Onderwerp
AT 0700 - Tom Thumb   
Beschrijving
Tom Thumb
Tekst
Een kinderloos echtpaar ziet zijn verlangen naar een kind tenslotte toch vervuld: ze krijgen een klein jongetje, dat echter maar zo groot is als een duim en niet verder groeit. Het wordt wel een heel handig jongetje, dat zijn vader helpt bij het werk. Een keer leidt hij, gezeten in het oor van het paard waar hij zijn bevelen geeft, paard en wagen naar het bos. Twee mannen zien dat en vragen de vader van Duimpje of hij hem wil verkopen. Duimpje hoort dat ze hem voor geld op markten willen laten zien. Duimpje's vader wil zijn zoon eerst niet verkopen, maar doet dat op aanraden van Duimpje tenslotte toch. Duimpje reist op de rand van de hoed van een van de mannen met hen mee. Wanneer hij nodig moet, zetten ze hem op de grond. Duimpje verdwijnt in een muizenhol en laat de mannen alleen verder trekken. Kort daarna komt hij twee dieven tegen die het op het geld van de pastoor voorzien hebben. Hij biedt hun zijn diensten aan: door zijn kleinheid kan hij overal binnen komen. Wanneer ze bij de pastoor zijn binnengedrongen, gaat Duimpje hard tegen ze praten: of ze alles willen hebben wat in de schatkamer ligt. De huishoudster wordt wakker, de dieven rennen weg. Duimpje gaat in het stro liggen slapen. 's Morgens geeft de huishoudster de bos stro met Duimpje erin te eten aan de koe waardoor deze in de koemaag belandt. Daar schreeuwt hij dat er niet nog meer stro in de maag moet. De huishoudster hoort dit en waarschuwt de pastoor. Die denkt dat er een kwade geest in de koe is gevaren en laat het dier slachten. De maag waarin Duimpje zich bevindt wordt op de mesthoop gegooid. Net wanneer Duimpje uit de maag wil kruipen, wordt die door een wolf naar binnen geslokt. Vanuit de maag wijst hij de wolf de weg naar zijn ouderlijk huis waar een grote voorraad eten gereed ligt. De wolf eet zich rond en kan de voorraadkamer niet meer uit (vgl. AT 41, 'The Wolf Overeats in the Cellar'). Duimpje gaat schreeuwen, zijn ouders komen kijken en doden de wolf. Het hier weergegeven sprookje (AT 700, 'Tom Thumb') is nummer 37 uit de Kinder- und Hausmärchen ('Daumesdick'). Dezelfde thematiek en structuur vertoont nummer 45 uit hetzelfde boek ('Daumerlings Wanderschaft'): Duimpje helpt rovers, wordt door een koe ingeslikt en later door een vos. Het verblijf in de koemaag vormt een centraal en populair motief in de vele varianten die van dit sprookje zijn opgetekend. Het is in heel Europa en in diverse landen daarbuiten bekend. De oudste literaire vermelding komt voor in Engeland in R. Scot: Discoverie of Witchcraft (1584). De held heet daar Tom Thumb. In de angelsaksische versies beleeft hij overeenkomstige avonturen als op het Europese vasteland. De motieven van het mennen van het paard via het oor en van de hulp aan de rovers ontbreken echter. In Nederland is het sprookje ruim vijfentwintig maal opgetekend, in Vlaanderen ruim vijftien maal. In beide landen circuleerden in de 19e eeuw ook kinderprenten met het thema. De sprookjes-versies vertonen grote onderlinge verschillen in de avonturen die Duimpje beleeft. De Nederlandse varianten vertonen op hun beurt weer verschillen met die in de omringende landen. Zo ontbreekt in de Nederlandse (en Vlaamse) varianten het motief dat de wolf Duimpje verslindt en naar huis brengt. Dit komt wel in Duitsland en Frankrijk voor. In Vlaanderen is het motief van het koeken bakken (Duimpje valt in het deeg en wordt opgegeten) zeer geliefd, terwijl dat in Nederland en de andere landen onbekend is. De sprookjesstof is humoristisch verwerkt in de Amerikaanse kinderfilm Tom Thumb uit 1958, die een Oscar won voor poppenspel en trucage. Eén van de hoofdrollen werd gespeeld door Peter Sellers. Het sprookje is regelmatig symbolisch geduid. P. Saintyves ziet in de avonturen van Duimpje de neerslag van een initiatierite. In de psycho-analytische literatuur wordt Duimpje als fallisch symbool opgevat.
Literatuur
Teksten: KHM 37 en 45
Studies: AT 700; VDK p. 351-352, Sinninghe 1943a, p. 23; De Meyer 1968, p. 83; BP 1, p. 361, 389-398; EM 3, 350-360; De Meyer 1942, p. 121-132; De Meyer 1957-1958; Scherf 1987, p. 113-120, 179-185; Scherf 1995, 1, p. 159-163, 483-487; Tomkowiak & Marzolph 1996, nr.7.
Studies: AT 700; VDK p. 351-352, Sinninghe 1943a, p. 23; De Meyer 1968, p. 83; BP 1, p. 361, 389-398; EM 3, 350-360; De Meyer 1942, p. 121-132; De Meyer 1957-1958; Scherf 1987, p. 113-120, 179-185; Scherf 1995, 1, p. 159-163, 483-487; Tomkowiak & Marzolph 1996, nr.7.
