Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Fatale ontgroening

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

BRUN 10150 - The Fatal Fraternity Initiation    BRUN 10150 - The Fatal Fraternity Initiation   

Beschrijving

The Fatal Fraternity Initiation

Tekst

Ik herinner me nog dat in de jaren '70 een bepaald verhaal de ronde deed over een uit de hand gelopen ontgroening bij een studentenvereniging. Een aankomend student moest tijdens de ontgroening met ontbloot bovenlijf op handen en voeten gaan zitten. Ik geloof dat hij ook geblinddoekt was. Toen hoorde hij de andere studenten zeggen, dat ze hem gingen onthoofden. In plaats daarvan lieten ze - klets! - een natte dweil in zijn nek vallen. De student dacht dat hij echt onthoofd werd en stierf van schrik. Dit verhaal werd onder pubers (bepaald geen aankomende studenten, overigens) verteld en er werd om de grofheid ervan ook gelachen. (Per email toegezonden door Theo Meder op 28 mei 2004 vanuit Almere.) Dit verhaal gaat over een student die ingewijd wordt bij een studentenvereniging. Het inwijdingsritueel op zich is al een oeroud gegeven, maar in de hedendaagse samenleving niet meer zo vanzelfsprekend als vroeger. Het doormaken van een dergelijke initiatie is tegenwoordig een bewuste keuze geworden: je kan het alleen meemaken door je aan te sluiten bij een bepaalde groepering. De studentenvereniging (of het studentencorps) is zo'n groep waarin het overgangsritueel ('rite de passage') een grote rol speelt. Eerstejaars die zich bij de club willen voegen moeten eerst worden ontgroend. Dat ontgroenen betekent letterlijk: een einde maken aan de groentijd. In de groentijd zijn de eerstejaars nog geen officieel lid. Ze zijn als het ware nog aan het 'groeien', het woord waar het woord groen ook mee samenhangt: het is de kleur van alles dat groeit. Wanneer deze periode voorbij is zijn de nieuwbakken studenten 'volgroeid' en ontgroend. Ze zijn dan volwaardige leden van de vereniging en hoeven niet meer te luisteren naar de denigrerende namen als 'feut' (van foetus) en 'nul' die de groentjes toegeroepen krijgen. Juist doordat overgangsrituelen niet op zo'n 'ruwe feodale' manier meer plaatsvinden in de huidige samenleving, spreekt de ontgroening tot de verbeelding. Er zijn dan ook veel verschillende verhalen over in omloop, zoals het bovenstaande. De meest spectaculaire verhalen worden uiteraard het makkelijkst verspreid, en dat zijn toch vaak de gruwelverhalen: liefst met fatale afloop. Van de vele varianten hierop heeft Jan Harold Brunvand er één opgenomen in zijn Encyclopedia of Urban Legends. Hij noemt het verhaaltype hier 'The Fatal Initiation' (BRUN 10150). In dit ontgroeningsverhaal vertellen de ontgroeners een eerstejaars dat hij wordt gebrandmerkt. Daarbij laten ze hem ook een brandijzer zien. Het slachtoffer wordt geblinddoekt, en er wordt een stuk ijs tegen hem aangehouden. Doordat de student denkt dat hij echt gebrandmerkt wordt, sterft hij van schrik. Dit verhaal kent, afgezien van het onthoofdingsverhaal hierboven, verschillende varianten. Tijdens het zogenaamde brandmerken kan er bijvoorbeeld ook een hete pook tegen een stuk vlees gehouden worden, zodat de student brandend vlees hoort en ruikt (en denkt dat hij het zelf is). In plaats van een stuk ijs kunnen de ontgroeners de botte kant van een mes tegen het lichaam van de eerstejaars aanhouden, zodat hij denkt dat hij gesneden wordt en doodbloedt en sterft van schrik. Eventueel wordt er tegelijkertijd een druipende natte handdoek over een stoel gehangen, waardoor de student denkt dat hij zijn bloed hoort druppelen. In weer een andere versie wordt de student geblinddoekt naar de rand van een 'hoge klif' gebracht. Hij gelooft dat hij een dodelijke val gaat maken, maar in werkelijkheid gaat het om een hele kleine afstand. Het slachtoffer sterft van schrik als hij geduwd wordt. Nog een mogelijkheid is dat de arme eerstejaars vastgebonden op een ongebruikt treinspoor ligt. Als de trein eraan komt, roepen zijn medestudenten dat hij op het verkeerde spoor ligt en overreden gaat worden. Wederom schrikt de student zich lam en sterft. Iedere keer vinden we het motief 'dood door schrik' in de verhalen terug. Dit motief speelt ook een belangrijke rol in een ander verhaaltype: 'The Graveyard Wager' (BRUN 032050), waarin iemand sterft van schrik wanneer hij of zij denkt vastgegrepen te worden door een dode op het kerkhof. In werkelijkheid heeft de persoon zijn of haar kleding zelf in de grond vastgestoken met bijvoorbeeld een zwaard of spies. Dit verhaal, en dus ook het motief dat in de ontgroeningsverhalen voorkomt, is al heel oud. Het is een traditioneel Europees volksverhaal, dat al verteld werd in de Middeleeuwen. In de catalogus van Aarne en Thompson staat dit type geregistreerd als AT 1676B, 'Clothing Caught in Graveyard'. In De gebraden baby noemt Peter Burger een voorbeeld van een beroemde schrijver die het motief in de Renaissance gebruikt, namelijk de Italiaan Matteo Bandello (1485-1561). In het verhaal denkt iemand onthoofd te worden, en sterft van schrik. In werkelijkheid werd er een emmer water over zijn hoofd gegoten. Niet alleen het 'dood door schrik'-motief, ook het onderwerp ontgroening biedt al eeuwenlang stof voor verhalen. Er is dan ook door de jaren heen een heel scala aan ontgroeningsverhalen ontstaan. Niet alle verhalen lopen dodelijk af. Ook vrij schokkend, maar niet fataal, is het verhaal over een vrouwenvereniging waarbij een geblinddoekte eerstejaars de 'hand van een dode moet schudden'. Met een gepekelde hand uit een laboratorium wordt ze de hele nacht opgesloten. De volgende ochtend wordt ze gevonden met sneeuwwit haar - ook een bekend volksverhaalmotief - of krankzinnig geworden en knabbelend aan de gezouten hand. Nog een verhaal met een relatief goede afloop is dat van een aspirant-lid dat wordt overgehaald om naar een aantrekkelijke, eenzame weduwe (of boerendochter of vrouw van een trucker) toe te gaan. Bij aankomst echter komt haar man (of vader) onverwacht terug, en die begint op de eerstejaars te schelden en te schieten. Deze vlucht weg, achtervolgd door hagel. Hij heeft niet door dat het een opgezet plan is. Volgens een andere overlevering zouden studenten worden gedwongen allerlei mishandelingen te ondergaan en opdrachten uit te voeren. Ze moeten veertien rauwe eieren binnen vijftien minuten eten, ze worden geslagen met verschillende instrumenten, ze moeten vreemde dingen eten, aan elkaars haren trekken en krijgen laxeermiddelen door hun eten. Ook zouden ze geblinddoekt in de toiletpot naar bananen moeten graaien... Deze drie verhalen zijn Amerikaans. Ontgroeningsverhalen worden overal verteld en zijn dus niet plaatsgebonden, wat aantoont dat waar studenten zich verenigen blijkbaar dergelijke vertellingen kunnen ontstaan. Onderzoekers Richard M. Dorson en J. Barre Toelken, hebben deze verhalen verklaard aan de hand van het begrip studentenfolklore ('campus folklore'; Brunvand spreekt in zijn encyclopedie van 'Legends of Academe'). Zij zien ze als onderdeel van een verteltraditie, waarin nog tal van andere verhaaltypen een rol spelen. Voorbeelden zijn de verhalen over 'roommates' (kamergenoten) die in Amerika circuleren, zoals BRUN 05372, 'The Gay Roommate'. Barre Toelken benadrukt dat studenten een aparte sociale groep vormen die zijn eigen folklore kent. Studenten zijn verbonden door een aantal culturele elementen: gedeelde angsten, hoop en frustratie. Van studenten wordt vaak niet verwacht dat ze een orale cultuur hebben, omdat ze uitgesproken literair zijn. Van elkaar afgezonderd zijn ze dat ook, maar als groep delen ze wel degelijk een orale vertelcultuur. Op die manier kunnen binnen de groep verhalen ontstaan die te maken hebben met, en reageren op, dingen die binnen de groep als geheel een rol spelen. Dit geldt voor het gedrag van bijvoorbeeld docenten, huisgenoten en leden van studentenverenigingen, en dus ook voor ontgroeningspraktijken. Die ontgroening is iets waar je alleen in je studententijd lijfelijk mee te maken kan hebben, en wat dus ook in die tijd (misschien vooral voor aankomende studenten) als bedreigend kan worden ervaren. Deze verklaring gaat voor ontgroeningsverhalen in Nederland niet helemaal op, omdat we hier niet zo'n campusfolklore kennen als in Amerika. De studenten leven niet op dezelfde manier met elkaar samen, en dat zorgt voor cultuurverschillen. Toch denk ik dat, op een iets andere manier, ook in Nederland verhalen over ontgroening onder de studenten kunnen ontstaan en circuleren. Juist de 'nihilisten' onder de studenten (zij die niet bij een vereniging zitten) vormen immers een groep die vooroordelen heeft over de corpsleden. Zij zijn nergens bij aangesloten, en de verhalen kunnen ervoor zorgen dat er ook bij hen een gevoel van saamhorigheid ontstaat. Dit gebeurt door middel van het delen en samen bevestigen van vooroordelen over de andere studenten, die zich wel verenigd hebben in corpora. Maar deze studentencultuur is zeker niet de enige en belangrijkste bron voor ontgroeningsverhalen. Ook hierbuiten is men bevooroordeeld en genieten de verhalen grote bekendheid. Ze halen vaak de media en worden mondeling verspreid. Bovendien denk ik dat de verhalen die binnen en buiten de studentencultuur ontstaan door elkaar heen lopen en elkaar aanvullen. Een aantal van de verhalen die in Nederland in omloop zijn staat in de verhalenbank. Een voorbeeld is het verhaal over een eerstejaarsstudent met astma die bij een ontgroening een roetzak over zijn hoofd krijgt en sterft. Deze gebeurtenis heeft echt plaatsgevonden in 1965. Het gaat hier om de zogenaamde roetkap-affaire, waarbij eerstejaars David Rutgers van Rosenburg om het leven kwam. Het ontgroenings-schandaal viel voor bij het Utrechtse corps Tres. Ook is er een verhaal in de bank opgenomen over een vereniging waarbij 'feuten' door verrot vlees moesten kruipen. Mensen met wonden liepen een infectie op, en het vlees zou nu zijn vervangen door groenteafval. Vertellers Natasja en Chris noemen hierbij vereniging Laurentius in Leiden. In werkelijkheid hebben studenten in 1988 inderdaad door een donkere gang met slachtafval moeten kruipen. Dit gebeurde bij de Rotterdamse vereniging Sanctus Laurentius. Doordat er een bacterie in het afval zat, liepen enkele tientallen studenten een huidziekte op. Het bestuur van de vereniging werd hierna op het matje geroepen. Twanneke, een andere vertelster uit de bank heeft het over een student die werd opgesloten met een dronken varken. Toen de jongen naar huis ging stonk hij vreselijk, en sprong om dat wat minder erg te maken in de gracht voor hij naar zijn hospita ging. Dit verhaal zou goed waar kunnen zijn, want de vertelster zegt het uit de eerste hand gehoord te hebben. Bovendien is bekend dat bij vereniging Tres (van de roetkap-affaire) weleens jongens in de gierput werden gelaten of 'een nachtje bij de varkens gedumpt' werden. Ouderejaars zouden de vreemdste dingen verzinnen om de novieten (eerstejaars) dwars te zitten: een ander verhaal gaat over een ontgroening waarbij iemand een baard van shag opgeplakt kreeg. De lijm tastte vervolgens zijn huid aan. Dit zou gebeurd zijn bij de Utrechtse vereniging Veritas, maar is waarschijnlijk niet waar. Over de misstanden bij ontgroeningen van Veritas is veel gepubliceerd, maar over een dergelijke gebeurtenis heb ik geen berichtgeving gevonden. Er heeft zich bij Veritas echter wel een aantal wantoestanden voorgedaan. In 2002 verbrak daarom de Universiteit Utrecht de banden met de vereniging en werd de subsidie stopgezet. In de media zijn toen berichten verschenen over eerstejaars die flauwvielen, poep in hun haar kregen gesmeerd, bruistabletten moesten eten en levertraan moesten slikken. Dit sluit aan bij een verhaal uit de volksverhalenbank, waarin verteld wordt dat studenten bij ontgroeningen hele vieze dingen moeten eten en geestelijk en lichamelijk werden uitgeput. Door het college van bestuur van de universiteit is toen een onderzoek ingesteld naar de gebeurtenissen. Hieruit blijkt dat er inderdaad sprake was van geestelijke en lichamelijke uitputting van de nullen: "Zo acht het college van bestuur het bewezen dat aspirantleden flauwvielen als gevolg van het introductieprogramma, dat ze tegen hun wil moesten eten, dat ze geen vrije toegang tot de toiletten hadden en dat zij blootstonden aan ernstige verbale intimidatie." (U-blad, 19-09-2002) Over de poep in het haar kwam echter geen bewijs naar voren. Dezelfde vertelster, J. Froukje de Graaf, meldt gehoord te hebben dat meisjes bij het Utrechtse vrouwencorps UVSV in het openbaar seks moesten hebben met een lantaarnpaal, het zogenaamde 'lantaarnpaalneuken.' Dit lijkt weliswaar een onwaarschijnlijk gerucht, maar het wordt niettemin bevestigd door correspondent F.T.M. v.d. Bouwhuijsen, die beweert: "Wel, dat is niet onwaarschijnlijk. Het gebeurde in de jaren '80 (ik dacht eveneens in Utrecht) en o.a. in de Gelderlander werd een foto geplaatst van een ouderejaars die een "paalneukende" eerstejaars toebrulde. Het meisje werd met de handen gebonden om een met zeep of boter ingesmeerde paal, en zij moest vervolgens tegen de paal gaan schuren en kronkelen." Een ander sterk verhaal uit het boekje Waar gebeurd? van Frank Wouters gaat over een studente die wordt vastgebonden tussen twee matrassen en zo uit het raam wordt gegooid. Het idee erachter was haar te laten wennen aan het creatieve gebruik van het bed. Het arme meisje overleeft de val niet. Dit verhaal is niet waar: Waar gebeurd? is een verzameling Vlaamse broodje aapverhalen. Het tragische verhaal over de student die zich in 1997 dood dronk aan jenever staat ook in de verhalenbank. Dit verhaal is helaas wel waar. Tijdens een huisontgroening van de studentenvereniging Vindicat atque Polit in Groningen stierf de achttienjarige Reinout Pfeiffer na het drinken van een liter jenever aan alcoholvergiftiging. Lang niet alle gebeurtenissen die in de verhalenbank zijn opgenomen betekenen de dood van een student. Soms is er alleen sprake van mishandeling of vernedering van het slachtoffer. Niettemin kan men door deze verhalen te vertellen en bespreken, ook zijn afkeer voor ontgroeningspraktijken uiten. Die afkeer is er al zolang er universiteiten bestaan. Groentjes hadden het vanaf het ontstaan van de universiteiten in Europa al moeilijk. In de Middeleeuwen stonden zij bekend onder de naam Bejaunus of Beanus (afgeleid van bec-jaune, ofwel geelbek). De ouderejaars ontvingen hen met een uitgebreide initiatie en een ontgroeningsceremonie: de depositio. De nieuwkomers kregen steeds meer te lijden. Ze werden financieel uitgeklopt en op een barbaarse manier gekweld in hun groentijd. Dit kwam in de zeventiende eeuw tot een hoogtepunt, en heeft lange tijd de pogingen van overheid en hoogleraren om het tot een einde te brengen kunnen weerstaan. Een uitgebreide beschrijving van de Middeleeuwse ontgroening is te vinden in Rashdall (1969). Nederland kon vanwege een gebrek aan universiteiten niet meedoen aan deze Middeleeuwse toestanden. De oudste universiteit van Nederland, die van Leiden, werd gesticht in 1575. Maar ook hier ontstonden vanaf toen dezelfde problemen als elders in Europa. In de achttiende eeuw werden in de wetten van de Leidse universiteit bepalingen opgenomen tegen ontgroeningspraktijken van de nationes (verenigingen van studenten op grond van nationaliteit). Na enige tijd vielen de nationes uit elkaar doordat de nationale diversiteit op de universiteit minder werd. Uiteindelijk bleven hiervan de ontgroensenaten over. De werkzaamheden van deze senaten bestonden puur uit het ontgroenen van nieuw aangekomen studenten. Hieruit ontstonden later de studentencorpora zoals we ze nu kennen. In de negentiende eeuw ging het verder. Er werden verzoekschriften geschreven die pleitten voor een hervorming van de wetten ten aanzien van de regelgeving en afschaffing van de ontgroening. Voorbeelden van excessen worden hierbij aangehaald, zoals het geval in 1838 waarbij een groentje overleed aan tering na een slag op de borst te hebben gekregen. Dit wordt heel kort, zonder de precieze toedracht, vermeld in zo'n verzoekschrift, als zijnde 'één van de menigvuldige ongeluksgevallen' die iedereen wel kende. Waarschijnlijk gaat het hier om een negentiende-eeuws broodje aapverhaal. De tuberkelbacil werd pas in 1882 door Robert Koch ontdekt, dus in 1838 wist men nog niet waardoor tuberculose veroorzaakt werd. Door te gokken naar de oorzaak van de ziekte en zulke verbanden te leggen, konden verhalen als deze ontstaan. De verzoekschriften hadden blijkbaar wel enig effect, want in de negentiende eeuw veranderde er het één en ander: de duur van de groentijd werd bijvoorbeeld verkort van een jaar tot maximaal een maand, zoals die nu nog steeds is. Toch bleef het verzet tegen het groenwezen voortbestaan. In het begin van de twintigste eeuw is men geschokt door het ontgroenschandaal van 1911. De studenten hielden toen een parade waarbij ze zich zeer onzedelijk gedroegen. Ook werd er geklaagd over studenten die slachtoffer werden van mishandeling of ontucht. Mensen worden ook vandaag de dag nog gewaarschuwd over de wantoestanden, bijvoorbeeld via www.ontgroening.com. Het imago van studentenverenigingen is dus niet bij iedereen even best. Dit heeft een aantal oorzaken. Er zijn natuurlijk de excessen die in werkelijkheid plaatsvinden, en die logischerwijze een stroom van kritiek teweeg-brengen. Deze excessen zijn echter uitzonderingen. Bovendien is het vaak moeilijk fictie en werkelijkheid van elkaar te onderscheiden. Dat er zowel fictionele als ware ontgroeningsverhalen in omloop zijn, zorgt voor een wisselwerking. De excessen die mensen in de media kunnen lezen en waargebeurd zijn, creëren een mogelijkheid voor het ontstaan van nieuwe verhalen of het opnieuw circuleren van oude verhalen. En doordat er al broodje aapverhalen over het onderwerp bekend waren, zijn de echte uitwassen minder verrassend, maar juist eerder bevestigend voor wat eerder al verteld werd. Er is een lijst van waargebeurde ontgroenings-excessen in België en Nederland gepubliceerd op een Belgische internetsite: http://www.studentstart.be/DossierStudentendopen Varia/10899. Bij een ontgroening of 'studentendoop' in Vlaanderen raakte in 1987 een jongen zwaargewond aan zijn halswervels toen hij in een modderbak met eieren moest springen. Bij de voorbereiding van de ontgroening in het daaropvolgende jaar stierven twee studenten doordat enkele rookpotten ontploften. In 1991 en 1992 liepen slachtoffers brandwonden op. Eerst twee meisjes omdat ze in een kuip met fosforzuur moesten zitten, en in het jaar daarna 25 studenten. Deze waren bespoten met een mengsel van zwarte zeep, biergist, melk en eieren. Of ze daarvan de brandwonden opgelopen hebben blijft onduidelijk. In 2002 was het weer zover: 37 'schachten', ofwel Vlaamse eerstejaars, kwamen in het ziekenhuis terecht met allergische reacties. Zij waren overgoten met een mengsel van chemische producten (de bron voor deze lijst is De Standaard, 9-10 en 10-10-2002.) Ook was deze 'doop' niet aangevraagd: "Als een club doopactiviteiten op de openbare weg wil organiseren, dan moet ze hiervoor eerst een vergunning aanvragen bij de lokale overheid, net zoals elke Belg dat moet doen. Bij het incident in Lier vorig jaar was dit niet gebeurd." (http://www.studentstart.be/DossierStudentendopen/10944). Ook in Nederland was het een paar keer goed raak. Het Utrechts Universiteitsblad publiceerde een lijst met ongevallen en wantoestanden die plaatsvonden bij ontgroeningen. De lijst begint met de al genoemde roetkapaffaire van 1965 en daarop volgend het geval van Reinout Pfeiffer die in 1997 stierf aan alcoholvergiftiging. In Rotterdam zijn in 1998 twee corpsstudenten zo dronken geworden dat zij in coma raakten. In het jaar daarop zijn er twee voorvallen. In Maastricht moet een student naar het ziekenhuis na een val in een greppel, en bij het corps van Delft wordt een nul op krukken mishandeld door twee ouderejaars. De jongen moet zich tijdelijk in een rolstoel verplaatsen. De mishandeling gaat verder in 2000, wanneer een Nieuwe Revu-verslaggever undercover bij het Utrechtsch Studenten Corps gaat. Hij doet verslag van de mishandelingen. De berichten werden ontkend door het USC maar dit corps stelde daarna wel een boete in van 25.000 gulden voor toekomstige 'undercoverfeuten.' Ondertussen bij Veritas in Utrecht kreeg een eerstejaars een peuk op zijn arm uitgedrukt. Het is echter niet bewezen dat dit met opzet gebeurde. Ook werden in Rotterdam feuten mishandeld: dezen mochten o.a. 12 uur niet drinken. [Bron voor de lijst Nederlandse misstanden: Utrechts Universiteitsblad, 31-01-2002] Het voorlaatste voorbeeld van de uitgedrukte peuk doet sterk denken aan het verhaal van de Fatale Ontgroening, waarin een student denkt gebrandmerkt te worden. Als we een verhaal van een Leidse hoogleraar moeten geloven, dan is er in het begin van de negentiende eeuw ook weleens een 'feut' gebrandmerkt met een gloeiend stuk geld. Helaas is het moeilijk te achterhalen of zulke kleinere voorvallen (d.w.z. waarbij geen doden zijn gevallen) ook waar zijn. Bij Veritas schijnt er wel echt een peuk op iemands arm uitgedrukt te zijn, maar er wordt in twijfel getrokken of de ouderejaars met opzet handelde. In ieder geval kunnen zulke incidenten en geruchten genoeg inspiratie bieden voor gruwelverhalen. Of de verhalen wel of niet in de media staan is ook niet altijd een garantie voor de waarheid ervan. Soms komt er informatie in de media terecht die later incorrect blijkt te zijn. Zo wordt het nog moeilijker te controleren welke gebeurtenissen wel en niet werkelijk hebben plaatsgevonden. Het volgende tekstje, afkomstig van eerdergenoemde Belgische website, illustreert dit probleem: RECHTZETTING: De heer Ronald Vanquaethem, directeur van het K.A.1 Centrum Oostende, [Koninklijk Atheneum] bracht ons terecht op de hoogte dat een eerdere vermelding van een incident in maart 1998 (waarbij na een doop in de school 2 meisjes door medestudenten zouden (!) verkracht zijn) NIET CORRECT is. Onze redactie haalde deze informatie uit De Standaard. Maar ook deze krant moest destijds op vraag van de school de incorrecte informatie aanpassen. Hier was onze redactie niet van op de hoogte waardoor de foutieve informatie alsnog werd overgenomen. Het maken van onderscheid tussen fictie en werkelijkheid bij deze verhalen is vanuit etnologisch perspectief eigenlijk geen prioriteit: de verhalen vervullen, waar of onwaar, een functie. Het bespreken van dingen die je normaal niet uit kan spreken stelt mensen gerust. Bovendien gaan buitenstaanders in veel gevallen automatisch al uit van de waarheid van broodje aapverhalen, zeker omdat ze vaak geloofwaardig klinken. Het is voor de luisteraars en vertellers ook niet echt van belang om er vraagtekens bij te zetten. Maar waarom zijn deze verhalen, waar of niet waar, eigenlijk zo populair? Ontgroeningen spreken duidelijk tot de verbeelding. Wat er werkelijk gebeurt binnen de muren van de studentenvereniging weten buitenstaanders (meestal) niet. De studenten zelf hebben hierover zwijgplicht, wat alleen maar bijdraagt aan de geheimzinnigheid. Wanneer de volledige waarheid onbekend blijft, zijn mensen sneller geneigd hun eigen interpretaties en fantasie er op los te laten. Wat er tijdens ontgroeningen gebeurt, kan op die manier flink aangedikt of zelfs bij elkaar gefantaseerd worden. Dan zijn er natuurlijk de vooroordelen die ik eerder al aanstipte. Moderne stadssagen zijn vaak vooroordeelbevestigend, en er zijn meer dan genoeg vooroordelen over studentencorpora. Daarom worden de verhalen ook gretig verteld en aangehoord: ze bevestigen wat je eigenlijk al dacht. Andersom zullen de verhalen het vooroordeel net zo goed in stand houden.Veel mensen hebben een clichébeeld in hun hoofd van de corpsbal als altijd dronken, brallende eeuwige student. Het imago van het corps is slecht: een groep dronken nietsnutten die er plezier in schept om de nieuwkomers bij hun club op alle mogelijke manieren te kwellen. Dat er af en toe echt dingen fout gaan bij ontgroeningen, helpt de verenigingen niet erg om van dit imago af te komen. Dan nu de eigenlijke reden van dit slechte imago. Volgens A. van Doorninck komen de vooroordelen voort uit angst. Van Doorninck schrijft naar aanleiding van het vermeende antisemitisme waar de studentencorpora in 1962 werden beschuldigd. Daaronder viel het zogenaamde 'Dachautje spelen'. Hij meent dat het zich verenigen tot een eigen studentenwereld gepaard ging met een uitstoting van de gewone maatschappij. Overigens is het misschien beter om te spreken van afscherming, in plaats van uitstoting. De corpora en de maatschappij zien elkaar dus als 'de ander'. Het zijn twee aparte, van elkaar afgescheiden gemeenschappen. Van Doorninck zegt verder dat "de maatschappij als massa nooit het afsluitend vormen van een groep vergeeft." Een afgesloten groep wordt als bedreigend ervaren. Deze kan immers, als concentratie van macht een mogelijke vijand zijn. Hieruit vloeien gevoelens van angst en jaloezie voort. Een prima voedingsbodem voor vooroordelen, kritiek en broodje aapverhalen dus. Dit is al een heel oud gegeven. Een ander voorbeeld hiervan is de angst voor vrijmetselaars. Over hen ging bijvoorbeeld het gerucht dat ze een pact met de duivel zouden hebben gesloten (zie in de volksverhalenbank type TM 2900: vrijmetselaars). De angst voor een groep die zich afsluit is niet het enige probleem. Het is verder zo dat de ongelijkwaardige ontgroeningspraktijken niet meer passen en thuishoren in onze beschaafde samenleving. Een dergelijk systeem van 'heersers en horigen' wordt in de huidige democratische samenleving niet meer geaccepteerd, evenmin als het toepassen van ongemotiveerd of onderdrukkend geweld. Wanneer dat gebeurt, is het logisch dat de buitenstaanders gaan 'samenzweren' tegen die mysterieuze groep. Verhalen horen hierbij, ook omdat ze het saamhorigheidsgevoel kunnen vergroten. Dit schreef ik eerder al over de 'nihilistische' studenten. Het gedrag en de vooroordelen van de buitenstaander tegenover het studentencorps en zijn ontgroeningsexcessen zijn terug te vinden in de media, maar ook in bijvoorbeeld films en boeken. In 2001 verscheen Mores, een gedeeltelijk autobiografische roman van Onno te Rijdt over het leven bij het Leidse studentencorps. Hij bracht wat onaangename zaken naar buiten over zijn ontgroening, waar het corps destijds niet blij mee was. Ook de lullo's van Jiskefet hebben zeer succesvol gebruik gemaakt van de vooroordelen over corpsballen. Niet zozeer de ontgroening werd hierin aan de kaak gesteld, maar het uitbeelden van de stereotype corspbal sloot wel prima aan bij de heersende vooroordelen. Dan is er in Vlaanderen nog een film gemaakt over dubieuze ontgroeningspraktijken. Ad Fundum (Erik van Looy, 1993) bekritiseert het mishandelen van eerstejaars studenten tijdens de studentendopen, onder andere veroorzaakt door excessief drankgebruik. Ook deze - geheel fictieve - film sluit goed aan bij de vooroordelen die heersen over het studentenmilieu. Tot slot zit er in deze film nog een mooi voorbeeld van een fatale ontgroening: student Sammy wordt onderworpen aan het 'vliegende tapijt'. De studenten slingeren de dronken gevoerde eerstejaars een paar keer in de lucht met een laken, en trekken het dan plotseling weg. Sammy komt met een smak op de grond terecht en sterft...

Literatuur

"37 studenten moeten naar het ziekenhuis na studentendoop," De Standaard 9-10-2002; "Al meermaals ontaard," De Standaard 10-10-2002; Barre Toelken 1968; Brunvand 1999, p. 426-427; Brunvand 2002, p. 1-3, 145 en 177-178; Burger 1995a, p. 160-162; "Corps Groningen: win de jackpot of sterf in je slaap," NRC 20-09-1997; "Corps staat pers graag te woord: 'We doen ook aan liefdadigheid,'" U-blad 31-01-2002; Van Doorninck 1963; Dorson 1959, p. 254-268; De Groot 1910; "In Rotterdam wordt volgens regels ontgroend, nuldejaars moeten zes uur slapen," NRC 27-9-1997; De Lespinasse 1839; Otterspeer 1995; Te Rijdt 2001; Rijnberg 1946; Schikhoff 1839; "Studentenverenigingen bestraft om ontgroening," Volkskrant 17-09-2002; "Veritas acht mishandeling niet bewezen," U-blad 21-09-2000; "Veritas en Unitas geschokt door sancties," U-blad 19-09-2002; Van Wijk 1912, lemma's 'groen' en 'groeien'; Wouters 1991.
Bronnen op internet:
http://ublad.warande.uu.nl/ubladen/34/04/063ongelukken.html,
http://ublad.warande.uu.nl/ubladen/33/20/19corps.html
http://www.studentstart.be/DossierStudentendopenVaria/10899.
http://www.studentstart.be/DossierStudentendopen/10944
http://www.ontgroening.com
http://www.leidenuniv.nl/mare/2001/07/01.html
http://archief.ublad.uu.nl/ubladen/29/5/011ontgroenen.html
http://www.observant.unimaas.nl/default.asp?page=/ jrg21/obs8/art51.htm
http://www.delta.tudelft.nl/jaargangen/33/28/1nws ontgroening.html
http://www.moviegids.be/artdet.cfm?tekstnr=573&rubrieknr=1
http://www.rivm.nl/infectieziektenbulletin/bul1311/art_tbc.html