Onderwerp
AT 0221 - The Election of Bird-king   
Beschrijving
The Election of Bird-king
Tekst
Toen de vogels nog geen koning hadden, kwamen ze op een goede dag bij elkaar en besloten ze er een te kiezen. Na veel gepalaver werden ze het eens: hij die het hoogste kon vliegen, zou het worden. De adelaar (soms ook de ooievaar) lijkt het hoogst te komen en waant zich al winnaar als een klein vogeltje blijkt nog net iets hoger te kunnen en triomfantelijk uitroept: "Ki-ke-ri-ke-rik! Koning ben ik!" Het had zich, in de veren van de adelaar verstopt, omhoog laten dragen en was pas gestart, toen deze niet meer kon. De vogels besluiten tot een salomonsoordeel: de adelaar zal 's zomers koning zijn, het kleine vogeltje in de winter, als de adelaar wegtrekt. Sindsdien draagt het kleine vogeltje de naam winterkoninkje.
Vaak neemt dit verhaal nu echter een andere wending en wordt er een tweede episode aan toegevoegd: het bedrog van het winterkoninkje wordt niet geaccepteerd en er wordt een nieuwe wedstrijd uitgeschreven. De vogel die het laagst kan vliegen zal koning worden. Maar weer wint het winterkoninkje: het kruipt in een molshoop of muizengaatje. Hierin zingt hij (in een Vlaamse variant):
Gij zult er mij niet vinden,
Van niemand ben ik bang,
Tot koning ben ik verheven,
En 'k blijf 't mijn leven lang.
De woedende vogels willen hem gevangen nemen en zetten de uil als waker voor de ingang, maar deze sluit eerst zijn ene oog, dan het andere en tenslotte, door slaap overmand, allebeide. Waarop het winterkoninkje kan ontsnappen. Voor straf mag de uil voortaan alleen nog des nachts vliegen, verjagen de andere vogels hem altijd zodra ze hem in het oog krijgen, kan hij alleen nog maar in het donker zien en is hij om zich te wreken een muizenvanger geworden.
De dierenwereld van fabel en diersprookje is georganiseerd als en gemodelleerd naar de mensenwereld. Zoals de viervoeters/zoogdieren hun koning, de leeuw hebben, zo hebben ook de vogels, de vissen, de slangen enz. hun eigen koning. Dit tegelijk aetiologische, natuurverschijnsel- en naamsverklarende èn humoristische diersprookje (AT 221: 'The election of bird-king'), met zijn overduidelijke 'wie niet sterk is moet slim zijn'-moraal, was al in de oudheid bekend. Aristoteles (384-322 v. Chr.) vermeldt in zijn Historia animalium dat men de winterkoning 'oudste' en 'koning' noemt en dat hij de vijand van de adelaar is. Plutarchus (ca. 45-ca. 120 n. Chr.) vertelt als eerste het verhaal, de eerste helft dan.
In deze korte redactie bleef het sprookje in de middeleeuwen bekend. We vinden het dan vooral in natuurbeschrijvende encyclopedische werken, zoals in Alexander Neckams De naturis rerum (eind twaalfde eeuw). Ook uit de nieuwe tijd zijn er enkele, voornamelijk Duitse teksten bekend, maar pas in de negentiende eeuw -- er beginnen dan voor het eerst ook teksten met de tweede helft op te duiken -- blijkt hoe algemeen geliefd dit sprookje is. Vooral in Europa, waar vrijwel alle talen voor de Troglodytes troglodytes wel een of meer namen met -koning erin hebben (in het Pools wordt hij zelfs muizenkoning genoemd), maar ook in de andere werelddelen, waar er dan vaak andere vogelsoorten in figureren. Het is zelfs het enige Europese sprookje dat (in de lange redactie) door de Australische Aborigines is overgenomen.
Kerngebied van deze lange redactie is wel Midden-Europa, inclusief Nederland en Vlaanderen, waar het zeer bekend geweest moet zijn. In Friesland is het bijvoorbeeld tussen 1854 en 1978 vijfentwintig keer opgetekend en uit Vlaanderen zijn achttien lezingen bekend. Tot die bekendheid heeft zeker het 171ste sprookje uit de Kinder- und Hausmärchen van de gebroeders Grimm bijgedragen, 'Der Zaunkönig', dat uit 1840 en Mecklenburg stamt.
Vooral aan de kusten van de Noordzee en de Oostzee, maar ook wel elders bekend was het relatief jonge diersprookje van de zwemwedstrijd van de vissen, met als doel uit te maken wie de koning der vissen mag worden (AT 250A: 'Flounders crooked mouth'). Het wordt hier verbonden met het oude en zeer verbreide (in Japan al in de achtste eeuw bekende) motief van de scheve mond/bek als straf voor valse trots. Nog tijdens de wedstrijd hoort de schol al dat de haring gewonnen heeft. Hij trekt een verachtelijk gezicht. Sindsdien heeft hij een scheve bek en is de haring, zoals het bekende rijmpje 'Haring, haring spant de kroon / Boven alle vissen schoon' al zegt, de koning der vissen. In Nederland is dit didactisch-aetiologische diersprookje gevonden in Friesland en Groningen. Ook in Vlaanderen deed het de ronde. De gebroeders Grimm namen het uit dezelfde bron als nummer 171 in hun sprookjesverzameling op onder nummer 172, 'Die Scholle'.
Literatuur
Teksten: KHM, nr. 171 en 172; Boekenoogen 1903a, p. 72-75; Dykstra 1895-1896, 2, p. 139-140; Huizenga-Onnekes & Ter Laan 1930, p. 287-288; Van der Kooi & Schuster 1993, nr. 211; De Meyere 1925-1933, 4, p. 129-141, 150; De Mont & De Cock 1925, p. 71-73; Perry 1975, p. 508; Poortinga 1979, p. 233-235.
Studies: AT 221-221B, 250A; Sinninghe 1943a, p. 18 en 50, nr. 117; VDK p. 301, 306; De Meyer 1968, p. 29; BP 3, p. 278-283; DG, nr. 655, cf. ook nr. 348, 349; EM 8, 181-186; 3, 1373-1374; Dähnhardt 1907-1912, 4, p. 160-197; Waterman 1987, p. 124, nr. 4590.
Studies: AT 221-221B, 250A; Sinninghe 1943a, p. 18 en 50, nr. 117; VDK p. 301, 306; De Meyer 1968, p. 29; BP 3, p. 278-283; DG, nr. 655, cf. ook nr. 348, 349; EM 8, 181-186; 3, 1373-1374; Dähnhardt 1907-1912, 4, p. 160-197; Waterman 1987, p. 124, nr. 4590.
