Hoofdtekst
Van een dominé en een dievenkapitein.
Reeds veel meer dan honderd jaren is het geleden, dat er op eene eenzaam staande pastorij een predikant met zijne vrouwen kinderen woonde. Zijne gemeente bestond uit niets dan verspreid wonende boeren en arbeiders, waarvan niet een in de onmiddellijke nabijheid der pastorij. Nu gebeurde 't eens dat op zekeren avond in den laten herfst, bij nattig en mistig weder, een man te paard zich bij de pastorij aanmeldde. Hij verzocht beleefd daar te mogen overnachten. Zijn doel was, vertelde hij, naar de naaste stad te reizen, maar de weg was tengevolge van het natte weder zeer slecht en de duisternis zoo dik, dat men land en water niet van elkander kon onderscheiden. Mocht men hem willen herbergen, dan was hij gaarne bereid alles voldoende te betalen. De man was goed gekleed en welgemanierd, waarom dominé begreep het verzoek niet te mogen weigeren. Hij zeide: «een fatsoenlijk man herbergt gaarne een fatsoenlijk man en van betalen mag daarbij geen sprake zijn.» Er was wel geene stalling, maar het paard konde geplaatst worden in het tuinhuis, en den reiziger wees men eene slaapkamer aan, waar hij zijne reisbagage konde bergen. Vervolgens werd hij uitgenoodigd in de huiskamer tegenover dominé plaats te nemen bij den haard. Spoedig was nu de vreemdeling met den predikant en diens vrouw in een druk en onderhoudend gesprek, want hij bleek iemand te zijn die veel gereisd had en de wereld kende. Na afloop van den avondmaaltijd gaf de vrouw te kennen, dat zij wegens haar zwak gestel behoefte had aan rust, en nu stelde dominé zijnen gast voor nog een uurtje te praten. Hij bracht thans het gesprek op de eenzaamheid van dominé's woning en vroeg of het nogal veilig was in die streek. «O ja,» zeide dominé, «van stelen hoort men hier nooit.» - « En toch,» zeide de gast, « werd mij heden verteld, dat zich in den omtrek eene dievenbende ophoudt.» - «Ik heb er niets van gehoord,» hernam de predikant, «maar er kan hier wel iets zijn wat ik niet weet, want er gaat dikwijls een dag voorbij zonder dat ik iemand spreek.» - «Welnu, gesteld dat het zoo ware, dominé, zoudt gij dan niet bevreesd zijn in deze eenzaamheid? Wat zoudt gij beginnen, wanneer gij in den nacht werdt overvallen?» Nu hernam dominé: «tegen de overmacht van velen zou ik niets kunnen doen. Maar bevreesd of bang ben ik nooit. In mijne jonge jaren was ik, als 't op lichaamskracht aankwam, tegen twee personen berekend, en één kerel zoude ik nog wel aandurven. Komen mijne eigendommen en vooral mijne vrouwen kinderen in gevaar, dan zal het mij niet aan moed ontbreken om mij tot het uiterste te verdedigen. Maar behalve dat, mijnheer, ik ben predikant en sta in het vaste vertrouwen, dat ik leef onder de hoede van een hooger macht. Zie, daardoor leef ik hier altijd rustig en welgemoed in mijne eenzame pastorij.»
Deze woorden maalden zichtbaar indruk op den vreemdeling. Hij zeide: «Dominé, gij hebt mij heden zeer vriendelijk onthaald; bovendien heb ik eerbied voor uwe mannelijke taal. Daarom wil ik oprecht jegens u zijn. Ik kan u verzekeren, dat de dievenbende waarvan ik sprak, werkelijk bestaat. De dieven weten dat gij in den laatsten tijd eene aanzienlijke som gelds en vele kostbaarheden hebt geërfd. En om u de waarheid te zeggen: ik weet het ook.» Nu haalde de man een papier voor den dag waarop alles wat dominé aan geld, goud- en zilverwerken en andere kostbaarheden in huis had, nauwkeurig stond aangeteekend. «En nu bestaat het plan, u dit alles dezen nacht afhandig te maken.»
Dominé verbaasde zich niet weinig. «Maar,» zeide hij, «aangezien gij dit alles zoo weet, moet ik haast wel denken, dat gij gekomen zijt om mij tegen de roovers te beschermen.» - «Het eigenlijke doel mijner komst was dit niet,» antwoordde de vreemde; «om u de waarheid te zeggen, dominé, ik ben de kapitein der bende.» Nu was dominé's verbazing nog grooter. Maar hij herstelde zich spoedig en zeide: «mijnheer, wat moet ik hiervan denken? hebt gij misschien een grap met mij voor?» - «Volstrekt niet,» zeî de man ernstig, «ik ben werkelijk niemand ànders dan de hoofdman eener dievenbende.»
De predikant staarde den man sprakeloos aan; deze vervolgde: « wees gerust, dominé! er zal u geen leed worden gedaan. Ons plan was, u dezen nacht alles af te halen. Maar mijn volk gehoorzaamt mij zoo volkomen, dat niemand hunner een vinger zal uitsteken tegen mijn bevel. Wij hebben niet alleen zeer strenge wetten, maar mijne mannen zouden allen voor mij door het vuur willen gaan. Thans zijn wij afgesproken dat ik, hier nachtverblijf verkrijgende, op een bepaald tijdstip het raam mijner slaapkamer zal openen om daar een man of vier binnen te laten en dan het rooverswerk te beginnen, terwijl buiten rondom het huis wachters worden geplaatst. En gij zoudt door de minste tegenweêr uw leven in gevaar brengen. Het tijdstip waarop mijne manschappen hier zullen komen is niet meer ver af. Maar, eerwaardige man! uw gulle vriendelijkheid en openhartige mannelijke taal hebben zooveel indruk op mij gemaakt, dat ik ben besloten, dit plan niet uit te voeren. Het spelen van zulk een valsche rol tegenover zooveel oprechtheid kan ik niet van mij verkrijgen. Ik verzeker u dat u geen speld zal worden ontvreemd en geen haar gekrenkt. Maar wees gij dan zoo goed, getrouw te volbrengen wat ik van u verlang.» «Laat mij slechts weten wat dit is,» zeide de predikant. De kapitein gebood dat op de tafel in zijne slaapkamer eenige gouden en zilveren kostbaarheden moesten worden geplaatst, en schreef, terwijl dominé zijn bevel volbracht, op een groot stuk papier deze woorden: « Alles wat hier in huis is moet . onaangeroerd blijven; niemand mag iets wegnemen.» - Dit papier, voorzien van 's kapiteins handteekening, werd op dezelfde tafel gelegd en nu begaf de kapitein, na een raam geopend te hebben, zich ter rust. Dominé mocht dit ook doen, maar aan slapen kon hij niet denken. Hij verschool zich op eene plaats waar hij konde hooren en zien wat er in des kapiteins slaapkamer gedaan en gesproken werd. Zoodra het middernachtsuur had geslagen, kwamen vier mannen het raam in. Een hunner nam het papier van de tafel op, las het en zeide: «Tegenbevel! wij kunnen rechtsomkeert maken!» - « Dat is vreemd!» zeî een ander, « maar dan wil ik toch eene kleinigheid voor mij zelf nemen.» - «Doe dat niet als ge uw leven liefhebt,» zeide de eerste dreigend, « gij weet dat alles nauwkeurig is opgeschreven.» Dit hielp en de mannen trokken weêr af zonder iets, hoe gering ook, mede te nemen. De kapitein kwam uit zijn bed, sloot het raam en blies het licht uit. Nu was alles stil en er gebeurde verder niets. De predikant bracht met zijne vrouw, die hij met het gebeurde in kennis had gesteld, een slapeloozen nacht door. De morgenschemering was nauwelijks aangebroken of zij waren op de been. De dievenkapitein noodigde hem uit om samen te onderzoeken of buitenshuis ook iets verkeerds was uitgevoerd. - Alles bleek volkomen in orde, alleen ontbrak ééne kip; maar dominé noemde dit eene zaak van geene beteekenis.
Hierop nam de kapitein afscheid; hij reisde liefst niet bij helderen dag. Dominé en diens vrouw begaven zich des avonds onbezorgd ter rust. En toen zij des anderen morgens het hoofd buiten de deur staken, werden zij vreemd verrast. Aan een der boomen in den tuin hing een doode kip en daar naast - een doode man. Zoo had de kapitein den kippendief doen straffen.
Reeds veel meer dan honderd jaren is het geleden, dat er op eene eenzaam staande pastorij een predikant met zijne vrouwen kinderen woonde. Zijne gemeente bestond uit niets dan verspreid wonende boeren en arbeiders, waarvan niet een in de onmiddellijke nabijheid der pastorij. Nu gebeurde 't eens dat op zekeren avond in den laten herfst, bij nattig en mistig weder, een man te paard zich bij de pastorij aanmeldde. Hij verzocht beleefd daar te mogen overnachten. Zijn doel was, vertelde hij, naar de naaste stad te reizen, maar de weg was tengevolge van het natte weder zeer slecht en de duisternis zoo dik, dat men land en water niet van elkander kon onderscheiden. Mocht men hem willen herbergen, dan was hij gaarne bereid alles voldoende te betalen. De man was goed gekleed en welgemanierd, waarom dominé begreep het verzoek niet te mogen weigeren. Hij zeide: «een fatsoenlijk man herbergt gaarne een fatsoenlijk man en van betalen mag daarbij geen sprake zijn.» Er was wel geene stalling, maar het paard konde geplaatst worden in het tuinhuis, en den reiziger wees men eene slaapkamer aan, waar hij zijne reisbagage konde bergen. Vervolgens werd hij uitgenoodigd in de huiskamer tegenover dominé plaats te nemen bij den haard. Spoedig was nu de vreemdeling met den predikant en diens vrouw in een druk en onderhoudend gesprek, want hij bleek iemand te zijn die veel gereisd had en de wereld kende. Na afloop van den avondmaaltijd gaf de vrouw te kennen, dat zij wegens haar zwak gestel behoefte had aan rust, en nu stelde dominé zijnen gast voor nog een uurtje te praten. Hij bracht thans het gesprek op de eenzaamheid van dominé's woning en vroeg of het nogal veilig was in die streek. «O ja,» zeide dominé, «van stelen hoort men hier nooit.» - « En toch,» zeide de gast, « werd mij heden verteld, dat zich in den omtrek eene dievenbende ophoudt.» - «Ik heb er niets van gehoord,» hernam de predikant, «maar er kan hier wel iets zijn wat ik niet weet, want er gaat dikwijls een dag voorbij zonder dat ik iemand spreek.» - «Welnu, gesteld dat het zoo ware, dominé, zoudt gij dan niet bevreesd zijn in deze eenzaamheid? Wat zoudt gij beginnen, wanneer gij in den nacht werdt overvallen?» Nu hernam dominé: «tegen de overmacht van velen zou ik niets kunnen doen. Maar bevreesd of bang ben ik nooit. In mijne jonge jaren was ik, als 't op lichaamskracht aankwam, tegen twee personen berekend, en één kerel zoude ik nog wel aandurven. Komen mijne eigendommen en vooral mijne vrouwen kinderen in gevaar, dan zal het mij niet aan moed ontbreken om mij tot het uiterste te verdedigen. Maar behalve dat, mijnheer, ik ben predikant en sta in het vaste vertrouwen, dat ik leef onder de hoede van een hooger macht. Zie, daardoor leef ik hier altijd rustig en welgemoed in mijne eenzame pastorij.»
Deze woorden maalden zichtbaar indruk op den vreemdeling. Hij zeide: «Dominé, gij hebt mij heden zeer vriendelijk onthaald; bovendien heb ik eerbied voor uwe mannelijke taal. Daarom wil ik oprecht jegens u zijn. Ik kan u verzekeren, dat de dievenbende waarvan ik sprak, werkelijk bestaat. De dieven weten dat gij in den laatsten tijd eene aanzienlijke som gelds en vele kostbaarheden hebt geërfd. En om u de waarheid te zeggen: ik weet het ook.» Nu haalde de man een papier voor den dag waarop alles wat dominé aan geld, goud- en zilverwerken en andere kostbaarheden in huis had, nauwkeurig stond aangeteekend. «En nu bestaat het plan, u dit alles dezen nacht afhandig te maken.»
Dominé verbaasde zich niet weinig. «Maar,» zeide hij, «aangezien gij dit alles zoo weet, moet ik haast wel denken, dat gij gekomen zijt om mij tegen de roovers te beschermen.» - «Het eigenlijke doel mijner komst was dit niet,» antwoordde de vreemde; «om u de waarheid te zeggen, dominé, ik ben de kapitein der bende.» Nu was dominé's verbazing nog grooter. Maar hij herstelde zich spoedig en zeide: «mijnheer, wat moet ik hiervan denken? hebt gij misschien een grap met mij voor?» - «Volstrekt niet,» zeî de man ernstig, «ik ben werkelijk niemand ànders dan de hoofdman eener dievenbende.»
De predikant staarde den man sprakeloos aan; deze vervolgde: « wees gerust, dominé! er zal u geen leed worden gedaan. Ons plan was, u dezen nacht alles af te halen. Maar mijn volk gehoorzaamt mij zoo volkomen, dat niemand hunner een vinger zal uitsteken tegen mijn bevel. Wij hebben niet alleen zeer strenge wetten, maar mijne mannen zouden allen voor mij door het vuur willen gaan. Thans zijn wij afgesproken dat ik, hier nachtverblijf verkrijgende, op een bepaald tijdstip het raam mijner slaapkamer zal openen om daar een man of vier binnen te laten en dan het rooverswerk te beginnen, terwijl buiten rondom het huis wachters worden geplaatst. En gij zoudt door de minste tegenweêr uw leven in gevaar brengen. Het tijdstip waarop mijne manschappen hier zullen komen is niet meer ver af. Maar, eerwaardige man! uw gulle vriendelijkheid en openhartige mannelijke taal hebben zooveel indruk op mij gemaakt, dat ik ben besloten, dit plan niet uit te voeren. Het spelen van zulk een valsche rol tegenover zooveel oprechtheid kan ik niet van mij verkrijgen. Ik verzeker u dat u geen speld zal worden ontvreemd en geen haar gekrenkt. Maar wees gij dan zoo goed, getrouw te volbrengen wat ik van u verlang.» «Laat mij slechts weten wat dit is,» zeide de predikant. De kapitein gebood dat op de tafel in zijne slaapkamer eenige gouden en zilveren kostbaarheden moesten worden geplaatst, en schreef, terwijl dominé zijn bevel volbracht, op een groot stuk papier deze woorden: « Alles wat hier in huis is moet . onaangeroerd blijven; niemand mag iets wegnemen.» - Dit papier, voorzien van 's kapiteins handteekening, werd op dezelfde tafel gelegd en nu begaf de kapitein, na een raam geopend te hebben, zich ter rust. Dominé mocht dit ook doen, maar aan slapen kon hij niet denken. Hij verschool zich op eene plaats waar hij konde hooren en zien wat er in des kapiteins slaapkamer gedaan en gesproken werd. Zoodra het middernachtsuur had geslagen, kwamen vier mannen het raam in. Een hunner nam het papier van de tafel op, las het en zeide: «Tegenbevel! wij kunnen rechtsomkeert maken!» - « Dat is vreemd!» zeî een ander, « maar dan wil ik toch eene kleinigheid voor mij zelf nemen.» - «Doe dat niet als ge uw leven liefhebt,» zeide de eerste dreigend, « gij weet dat alles nauwkeurig is opgeschreven.» Dit hielp en de mannen trokken weêr af zonder iets, hoe gering ook, mede te nemen. De kapitein kwam uit zijn bed, sloot het raam en blies het licht uit. Nu was alles stil en er gebeurde verder niets. De predikant bracht met zijne vrouw, die hij met het gebeurde in kennis had gesteld, een slapeloozen nacht door. De morgenschemering was nauwelijks aangebroken of zij waren op de been. De dievenkapitein noodigde hem uit om samen te onderzoeken of buitenshuis ook iets verkeerds was uitgevoerd. - Alles bleek volkomen in orde, alleen ontbrak ééne kip; maar dominé noemde dit eene zaak van geene beteekenis.
Hierop nam de kapitein afscheid; hij reisde liefst niet bij helderen dag. Dominé en diens vrouw begaven zich des avonds onbezorgd ter rust. En toen zij des anderen morgens het hoofd buiten de deur staken, werden zij vreemd verrast. Aan een der boomen in den tuin hing een doode kip en daar naast - een doode man. Zoo had de kapitein den kippendief doen straffen.
Onderwerp
VDK 0958J* - De dominee en de roverhoofdman   
Beschrijving
Een dominee woont erg afgelegen. Op een dag vraagt een vreemdeling om onderdak voor de nacht. De dominee is zeer gastvrij en laat de vreemdeling binnen. De man vraagt de dominee of het in deze streek wel veilig is en vertelt hem dat er een dievenbende in de streek is die weet dat de dominee grote rijkdommen geërfd heeft. Hij vraagt de dominee of hij niet bang is. De dominee zegt niet bang te zijn, hij staat zijn mannetje wel en zal alles doen om zijn gezin te beschermen. Daarenboven vertrouwt hij in alles op God. De vreemdeling is onder de indruk van de woorden van de man en vertelt hem dat hij de leider van de dievenbende is en dat zij het plan hadden de dominee van zijn rijkdommen te beroven. De roverhoofdman belooft dat hem niets zal gebeuren en dat hij zijn mannen zal verbieden iets te ontvreemden. In de ochtend blijkt alleen een kip te missen, verder is niets aangeraakt. De roverhoofdman vertrekt. De volgende dag ziet de dominee in een boom een dode kip hangen, met daarnaast een dode man. Deze kippendief is gestraft voor het overtreden van het gebod van de roverhoofdman.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 88-91.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
