstoppen, zodat de oude Petrus het niet opmerkt.» - «Welnu, ik heb verleden week mijn koren verkocht; had mijn man het geld, dat ik daarvoor ontving, hij zou er veel genot van kunnen hebben. Zoudt ge dat niet voor hem kunnen meênemen, vriend?» - .« Nu ja,» zeî de boer;« om je een plezier te doen wil ik 't daar wel eens meê probeeren. » - «Goed; ik rijd dadelijk terug om het te halen.» - «Doe dat, vrouw, ik zal hier op je wachten. Maar, zeg eens: waarom sta je op den wagen inplaats van te zitten, en waarom werpt ge dien mandvol rapen niet bij de anderen inplaats van ze te dragen?» - «Wat denk je wel,» zeî ze, «dat ik geen zorg draag voor mijn paard? Deed ik zooals gij zegt, de vracht zou voor het dier te zwaar zijn.» - Zij reed huiswaarts en kwam spoedig terug met een dikgevulden geldzak, dien zij den boer overreikte, hem tevens bedankende voor den dienst.
Weêr tehuis gekomen zijnde, vertelde zij haren zoon, die nu van den veldarbeid was teruggekeerd, van hare ontmoeting met den vreemden man. - De lummel zeî: «Dat is toch zonderling. Ik heb altijd gedacht, dat in den hemel niemand aan iets gebrek had. Maar ik zou dien vreemden man wel gaarne eens willen spreken.» - «Welnu,» zeî de moeder, «spring haastig te paard en jaag hem na; misschien kunt ge hem nog inhalen.» - Hij deed alzoo en kwam spoedig op de plaats waar de boer zich ter zijde van den weg in het gras had nedergevlijd om het geld eens te tellen. De paardrijder riep hem toe: «Zijt gij de man die uit den hemel is gevallen?» - «Neen,» zeî de boer, «die is zoo pas van hier en daar ginds dien hoogen terp opgegaan, om zoo spoedig mogelijk weer in den hemel te kunnen zijn. Maar als je vlug rijdt, haalt ge hem nog wel in.» - «Jamaar,» zei de lummel, «ik weet den weg niet en ken den man niet. Och, goede vriend, zoudt gij niet even hem na willen rijden en hier terug brengen? Dan ga ik zoolang in het gras zitten rusten, want ik ben vermoeid van het werken en. het paardrijden bevalt mij slecht.» - «Nu ja», zeî de boer, «dan moet ik dat maar even voor je doen.» - Hij besteeg het paard, reed weg - en kwam niet terug. - De lummel bleef geduldig zitten wachten tot den avond en toen hij weêr bij zijne moeder kwam zeî hij: «de man uit den hemel zal zeker te veel haast gehad hebben om terug te keeren, en ik denk dat hij ons paard ook heeft meêgenomen.» - «Nu, dat is goed,» zeî moeder, «dan kan je vader daar ook nog wat genot van hebben.»
De boer kwam bij zijne vrouw terug en zeî: «Nu heb ik toch ontdekt dat er nog dommer menschen. zijn dan jij. Daardoor heb ik in de plaats van de slechte koe, die jij je hebt laten afpraten, een best paard gekregen, en nog geld toe, veel meer dan het spek waard was, dat jij hebt weggeschonken. Dus je krijgt geen stokslagen en ik wil voortaan met je huishouden zoo goed ik kan.»
Hiermeê is 't vertelsel uit en die 't het laatst verteld heeft leeft nog.
Onderwerp
AT 1384 - The Husband Hunts Three Persons as Stupid as his Wife   
ATU 1384 - The Husband Hunts Three Persons as Stupid as his Wife.   
SINAT 1384 - Der Mann sucht drei Menschen, die ebenso dumm sind wie seine Frau
  
VDK 1384 - The Husband Hunts Three Persons as Stupid as his Wife   
Beschrijving
Als een boer zijn vrouw opdraagt twee koeien te verkopen, laat ze zich beetnemen door de verkoper. De man wil bij haar weggaan, maar besluit eerst te onderzoeken of er mensen zijn die dommer zijn dan zij. Op zijn tocht ziet hij een herbergier die vanaf grote hoogte probeert in zijn broek te springen. De herbergier kan niet begrijpen dat het ook anders kan. De boer treft daarna een vrouw die met een zware mand op haar rug een paard en wagen rijdt. Op zijn vraag waarom ze de mand niet op de wagen legt, zegt ze dat ze haar paard niet te veel wil belasten. De boer maakt haar wijs dat hij uit de hemel komt. De vrouw vraagt hem om geld te brengen naar haar overleden echtgenoot. De zoon van de vrouw wil meer weten over de hemel en gaat de boer achterna. Deze zegt hem dat de man die uit de hemel is gevallen al vertrokken is, maar dat hij hem op het paard van de jongen wel kan achterhalen. De boer komt thuis met geld en een paard en blijft, nu hij weet dat er nog dommere mensen bestaan, bij zijn vrouw.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 82-86.
Commentaar
The Husband Hunts Three Persons as Stupid as his Wife & AT 1385: The Foolish Wife's Pawn & AT 1286: Jumping into the Breeches & AT 1540: The Student from Paradise (Paris)
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
