Onderwerp
AT 0777 - The Wandering Jew   
Beschrijving
The Wandering Jew
Tekst
Jezus zwoegt met het kruis op zijn rug naar Golgotha. Hij klopt aan bij het huis van een jood en vraagt of hij even mag uitrusten. De jood weigert het verzoek van Jezus en laat Hem verder lopen met het zware kruis op Zijn rug. Als hij Hem bespot, zegt Jezus: "Gij zult vanaf deze dag tot in den eeuwigheid wandelen." Jezus kijkt hem aan en dat maakt zo'n indruk op de man dat hij later alsnog naar Golgotha gaat om het kruis op zich te nemen. Maar het is te laat. Sindsdien zwerft hij over de aarde. Men noemt hem de Wandelende Jood.
Het verhaal staat in de catalogus van Aarne-Thompson geregistreerd als AT 777 'The Wandering Jew'. Het valt bij de legendesprookjes onder een reeks religieuze verhalen waarin God zijn rechtvaardigheid toont. Het hoofdthema van dit verhaal, dat van de eeuwige straf, komt reeds bij de Grieken voor: zo wordt Prometheus door Zeus voor eeuwig aan een rots aan de Zwarte Zee geketend. Ook in de Bijbel is sprake van een soortgelijke straf: Kaïn verliest nadat hij zijn broer Abel gedood heeft, zijn land en is gedoemd, als een vagebond over de aarde te zwerven. Het thema van de nooit-rustende protagonist heeft onder andere pendanten in de verhalen van de Al-Samiri in de Koran en in de sage van de Vliegende Hollander.
De oudste tekst waarin duidelijk tekenen van het thema van de Wandelende Jood te zien zijn, is de Pratum Spirituale uit de zesde eeuw, geschreven door Johannes Moschos. In dit werk staat het verhaal van een Ethiopiër, die omdat hij Christus op Zijn wang geslagen heeft, voor straf zijn leven lang ononderbroken moet huilen.
Uit 1223 stamt het verhaal uit een kroniek van een onbekende cisterciënzer monnik uit Zuid-Italië, waarin een pelgrim een zekere jood heeft gezien, die Christus tijdens de weg naar het kruis zou hebben toegeroepen: "Ga, opdat je dat krijgt, wat je verdiend hebt". Christus antwoordde vervolgens: "Ik ga, en jij moet blijven tot ik terugkom".
In de wereldgeschiedenis Flores historiarium uit 1228 doet de benedictijner monnik Roger van Wendover verslag van het bezoek van een arme aartsbisschop, die portier van Pontius Pilatus zou zijn geweest. Toen Christus langs het huis van Pilatus kwam op weg naar Golgotha, had de man hem toegeroepen dat hij sneller moest lopen. Christus had hem geantwoord, dat de man moest wachten tot Hij terug zou komen. Tot die tijd was hij gedoemd een zwervend bestaan te leiden. De man werd later gedoopt en wachtte sindsdien op de terugkomst van Jezus. Iedere honderd jaar kreeg hij weer de leeftijd die hij had op het moment van de wandaad. Deze geschiedenis is nog in dezelfde eeuw door verschillende auteurs overgenomen.
In het reisverhaal Warachtige beschryvinge der Jerusalemsche reyse ende des berchs Synai tot S. Cathlynen gedaen by den eersaemen Jan Aerts riddere, borger der Stede van Mechelen, met ten grooten factour van Portugael in 't jaar 1484 vertelt de Vlaming Jan Aerts van Mechelen van zijn reis naar Jeruzalem, waar hij de mysterieuze jood ontmoette met de Vlaamse naam Jan Baudewijn. Kort daarvoor, omstreeks 1450, had A. di Francesca di Andrea uit Florence een verhaal verteld, waarin de jood in de gedaante van een franciscaner monnik kinderen uit een sneeuwstorm redt. Andere berichten over de Wandelende Jood zijn te vinden in handschriften en pamfletten uit de zestiende en zeventiende eeuw, waarin duidelijk de Italiaanse traditie doorwerkt.
In 1602 verschijnt dan de Kurtze Beschreibung und Erzehlung von einem Juden mit Namen Ahasverus. Gedruckt zu Leyden, bey Christoff Creutzer, waarin de geschiedenis van de Wandelende Jood een vaste vorm krijgt: alle elementen die voordien op verschillende plaatsen verteld werden, komen samen in deze tekst. De auteur van deze tekst is onbekend. De tekst heeft een grote verspreiding gekend en werd al spoedig in veel, hoofdzakelijk westeuropese talen vertaald. Ook in de Verenigde Staten zijn sporen van de geschiedenis van de Wandelende Jood terug te vinden. In een versie uit Utah (1868) verschijnt de Wandelende Jood aan een Mormoon. Een Chileense variant, waarschijnlijk door een lokale sage beïnvloed, toont aan dat het verhaal van de Wandelende Jood tot in Zuid-Amerika gekomen is.
De verschijning, het uiterlijk, en het beroep van de Wandelende Jood zoals die in de Kurtze Beschreibung zijn beschreven, werden voorbeeld voor zijn gedaante in de meeste latere volksvertellingen. De jood krijgt hier ook voor het eerst een naam, 'Ahasverus'. Het is de naam van de koning uit het bijbelboek Esther. Er zijn pogingen gedaan een verklaring te vinden voor het opvallende gegeven dat juist deze naam voor de jood gekozen werd, maar tot op heden is er geen bevredigende uitleg gevonden.
De Wandelende Jood is een `Begegnungsgestalt' (ontmoetings-persoon); in de meeste vertellingen waarin hij een hoofdrol speelt, staat de ontmoeting tussen hem en een medemens centraal. Uit die ontmoetingen is als het ware de geschiedenis van het personage opgebouwd. De verhalen herinneren aan het bestaan van de Wandelende Jood. Het zijn vrijwel allemaal getuigenissen van een ontmoeting met de eeuwig zwervende Ahasverus, afgezien van vier nieuw-Griekse varianten, die volledig van de overige in Europa gangbare versies afwijken. Ook in Friese versies (G. Kobus-Van der Zee in 1967; S. de Bruin in 1974) is sprake van een eenvoudig verslag van een ontmoeting.
In een Vlaamse vertelling uit Brugge (1889) komt Christus als predikant bij de jood met de vraag of hij uit kan rusten. In een Zweedse variant wordt de jood veroordeeld omdat hij geen schoenen voor Christus wil maken. Ook is er nog een Zweedse versie waarin de jood vervloekt wordt, omdat de voor Petrus gemaakte laarzen niet waterdicht blijken te zijn. Was voorheen het beroep van de jood slechts een neutraal gegeven, in deze verhalen krijgt hij als schoenmaker een functie binnen het verhaal.
De Wandelende Jood is niet alleen een bron van inspiratie geweest voor verhalen; ook in liederen komen we de zwervende man tegen. Zo horen we in een Vlaams lied uit het begin van de twintigste eeuw van de ontmoeting met de jood in Duinkerken. ('Nieuw Liedeken van den wandelenden Jode'). Naast deze versie zijn er nog vier andere Nederlandstalige liedversies. In deze liederen wordt het verlangen van Ahasverus naar de dood steeds weer benadrukt.
In Engelse straatballaden krijgt juist het technische aspect van het verhaalmotief de nadruk; door tussenkomst van Ahasverus worden de meest dwaze intriges oplosbaar. In Franse 'complaintes' uit de zeventiende eeuw verschijnt Ahasverus als boeteprediker. In veel van oorsprong Vlaamse liederen wordt gesproken over de vergeefse zelfmoordpogingen van Ahasverus. In deze liederen heeft hij een specifieke terugkerende functie: men ziet hem als zwerver die boete moet doen. Tevens is hij keer op keer de blijvende getuigenis van de christelijke waarheid.
De geschiedenis van de Wandelende Jood is ook aanleiding geweest voor verschillende volksprenten en houtsneden die gemaakt werden ter illustratie van volksboeken. Hij wordt meestal afgebeeld met baard en wandelstaf. Vaak staan op zulke prenten naast de scène tussen Ahasverus en Jezus, afbeeldingen van zijn ontmoetingen met mensen in verschillende gebieden. Ook zegswijzen getuigen van de grote populariteit van de thematiek van de Wandelende Jood. In de verschillende Europese talen kennen we spreekwoorden die verband houden met de Wandelende Jood. In het Gronings zegt men bijvoorbeeld: "Liekst ja net op de Wandelnde Jeude, gao tòch zitn!", van iemand die heel beweeglijk en onrustig is.
Vanaf het moment dat de verhalen van de Wandelende Jood niet meer voor historie doorgingen, is deze figuur het onderwerp van schrijvers en dichters geworden, die er de problemen van hun eigen tijd aan demonstreerden. Steeds opnieuw werd het personage geïnterpreteerd naar actuele situaties. Eenmaal van zijn religieuze banden verlost, werd de Wandelende Jood ook ingezet om anti-joodse, anti-semitische tendenzen zichtbaar te maken. En daar Ahasverus door zijn langdurig leven en voortdurend zwerven over een rijke kennis en ervaring beschikte, werd hij ook steeds vaker gebruikt als gemakkelijk hanteerbaar middel tot wijsgerige kritiek. Ahasverus werd aangehaald om actuele uitspraken te staven.
Door de eeuwen heen hebben schrijvers zich zo op hun eigen manier bezig gehouden met de Wandelende Jood. Maar nooit zijn zoveel Ahasverusbewerkingen verschenen als in de romantiek. De romantiek en met name de romantische dichtkunst vond grote inspiratie in de figuur van de Wandelende Jood. De onbekende en verre landen waar de man doorheen getrokken was spraken tot de verbeelding. Bovendien was hij degene die bij uitstek over andere mensen uit vroeger tijden kon vertellen; hij had ze immers allemaal zelf ontmoet. In deze romantische literatuur wordt nauwelijks verwezen naar bestaande motieven, noch worden er nieuwe motieven geschapen. Alleen het rusteloze in de zwerver grijpt de dichter aan, om het contrast met de natuur, waar ten slotte alles tot rust komt. In het werk van onder andere Wordsworth, Shelley en Schubart gaat het niet zozeer om de Ahasverusfiguur, maar om een Ahasverussfeer. De duidelijke trekken van Ahasverus verdwijnen langzamerhand achter de persoonlijkheid van de dichter. Dit gebeurt ook in het satirisch fragment 'Ewiger Jude', waar Goethe in 1773 aan begonnen was. Het thema van de Wandelende Jood vormt hier de achtergrond voor gebeurtenissen binnen de geschiedenis van de godsdienst en de Kerk.
In de negentiende eeuw werd de literaire bewerking van de stof meer en meer beïnvloed door maatschappelijke kwesties. In een tijd van sociale revoluties en conflicten wordt Ahasverus, die een handwerksman was, als vanzelf de vertegenwoordiger van het proletariaat. Eugene Sue's roman Le Juif errant (1844) is daarvan een goed voorbeeld. In zijn roman levert Sue felle kritiek op de jezuïeten. De nederige schoenmaker uit Jeruzalem is een man geworden die zich als lid van de werkende klasse uitspreekt over hun lot. Het verhaal gaat nauwelijks over de Wandelende Jood; hij is echter wel een essentieel element binnen de roman. Ook de zuster van de Wandelende Jood verschijnt; zij heeft binnen de tekst de functie van deus ex machina. Naar aanleiding van Le Juif errant zijn een tweetal films verschenen (Italië: Le fantôme des catacombes, 1915; Frankrijk: Le Juif errant, 1926).
Ook voor het toneel bleek het onderwerp geschikt. Herman Heyermans' eenakter Ahasverus (1893) speelt in Rusland tijdens een jodenpogrom; deze wordt in al zijn gruwelijkheden realistisch geschetst. Ahasverus treedt ook hier weer niet op, maar zijn naam symboliseert het vervolgde joodse volk. In het toneelstuk van August Vermeylen De Wandelende Jood (1906) wordt een symbolisch beeld gegeven van de zoekende mens. De Ahasverus hier is er een die diep nadenkt over het "waartoe" en het "waarom" van het leven. De mens Ahasverus wordt losgemaakt van zijn eigen tijd. Ahasverus wordt van een mens-van-vlees-en-bloed een symbool van twijfel en onzekerheid. In Ahasverus: Een Trilogie (1923) van Kees Meekel wordt in de vorm van een drama een synthese van de Ahasverus-motieven bewerkstelligd. Ernest Temple Thurston schreef ook een toneelstuk, The Wandering Jew (1921); ook hiervan zijn twee verfilmingen gemaakt (Engeland: The Wandering Jew, 1923, 1933).
Om de verschrikkelijke kwelling van voortdurende twijfel van de mens, en van de kunstenaar in het bijzonder, uit te beelden, bleek de Ahasveruslegende uitermate geschikt. Het verhaal laat zien hoe doelloos het leven kan zijn. De legende heeft door zijn plooibare karakter steeds weer een aanpassing ondergaan.
Alhoewel de meeste bewerkingen van het thema in de twintigste eeuw hun plaats hebben gevonden binnen het proza, zijn er ook voorbeelden te vinden in andere genres. Willem de Mérode schrijft in 1914 een sonnet met de titel 'De eeuwige wandelende jood'.
In Orpheus en Ahasverus (1945) van Jacob Presser wordt de naam Ahasverus symbool voor het joodse hoofdpersonage dat op zoek gaat naar zijn geliefde. In eerste instantie heeft hij als 'Orpheus' nog een kans om zijn geliefde terug te vinden, als 'Ahasverus' is er geen redding meer. Hem rest slechts het wachten op het einde der tijden, het wachten op de dag dat hij verenigd zal worden met degene die hij zoekt. Hierin komt ook de elders omschreven gedachte naar voren, dat de literaire bewerking van dit thema voortkomt uit de hoop dat het joodse volk eens verlost zal worden van het 'zwervende' bestaan. Ahasverus is verworden tot een metafoor voor het joodse volk, dat tot de dag des oordeels gedoemd is over de aarde te zwerven.
De frequente literaire toepassing van het verhaalthema is op verschillende manieren uitgelegd. De christelijke kerk heeft het evangelie op deze manier overtuigender kunnen maken, oppert Otto Schnitzler (EM). Dit kon niet doeltreffender gebeuren dan door een getuigenis van iemand die bij de kruisiging aanwezig was en sindsdien verder leefde.
Literatuur
Teksten: Van Duyse 1903-1907, 3, p. 2590-2603; Kossmann 1941, p. 73-79, 158; Meekel 1923; Poortinga 1976, p. 193-194; Sue 1927; Vermeylen 1941; Van Wageningen [ps. van Jacob Presser] 1945.
Studies: AT 777; VDK p. 362; EM 4, 577-588; Anderson 1965; Frenzel 1976, p. 15-21; Gielen 1931; De Haan 1950, p. 144-145; Hasan-Rokem & Dundes 1986; Van der Kooi 1979b, p. 80-83; Körte & Stockhammer 1995.
Studies: AT 777; VDK p. 362; EM 4, 577-588; Anderson 1965; Frenzel 1976, p. 15-21; Gielen 1931; De Haan 1950, p. 144-145; Hasan-Rokem & Dundes 1986; Van der Kooi 1979b, p. 80-83; Körte & Stockhammer 1995.
