Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Muis en leeuw

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

AT 0075 - The Help of the Weak    AT 0075 - The Help of the Weak   

Beschrijving

The Help of the Weak

Tekst

Een leeuw heeft een muis gevangen, die hem in zijn slaap stoort. De muis smeekt de leeuw hem te sparen en belooft als tegenprestatie hem eens te zullen helpen. De geamuseerde leeuw laat hem daarop lopen. Later wordt de leeuw gevangen in een net. De muis bevrijdt hem nu door de touwen door te knagen. Deze oude fabel met zijn zo overduidelijke moraal (veracht het kleine zwakke niet, het kan nog eens van pas komen) kent een westerse en een oosterse traditie. De westerse wordt voor het eerst grijpbaar in de Aesopeia van Demetrios van Phaleron (ca. 350-ca. 280 v. Chr.). Het verhaaltje kreeg een vaste plaats in de antieke fabelcorpora (bijvoorbeeld bij Babrius in de tweede eeuw n. Chr. en in de zogenaamde Pseudo-Dositheus in de derde/vierde eeuw n. Chr.), daarna ook in de middeleeuwse en moderne Europese fabel- en preekexempeloverlevering. In het Middelnederlands duikt de fabel voor het eerst op in de 13e-eeuwse fabelbundel Esopet (nr. 18). De overlevering ervan is tamelijk stabiel. Er duikt wel een enkele keer een afwijkende redactie op, maar die houdt nooit lang stand. Voorbeelden van zulke redacties zijn die in de aan Cyrillus toegeschreven Speculum sapientiae (dertiende eeuw? -- ook in het Middelnederlands vertaald) en in de zogenaamde Romulus Nilantinus (elfde eeuw). In de eerste wordt naast de leeuw ook nog een vos gevangen, maar de muis wil de laatste niet helpen. Hij heeft geen enkele reden om hem dankbaar te zijn. In de tweede bevrijdt de muis geholpen door vrienden en familie de leeuw uit een kuil door deze met aarde op te vullen. Deze laatste is vooral interessant omdat hij een brug lijkt te slaan naar qua datering oudere, waarschijnlijk in India ontstane oriëntaalse verhalen. Zo vinden we in verschillende bewerkingen van de met verhalen gelardeerde Indiase vorstenspiegel Pancatantra, ontstaan tussen de derde en de zesde eeuw, de kuil-redactie van ons verhaal met olifant(en) en muizen als handelingsdragers. Bijvoorbeeld: een olifant helpt een muis door hem uit een pot te bevrijden, door niet op zijn huis te trappen of door hem over een stroom te dragen. Kort daarop wordt de olifant in een valkuil gevangen of met andere olifanten aan een grote boom vastgebonden. Muizen ondergraven dan de wanden van de kuil en zorgen er zo voor dat deze instorten of zij knagen de touwen door. Het laatste motief is ook in beeld gebracht op de in de zevende eeuw te dateren Mendut-tempel op Java. Er circuleerden en circuleren nog in de Oriënt ook met de net-redactie vergelijkbare verhalen. In een op Indische bronnen teruggaand verhaal van circa 400 in de Chinese boeddhistische geschriften-canon de Tripitaka bevrijdt een jakhals koning leeuw zo uit een bron en op een medaillon op de stenen omheining van de stupa van Bharhut in India (ca. tweede eeuw) zien we hoe een schildpad de strik van een gevangen dier doorknaagt. Ook in andere Indiase verhalenbundels vinden we regelmatig verhalen over dieren (waaronder muizen) die in een strik of net gevangen vrienden bevrijden door dit vangtuig door te knagen. Een enkele hiervan heeft via Perzische, Arabische, Hebreeuwse en Latijnse bewerkingen en vertalingen ook de Europese literatuur bereikt, zoals bijvoorbeeld de fabel van de vriendschap tussen de muis, de rat, de schildpad en het hert, die onder andere bewerkt werd door Zacharias Heyns (1566-1638) in zijn Voorbeeldsels Der Oude Wysen (eerste druk: 1623), La Fontaine (1621-1695) in zijn Fables choisis (XII,15: 'Le corbeau, la gazelle, la tortue, et le rat'; 1693) en Ludwig Bechstein (1801-1860) in zijn Deutsches Märchenbuch van 1857 (AT 233B: 'The birds fly off with the net'). Anders dan in Azië, Siberië en Zuidoost-Europa bereikten deze verhalen echter niet de West-Europese mondelinge overlevering. Dit gebeurde wel met de westerse redactie van de muis en de leeuw, die in grote delen van Europa tamelijk getrouw werd opgenomen in de orale traditie, daarbij gesteund door een doorlopende en zeer omvangrijke reeks literaire bewerkingen, waarvan de versie van La Fontaine: 'Le lion et le rat' (Fables choisis II,11; 1668) als voorbeeld kan dienen. Buiten West-Europa wordt deze redactie meer gevarieerd en treden er ook andere, inheemse dieren in op. Noord-Amerikaanse Indianen hebben hem zelfs ingebed in regionale mythologieën. In Vlaanderen is de fabel niet uit de mondelinge overlevering opgetekend. In Nederland werd hij maar zelden genoteerd, al was (en is) hij hier zeker algemeen bekend: een vijftal recente Friese teksten maken dit ook duidelijk. Het gebrek aan optekening ligt niet aan de vertellers, maar aan de verzamelaars, die maar al te vaak hun neus ophaalden voor overmatig in druk verspreide verhalen. Onduidelijk is nog waar deze fabel is ontstaan: in het westen of in het oosten. Eén theorie ziet het oude Egypte als land van oorsprong. De verdedigers hiervan baseren zich op een Hellenistische bewerking uit de tweede eeuw van de zogenaamde Tefnut-legende, waarin onze fabel naast een reeks andere verhaaltypen een rol speelt. Met deze andere typen wordt hij ook nu nog verbonden in de mondelinge overlevering van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Het spoor van de Tefnut-legende lijkt terug te voeren tot ongeveer de vijftiende eeuw v. Chr. Een scherf uit die eeuw schijnt er een episode uit weer te geven, maar omdat deze legende een typische raamvertelling is -- een verhaal dus waarin naar believen passende verhalen en motieven kunnen worden ingevoegd of weggelaten -- is absoluut niet zeker of onze fabel er toen ook reeds al of niet deel van uitmaakte. Zolang dit niet valt uit te maken, blijft dus de tekst in de Aesopeia van Demetrios de oudste bron en een herkomst uit het Oudgriekse cultuurgebied voorlopig het meest voor de hand liggend.

Literatuur

Teksten: Bechstein 1967, p. 263-266; Perry 1975, p. 137-139; Stuiveling 1965, 2, nr. 18.
Studies: AT 75; VDK p. 291; EM 6, 1023-1029; Tubach 1969, nr. 3052; DG, nr. 387, cf. ook nr. 424, 556; Schippers 1995, nr. 211, 216; Schwarzbaum 1979, p. 87-95.