Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Maankaas

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

AT 0034 - The Wolf Dives into the Water for Reflected Cheese    AT 0034 - The Wolf Dives into the Water for Reflected Cheese   

Beschrijving

The Wolf Dives into the Water for Reflected Cheese (ook AT 1336 Diving for Cheese)

Tekst

De vos valt in een put die met twee emmers bediend moet worden: als men de ene laat zakken, komt de andere omhoog. Het is nacht en de maan staat recht boven de put. Dan komt de wolf voorbij en vraagt nieuwsgierig aan de vos wat hij daar beneden doet. Deze wijst op de weerspiegeling van de maan en beweert dat deze een kaas is, die in het water drijft. Hij haalt de hongerige wolf over in de bovenste emmer af te dalen; zelf wordt hij zo met de andere omhooggetakeld. De wolf laat hij achter bij zijn maankaas. Dat de weerschijn van iets in het water voor het weerspiegelde of iets dat daar sterk op lijkt gehouden wordt, is een oud en geliefd volksverhaalmotief, dat zowel in de oriëntaalse als in de Europese vertelculturen een belangrijke rol speelt en in verschillende verhaaltypen een plaats gekregen heeft. Het symboliseert, aldus Robert van Gulik, het verlangen van de mens naar datgene wat wij nimmer zullen bereiken, maar dat ons toch nooit zal verlaten. In de middeleeuwen vond dit motief een specifieke toespitsing in de zich dan ontplooiende cyclus verhalen rondom de slimme vos en de domme wolf waarbij er drie redacties kunnen onderscheiden worden: (a) De vos maakt de wolf wijs dat de zich in een water (bron) weerspiegelende maan een kaas is en laat hem er in zakken. (b) Een uitbreiding van (a) hierboven samengevat (AT 32: 'The wolf descents in the well in one bucket and rescues the fox in the other'). (c) Hierin (een eenvoudiger redactie) speelt de vos niet mee, maar stort de begerige wolf zich uit eigener beweging op de 'kaas' (AT 34: 'The wolf dives into the water for reflected cheese'). In (b) is lang niet altijd sprake van een kaas, maar kan de vos ook met andere lekkernijen in het vooruitzicht de wolf in de put lokken. Zo ook in de in het 14e-eeuwse dierepos Reinaerts Historie (vs. 6405-6445) verwerkte variant, waarin de vos de wolvin veel vis voorspiegelt en vervolgens met het spreekwoord 'Het is der wereld loop, dat een gaat op en d'ander neder' in de put laat zitten. Dit spreekwoord duikt ook in jongere, vooral in Duitse varianten nog regelmatig op. (a/b) Stamt waarschijnlijk uit de Europees-Joodse traditie. De eerste volledige tekst vinden we bij Rashi (Rabbi Shelomo Itzhaki van Troyes, 1040-1115). Een eigen weg ging de variant, die de 1106 gedoopte Joods-Spaanse geneesheer Petrus Alphonsi in zijn befaamde, sterk op oriëntaalse voorbeelden leunende Disciplina clericalis gaf (nr. 23). Hij laat de vos de wolf in de put lokken als scheidsrechter in een geschil tussen een boer, die ongemeend, maar bij-wijze-van-spreken, zijn dwarse os de wolf heeft toegewenst, waarop deze wil dat de boer dit ook waar maakt (-> Ondank is 's werelds loon). In het Middelnederlands vinden we deze redactie in Dye hystorien ende fabulen van Esopus (1485) en Van Esopus leven en Esopus fabulen (1546). De simpele (c)-redactie lijkt de oudste. Deze vinden we voor de eerste keer in een handschrift met een aan Romulus (ca. 400) toegeschreven bewerking van fabels uit de Aesopische traditie. De dierfabel van de 'maankaas' bleef populair in literaire bewerkingen -- ik noem slechts 'La loup et le renard' van La Fontaine (1621-1695) uit 1679 (Fables choisis, XI,6) -- en heeft ook bijna wereldwijd een vaste plaats in de mondelinge overlevering gekregen. Vaak wordt hij daarin verbonden met andere verhalen uit de vos-wolf-cyclus. Zo in Vlaanderen en -- in mindere mate -- ook in Nederland, waar hij tot dusverre alleen een enkele maal in Friesland werd opgetekend. Bekender evenwel, ook hier, werd het 'maankaas'-motief met mensen in plaats van dieren als handelingsdragers (AT 1336: 'Diving for cheese'). Het wordt dan meestal gecombineerd met het vaak ook in andere verhaaltypen ingebedde kluchtmotief van de menselijke keten (AT 1250: 'Bringing water from the well'). De inwoners van een bepaalde plaats die traditioneel als dom en achtergebleven worden afgeschilderd (-> Kamper uien en Dokkumers) of representanten van een dito groep mensen (in Nederland meestal de Poepen of Hannekemaaiers, Duitse varende lieden, seizoen- en gastarbeiders, die het hier vanaf de zeventiende eeuw in het humoristische volksverhaal moesten ontgelden) zien in een bron (onder een brug) de weerspiegeling van de maan voor een kaas of goud aan en proberen deze (dit), aan elkaar hangend, op te vissen. De bovenste laat even los om in de handen te spugen en zo tuimelen ze in het water. Deze kombinatie van 'maankaas' en menselijke keten schijnt zelfs nog ouder dan de fabel van de vos, de wolf en de 'maankaas' en lijkt van oriëntaalse herkomst. In de zogenaamde Tripitaka, een Chinese verzameling van uit het Sanskriet vertaalde boeddhistische geschriften, vinden we in de vijfde eeuw al een verhaal over apen, die een keten vormen om de maan uit een bron te redden. Als de tak waaraan ze hangen breekt, vallen ze er in. Verhalen met dit keten-motief, waarbij de bovenste om een of andere dwaze reden loslaat, zijn bijvoorbeeld ook te vinden in de Indische, aan Somadeva toegeschreven Kathasaritsagara ('De oceaan van sprookjesstromen'), een van 's werelds grootste, in de tiende eeuw te dateren verhalenboeken. In Europa wordt de menselijke keten voor de eerste keer met het maanopvissen gekombineerd door de Neurenberger schoenmaker en 'Meistersinger' Hans Sachs (1494-1576): de inwoners van Fünsing zien bij hem de maan voor een kaas aan (1546). Waarschijnlijk toch wel vanuit Europa heeft deze klucht -- daarbij geholpen door menige literaire bewerking -- zich over vrijwel de gehele wereld in de mondelinge overlevering vastgezet. Vooral in Duitsland en Nederland bleek zij zeer geliefd. In de beide Limburgen wordt dit bijvoorbeeld van de inwoners van Eijs verteld, in Friesland, waar zij tot de bekendste volksverhalen gerekend moet worden (45 keer werd zij er vanaf 1858 opgetekend) en in Groningen en Noord-Holland zijn veelal de Poepen hier slachtoffer van de humor. Oudst bekende Nederlandse tekst is een berijming in het anonieme, 1827 voor het eerst in Groningen gedrukte en wel aan de Groninger bijgeloofbestrijder Maarten Douwes Teenstra (1795-1864) toegeschreven anti-Duitse schotschrift Hans Hannekemaaijers kluchtige lotgevallen en ontmoetingen op zijn reis naar en door Holland.

Literatuur

Teksten: De Haan 1974, p. 159-160; Hans Hannekemaaijer 1978, nr. 34; De Meyere 1925-1933, 3, p. 68; 4, p. 55; De Mont & De Cock 1925, p. 63; Poortinga 1976, p. 288-289; Poortinga 1978, p. 113-114; Poortinga 1979, p. 219; Roeck 1980, p. 12-14, 176; Sinninghe 1938a, p. 82-83.
Studies: AT 32, 34, 1250, 1336; Sinninghe 1943a, p. 33; VDK p. 286, 418, 431-432; De Meyer 1968, p. 22, 104; EM 2, kol. 950-954 en s.v. Rettung aus dem Brunnen en Spiegelbild im Wasser; Tubach 1969, nr. 5247 en 2175; DG, nr. 203 en 223; Schippers 1995, nr. 464 en 56; Schwarzbaum 1979, p. 550-556.