Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2029 - Van een gravin en gauwdieven

Een sprookje (boek), 1896

Hoofdtekst

Van een gravin en gauwdieven.
Er was eens een graaf, die woonde met zijne jeugdige gravin op een oud slot dat zeer eenzaam en afgelegen stond. Nu gebeurde 't eens dat het land in oorlog kwam en de graaf werd opgeroepen om als veldoverste tegen den vijand uit te trekken. Hij moest nu zijne jonge gravin alleen op het slot laten en hierover was zij zeer treurig. De graaf echter begreep dat men zich in de omstandigheden behoorde te schikken. Hij trachtte zijne vrouw te troosten met de hoop op eene spoedige terugkomst, overladen met roem en eer.
Treurig en mismoedig zat de jonge verlatene vrouw dagelijks van den morgen tot den avond in de zaal, en niets konde haar eenig genoegen verschaffen. Zij stelde zich voor, dat haar gemaal niet levend zou terugkeeren, en bleef hij leven, hoe lang zou de oorlog dan nog wel kunnen aanhouden? Dikwijls bleef zij tot diep in den nacht zitten lezen, want den slaap kon zij toch niet vatten.
Zoo zat zij eens weêr laat in den avond alleen te mijmeren bij een flauw schijnend licht. Het liep reeds tegen middernacht en zij had bare dienstboden ter rust laten gaan. Daar werd zij onverwacht gestoord door het geluid van voetstappen op den trap. Eerst verschrikte zij, maar herstelde zich spoedig en besloot om, wat er ook mocht gebeuren, hare tegenwoordigheid van geest niet te verliezen.
De deur werd geopend en twaalf forsche mannen stapten de zaal binnen, allen gewapend met stokken en sabels. Een hunner droeg eene lantaarn. Die vooraan ging scheen de hoofdman te zijn; hij droeg zekere onderscheidingsteekens en een ijzeren stekelband om den hals. De gravin had zoodra niet opgemerkt, dat die man iets meer was dan de anderen, of zij sprong overeind, snelde op hem toe en omhelsde hem, terwijl zij riep: «Gij zijt mijn liefste! gij zijt mijn liefste!» Dit was eene zoo onverwachte ontmoeting voor den rooverhoofdman, dat hij voor een oogenblik vergat, waarom hij daar gekomen was, namelijk om te rooven en te moorden. Hij liet zich wegslepen door hare vleiende woorden en hare mooie oogen. De andere gauwdieven riepen: «Vrouwenbedrog! Vrouwenbedrog!» - «O neen! geen vrouwenbedrog,» zeide de gravin; «mijn ridder heeft mij verlaten en voor vast beloofd dat hij minstens eens in de week een bericht zou zenden; nu is hij reeds sedert vele weken afwezig en nog ben ik zonder eenige nieuwstijding. Dit zegt mij duidelijk, dat hij mij vergeet. Daarom heb ik het besluit genomen, dat de eerste man die mij hier zou komen bezoeken, mijn liefste zoude zijn. En nu zijt gij mijn liefste, ja, gij zijt mijn liefste!» En zij streelde en liefkoosde hem. En zijne manschappen zeiden weêr: «Vrouwenbedrog ! Vrouwenbedrog !» Maar de hoofdman zeide: «Edele vrouw, hoor mij aan! Is het waar dat gij mij als uw liefste kiest, bewijs dit dan met daden. Gij zult begrijpen, dat wij zijn gekomen om hier iets weg te halen. Dit zoude ons zeker zonder eenige hulp zeer goed gelukt zijn; maar hebben wij iemand die ons aanwijst waar de voornaamste schatten te vinden zijn, dan gaat het zooveel te gemakkelijker.» - «Welnu, mijn liefste, dat wil ik doen,» zeide de gravin, terwijl zij een grooten sleutelbos voor den dag haalde, «volg mij met uwe mannen; ik zal u de schatten aanwijzen, als gijlieden u de moeite van het meênemen wilt getroosten. Het geld en de kostbaarheden, die hier zijn, nemen wij meê, en dan kan dit oude nest van een slot mij niets meer schelen. Ik zal u volgen waar gij ook gaat, want gij zijt mijn liefste. Kom meê.» Daarop snelde zij den trap af en de gauwdieven volgden haar. Zij bracht de mannen beneden, opende eene groote zware kelderdeur en zeide: «Achter in dezen kelder staat een ijzeren kist met geld; die kunt gij met u twaalven wel er uit dragen en dan hebben we reeds een begin,» De hoofdman begaf zich zonder eenige vrees in den kelder; de anderen aarzelden en zeiden alweêr: «Vrouwenbedrog! Vrouwenbedrog!» - Doch de hoofdman beval hen te volgen en zij moesten gehoorzamen. Een hunner scheen echter de wacht te willen houden en bleef voor den ingang staan. Doch geheel onverhoeds gaf de gravin hem zulk een krachtigen stoot in den rug, dat hij voorover in den kelder tuimelde. En nu was 't: klap! de deur op slot. Daar zaten de gauwdieven opgesloten in een kelder met een steenen gewelf en zware ijzeren tralies voor de zeer kleine vensters. Aan ontkomen viel niet te denken. Dreigementen hielpen even weinig als vloeken, schelden en razen.
Maar wat moest de gravin doen? Zij had geen andere dienstbaren dan twee maagden en een reeds bejaarden knecht. Dezen wekte zij spoedig, maar zij dorst niemand uitzenden om hulp, omdat zij vreesde dat de gauwdieven buiten het slot wachten hadden uitstaan. Goede raad was duur, maar de gravin liet den paardenstal, op geringen afstand van het slot, in brand steken. In het dorp werd daarop de klok geklept en weldra was al het boerenvolk uit den omtrek op de been. Boden werden naar de hoofdstad afgezonden om soldaten en gerechtsdienaars, en de gauwdieven werden naar de gevangenis vervoerd. De rooverijen, van welken men in de omstreken veel had gehoord, hielden daarmede op.
Kort daarna keerde de graaf uit den oorlog terug. Toen hij vernam in welk gevaar zijne vrouw had verkeerd en hoe zij zich er uit had gered, toen achtte hij haar nog hooger dan voorheen, maar hij besloot tegelijk voortaan meer mannelijk dienstvolk op het slot te hebben.

Onderwerp

AT 0968 - Miscellaneous Robber and Murder Stories    AT 0968 - Miscellaneous Robber and Murder Stories   

ATU 0968 - Miscellaneous Robber and Murder Stories.    ATU 0968 - Miscellaneous Robber and Murder Stories.   

Beschrijving

Een graaf moet zijn gravin alleen op hun slot achterlaten omdat hij ten strijde moet trekken. Op een nacht hoort zij voetstappen op de trap. Een groep rovers is haar huis binnengedrongen. De gravin werpt zich om de hals van de roverhoofdman en verklaart hem dat hij haar liefste is. Ze maakt hem wijs dat omdat haar man al lang van huis is en niets van zich heeft laten horen, ze besloten heeft dat de eerste man die binnenkomt haar liefste zal zijn. De andere rovers waarschuwen de roverhoofdman voor vrouwenbedrog, maar hij laat zich door haar naar de kelder leiden, waar een kist met geld zou staan. De rovers gaan de kelder in. De laatste rover, die de wacht wil houden, krijgt een duw van de vrouw en zij sluit ze allen in de kelder op. Ze slaat alarm door een schuur in brand te steken en krijgt zo hulp uit het dorp. Als de graaf terugkeert uit de strijd, is hij onder de indruk van zijn vrouw.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 86-88.

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20