Onderwerp
SINSAG 1141 - Das versunkene Schloss. Schlechter Ritter von der Erde verschluckt.   
Beschrijving
Das versunkene Schloss. Schlechter Ritter von der Erde verschluckt.
Tekst
Een kasteelridder leidt een goddeloos bestaan. Hij weigert onderdak of aalmoes aan een vreemdeling te geven en houdt zich tijdens heilige dagen bezig met slechte zaken als landroof. God straft het kasteel met de zondigende inwoners door het in een storm op kerstnacht te laten verzinken. Op kerstnacht kunnen voorbijgangers nog gedempt klokgelui van het verzonken slot horen. Op de plaats waar de burcht stond, staat nu een put, een meer of een moeras.
De ridder uit deze verhalen is een slechte ridder. Hij gaat tegen de gedragscode van het ridderschap in. Ten eerste hoort een ridder het christelijke geloof aan te hangen en bereid zijn hiervoor te vechten. De slechte ridder doet het tegenovergestelde en lijkt een nauwere band met de duivel te hebben dan met het christendom. De ridder weigert op kerstnacht de geboorte van Christus te herdenken en geeft in plaats daarvan zijn eigen duivelse feest. Soms vermoordt de ridder zelfs nog een christen. Bovendien hoort de ridder genereus te zijn tegenover zijn medemens. Ook dit gebeurt niet, want de ridder stelt zich niet gastvrij op tegenover de pelgrim of bedelaar en stuurt hem zelfs gewoon terug de kou in, zodat hij in de kerstnacht van de kou omkomt. Ten derde is de ridder niet zuiver in zijn gedrag tegen vrouwen; als hij niet zijn zin krijgt in de liefde, neemt hij de vrouw gevangen. De levenswijze van de ridder is dus zeer slecht en ongehoorzaam tegenover God.
De ridder wordt gestraft door God: zijn duivelse oord vergaat. Een verhaal uit Noord-Brabant vertelt over de ridder, en niet zijn kasteel, dat vergaat. De ridder is in dit geval de enige kwade kracht in de burcht. Hij vermoordt een onschuldige dienstbode. Meestal overleeft slechts één persoon de ondergang. Deze persoon heeft zich een goed mens getoond en wordt voor de ramp gewaarschuwd door degene die het kasteel vervloekt, of die de ramp voorspelt. Het idee van de waarschuwing is ook terug te vinden in de Bijbel, waar God Noach en zijn familie waarschuwt voor de vloed (Genesis 6: 7-22) en Hij Lot en zijn familie waarschuwt voor de vernietiging van Sodom (Genesis 19: 24-28).
In Frankrijk en Duitsland zijn sagen over het verzonken slot opgetekend waar de overlevende, ondanks een waarschuwing, toch achterom kijkt naar het verzonken kasteel. Deze mens verandert daarna in steen. Ook dit is terug te vinden in het verhaal van Lot; zijn vrouw kijkt, tegen alle waarschuwingen in, om naar Sodom en verandert dan in een zoutpilaar. Deze uitbreiding op de sage komt in de Nederlandse taalgebieden niet voor.
Opmerkelijk is de variant van het sagentype waarin een onschuldig mens verzwolgen wordt. Een meisje is gevangen genomen door een slechte ridder en als de ridder vervolgens de minnaar van het meisje zonder reden ophangt, vergaat het kasteel mét het meisje erin. Haar wanhoopskreten zijn nog steeds hoorbaar als je dicht bij de grond luistert. Dit verhaal wordt verteld in Limburg.
Een andere versie van het verzonken slot sagentype heeft een ander sagentype in zich en wel die van de te vroeg begonnen mis (SINSAG 1281). In de sage over de mis die te vroeg begonnen is, komt een ridder te laat voor de mis en de pastoor weigert te wachten op de ridder. De ridder vermoordt hierop de geestelijke. In de sage, die een combinatie van het verzonken slot en de te vroeg begonnen mis is, belooft een Groningse edelman zijn leven te beteren door tijdens de vroegmis zijn kwade natuur af te leggen, opdat hij de liefde van een vrouw kan winnen. Hij verslaapt zich echter en als de geestelijke weigert de vroegmis opnieuw te houden, vermoordt de ridder de pastoor. Als de ridder terugkeert naar zijn burcht, verzinkt deze in zee. De ridder onttrekt zich dus niet alleen van de kerkelijke discipline, maar hij is bovendien niet oprecht als hij belooft te veranderen en vermoordt ook nog een geestelijke.
Er is een variatie van een adellijke dame wier kasteel in de grond verzinkt. Het is de enige Nederlandstalige versie met een vrouw als goddeloze hoofdrolspeler. Zij verstoort met opzet een heilige processie en hier wordt zij voor gestraft. Dit verhaal wordt in Limburg verteld.
In Frankrijk en Duitsland is het verhaal opgetekend van de gravin die haar ring in het water werpt en verkondigt dat haar slot zal verzinken als de ring terugkomt. Als de ring per toeval teruggevonden wordt, verzinkt het kasteel ook daadwerkelijk. De vrouw roept het onheil over zichzelf af. Er is hier sprake van een link met AT 736A The Ring of Polycrates, een volksverhaal over een ring die in zee geworpen wordt en de dag daarna wordt teruggevonden.
Een andere afwijkende versie van de zondigende mens die met zijn kasteel ten onder gaat, is de sage van de burcht die belegerd wordt. De bewoners van het slot vragen God om vooral maar niet door hun vijanden omgebracht te worden. Hierop laat God het kasteel in zee verzinken. Dit verhaal komt niet in de Nederlandse taalgebieden voor.
De verhalen kunnen verband houden met het feodale systeem van vroeger. De landheer behandelt zijn mensen slecht, eist veel van hen en weigert hen een aalmoes. De sagen over het kasteel van de slechte heer dat vergaat kunnen als troost bedacht zijn. De onderdrukte mensen konden in gedachten wraak nemen op hun slechte heer (Schneidewind en Wossidlo). De ridder is geen beschermheer, zoals hij hoort te zijn en daarom gaat zijn kasteel, een statussymbool en symbool van macht (Kroon), ten onder. Het gezag van de ridder komt letterlijk ten val. Of de ridders in werkelijkheid zo slecht waren als ze afgebeeld worden in de verhalen wordt overgens betwijfeld door verschillende geleerden (Paquay). Opvallend is dat in andere landen ook een rijke boer de wrede man kan zijn, wiens hoeve onder de grond verdwijnt. Dit kan komen doordat veel kastelen ook als een grote boerderij begonnen kan zijn (Renes). De machtige mens die zijn macht slecht gebruikt wordt dus weer gestraft.
Het aantal verhalen over verzonken burchten in Nederland is gering en de verhalen zijn alleen in Groningen, Gelderland, Limburg en Noord-Brabant opgetekend. In Limburg en Noord Brabant bevindt zich een relatief groot aantal kastelen vergeleken met de rest van Nederland. Dit zou een reden kunnen zijn dat verhalen over verzonken kastelen hier meer voorkomen dan in andere gebieden. Hier komt nog bij dat kastelen meestal in natte lage gebieden gebouwd werden (Renes), waardoor het verhaal van het verzonken slot aannemelijker werd.
Een andere reden waarom deze gebieden meer verhalen over het verzonken slot kennen, kan liggen in het feit dat ze naast Frankrijk of Duitsland liggen, waar het sagentype vaak voorkomt. Het zou ook kunnen dat dit sagentype wel in andere streken bekend is geweest, maar dat het is uitgestorven in de loop der jaren. Tenslotte is het ook mogelijk dat sagen over verzonken kloosters en landen verspreiding kennen in de gebieden waar verhalen over het verzonken kasteel weer niet bekend zijn. Deze sagentypen zouden het verhaal van het verzonken slot kunnen 'vervangen'. Een voorbeeld hiervan is de Veluwe (Gelderland) en het Gooi (Noord Holland). Hier zijn verhalen over een verzonken klooster opgetekend.
Het is duidelijk dat er in het sagentype geen tussenweg bestaat tussen de extremen 'goed' en 'kwaad'. De slechte ridder gaat voor de volle honderd procent tegen de gedragsregels en in het bijzonder het christelijke normensysteem in. Het klokgelui dat vaak na de verzinking nog gedempt te horen is, lijkt een soort waarschuwingsteken te zijn. Het maakt de mensen bewust van de gevolgen die een slecht leven zal hebben. Het luiden van de klokken vond plaats als gedachtenis aan God en dit staat in scherp contrast met het gedrag van de goddeloze ridders, die zich van de christelijke deugden- en zondenleer niets aantrekken. Bovendien wordt van gewijde klokken gezegd dat zij duivels en kwade geesten verdrijven. Het kwaad zit dus opgeborgen onder de grond. De verhalen over verzonken kastelen kunnen weer leiden tot sagen over geesten en spoken, zeker als er wordt gezegd dat het slot wel verzonken is, maar dat de mensen ondergronds of onderzees verder leven. 'Kasteelsagen' kunnen dus niet alleen gaan over de ondergang van het gebouw, maar ook over de spoken en moordenaars die bij kasteelruïnes rondwaren.
Het thema van storm en vloed die de ondergang van een gebouw of land veroorzaken, is terug te vinden in de Bijbel. Zo valt te denken aan de zondvloed, waarbij slechts Noach en zijn familie door God gespaard werden, de verwoesting van Sodom en Gomorra, waar alleen Lot en zijn dochters levend wegkwamen, en het vooruitzicht van de Apocalyps (Openbaringen), waarbij de wereld door vuur en vloeden vernietigd zal worden. Al deze verhalen hebben te maken met het morele verval van de mens. God grijpt in als de mens een te zondig leven leidt. Bovendien is er de vergelijking tussen het huis gebouwd op een rots of op zand. Het huis dat op zand gebouwd is, is dat van een dwaas die niet in God gelooft; zijn huis zal verzwolgen worden. Het huis op de rots zal echter blijven bestaan, omdat de mens op God vertrouwt (Mattheus 7: 24-27). Dit motief is duidelijk terug te vinden in de sage over het verzonken slot.
Niet alleen bijbelse verhalen hebben te maken met verzonken continenten, steden, kloosters, kastelen of andere gebouwen. Er zijn ook klassieke en mondelinge overleveringen die over verzonken gebieden vertellen. Te denken valt aan Atlantis, het mythische werelddeel wat door Plato (c.428 -c.347 AD) beschreven werd, Caer Ys in Bretagne, en Langarrow en Lioness in Cornwall. Van al deze gebieden wordt verteld dat het florerende gebieden waren, maar dat er sprake was van moreel verval. Een vloed heeft een einde gemaakt aan het bestaan van de gebieden. Ook hier wordt dus het kwade onherroepelijk gestraft.
De verhalen over de verzonken gebieden zijn in ieder geval bekend over heel Europa. Dit komt waarschijnlijk door de bekendheid van het thema in de Bijbel en in andere overleveringen. Een andere mogelijkheid is dat er door het vertellen van deze sagen verklaard werd waarom bepaalde meren en wateren zijn ontstaan. De sage zou dus deels een oorsprongssage zijn. Tenslotte zijn er soms archeologische of geografische aanwijzingen die op verzonken gebieden zouden kunnen duiden. Ook dit kan een bron voor de verhalen zijn.
De verhalen over verzonken kastelen verwijzen meestal naar het (verre) vaak feodale verleden. In sommige Nederlandstalige verhalen wordt verwezen naar de tijd van Karel de Grote (768 - 814) of naar de tijd van de Bokkenrijdersbende (tweede helft van de achttiende eeuw). De bokkenrijders zijn een typisch voorbeeld van 'roofridders' die zich aan God noch gebod hielden. Het liep slecht af met deze duivelheulers.
Met de komst van het Millenium neemt het aantal verhalen en voorspellingen over het einde van de wereld toe en wordt de laatste zondvloed die de wereld zal doen vergaan weer aangekondigd. Verhalen over zondvloeden en verzinkingen zijn dus nog steeds aan de orde van de dag, ook al speelt het slot meestal geen rol meer hierin.
Zie ook nog: Het verzonken klooster (SINSAG 1144)
De ridder uit deze verhalen is een slechte ridder. Hij gaat tegen de gedragscode van het ridderschap in. Ten eerste hoort een ridder het christelijke geloof aan te hangen en bereid zijn hiervoor te vechten. De slechte ridder doet het tegenovergestelde en lijkt een nauwere band met de duivel te hebben dan met het christendom. De ridder weigert op kerstnacht de geboorte van Christus te herdenken en geeft in plaats daarvan zijn eigen duivelse feest. Soms vermoordt de ridder zelfs nog een christen. Bovendien hoort de ridder genereus te zijn tegenover zijn medemens. Ook dit gebeurt niet, want de ridder stelt zich niet gastvrij op tegenover de pelgrim of bedelaar en stuurt hem zelfs gewoon terug de kou in, zodat hij in de kerstnacht van de kou omkomt. Ten derde is de ridder niet zuiver in zijn gedrag tegen vrouwen; als hij niet zijn zin krijgt in de liefde, neemt hij de vrouw gevangen. De levenswijze van de ridder is dus zeer slecht en ongehoorzaam tegenover God.
De ridder wordt gestraft door God: zijn duivelse oord vergaat. Een verhaal uit Noord-Brabant vertelt over de ridder, en niet zijn kasteel, dat vergaat. De ridder is in dit geval de enige kwade kracht in de burcht. Hij vermoordt een onschuldige dienstbode. Meestal overleeft slechts één persoon de ondergang. Deze persoon heeft zich een goed mens getoond en wordt voor de ramp gewaarschuwd door degene die het kasteel vervloekt, of die de ramp voorspelt. Het idee van de waarschuwing is ook terug te vinden in de Bijbel, waar God Noach en zijn familie waarschuwt voor de vloed (Genesis 6: 7-22) en Hij Lot en zijn familie waarschuwt voor de vernietiging van Sodom (Genesis 19: 24-28).
In Frankrijk en Duitsland zijn sagen over het verzonken slot opgetekend waar de overlevende, ondanks een waarschuwing, toch achterom kijkt naar het verzonken kasteel. Deze mens verandert daarna in steen. Ook dit is terug te vinden in het verhaal van Lot; zijn vrouw kijkt, tegen alle waarschuwingen in, om naar Sodom en verandert dan in een zoutpilaar. Deze uitbreiding op de sage komt in de Nederlandse taalgebieden niet voor.
Opmerkelijk is de variant van het sagentype waarin een onschuldig mens verzwolgen wordt. Een meisje is gevangen genomen door een slechte ridder en als de ridder vervolgens de minnaar van het meisje zonder reden ophangt, vergaat het kasteel mét het meisje erin. Haar wanhoopskreten zijn nog steeds hoorbaar als je dicht bij de grond luistert. Dit verhaal wordt verteld in Limburg.
Een andere versie van het verzonken slot sagentype heeft een ander sagentype in zich en wel die van de te vroeg begonnen mis (SINSAG 1281). In de sage over de mis die te vroeg begonnen is, komt een ridder te laat voor de mis en de pastoor weigert te wachten op de ridder. De ridder vermoordt hierop de geestelijke. In de sage, die een combinatie van het verzonken slot en de te vroeg begonnen mis is, belooft een Groningse edelman zijn leven te beteren door tijdens de vroegmis zijn kwade natuur af te leggen, opdat hij de liefde van een vrouw kan winnen. Hij verslaapt zich echter en als de geestelijke weigert de vroegmis opnieuw te houden, vermoordt de ridder de pastoor. Als de ridder terugkeert naar zijn burcht, verzinkt deze in zee. De ridder onttrekt zich dus niet alleen van de kerkelijke discipline, maar hij is bovendien niet oprecht als hij belooft te veranderen en vermoordt ook nog een geestelijke.
Er is een variatie van een adellijke dame wier kasteel in de grond verzinkt. Het is de enige Nederlandstalige versie met een vrouw als goddeloze hoofdrolspeler. Zij verstoort met opzet een heilige processie en hier wordt zij voor gestraft. Dit verhaal wordt in Limburg verteld.
In Frankrijk en Duitsland is het verhaal opgetekend van de gravin die haar ring in het water werpt en verkondigt dat haar slot zal verzinken als de ring terugkomt. Als de ring per toeval teruggevonden wordt, verzinkt het kasteel ook daadwerkelijk. De vrouw roept het onheil over zichzelf af. Er is hier sprake van een link met AT 736A The Ring of Polycrates, een volksverhaal over een ring die in zee geworpen wordt en de dag daarna wordt teruggevonden.
Een andere afwijkende versie van de zondigende mens die met zijn kasteel ten onder gaat, is de sage van de burcht die belegerd wordt. De bewoners van het slot vragen God om vooral maar niet door hun vijanden omgebracht te worden. Hierop laat God het kasteel in zee verzinken. Dit verhaal komt niet in de Nederlandse taalgebieden voor.
De verhalen kunnen verband houden met het feodale systeem van vroeger. De landheer behandelt zijn mensen slecht, eist veel van hen en weigert hen een aalmoes. De sagen over het kasteel van de slechte heer dat vergaat kunnen als troost bedacht zijn. De onderdrukte mensen konden in gedachten wraak nemen op hun slechte heer (Schneidewind en Wossidlo). De ridder is geen beschermheer, zoals hij hoort te zijn en daarom gaat zijn kasteel, een statussymbool en symbool van macht (Kroon), ten onder. Het gezag van de ridder komt letterlijk ten val. Of de ridders in werkelijkheid zo slecht waren als ze afgebeeld worden in de verhalen wordt overgens betwijfeld door verschillende geleerden (Paquay). Opvallend is dat in andere landen ook een rijke boer de wrede man kan zijn, wiens hoeve onder de grond verdwijnt. Dit kan komen doordat veel kastelen ook als een grote boerderij begonnen kan zijn (Renes). De machtige mens die zijn macht slecht gebruikt wordt dus weer gestraft.
Het aantal verhalen over verzonken burchten in Nederland is gering en de verhalen zijn alleen in Groningen, Gelderland, Limburg en Noord-Brabant opgetekend. In Limburg en Noord Brabant bevindt zich een relatief groot aantal kastelen vergeleken met de rest van Nederland. Dit zou een reden kunnen zijn dat verhalen over verzonken kastelen hier meer voorkomen dan in andere gebieden. Hier komt nog bij dat kastelen meestal in natte lage gebieden gebouwd werden (Renes), waardoor het verhaal van het verzonken slot aannemelijker werd.
Een andere reden waarom deze gebieden meer verhalen over het verzonken slot kennen, kan liggen in het feit dat ze naast Frankrijk of Duitsland liggen, waar het sagentype vaak voorkomt. Het zou ook kunnen dat dit sagentype wel in andere streken bekend is geweest, maar dat het is uitgestorven in de loop der jaren. Tenslotte is het ook mogelijk dat sagen over verzonken kloosters en landen verspreiding kennen in de gebieden waar verhalen over het verzonken kasteel weer niet bekend zijn. Deze sagentypen zouden het verhaal van het verzonken slot kunnen 'vervangen'. Een voorbeeld hiervan is de Veluwe (Gelderland) en het Gooi (Noord Holland). Hier zijn verhalen over een verzonken klooster opgetekend.
Het is duidelijk dat er in het sagentype geen tussenweg bestaat tussen de extremen 'goed' en 'kwaad'. De slechte ridder gaat voor de volle honderd procent tegen de gedragsregels en in het bijzonder het christelijke normensysteem in. Het klokgelui dat vaak na de verzinking nog gedempt te horen is, lijkt een soort waarschuwingsteken te zijn. Het maakt de mensen bewust van de gevolgen die een slecht leven zal hebben. Het luiden van de klokken vond plaats als gedachtenis aan God en dit staat in scherp contrast met het gedrag van de goddeloze ridders, die zich van de christelijke deugden- en zondenleer niets aantrekken. Bovendien wordt van gewijde klokken gezegd dat zij duivels en kwade geesten verdrijven. Het kwaad zit dus opgeborgen onder de grond. De verhalen over verzonken kastelen kunnen weer leiden tot sagen over geesten en spoken, zeker als er wordt gezegd dat het slot wel verzonken is, maar dat de mensen ondergronds of onderzees verder leven. 'Kasteelsagen' kunnen dus niet alleen gaan over de ondergang van het gebouw, maar ook over de spoken en moordenaars die bij kasteelruïnes rondwaren.
Het thema van storm en vloed die de ondergang van een gebouw of land veroorzaken, is terug te vinden in de Bijbel. Zo valt te denken aan de zondvloed, waarbij slechts Noach en zijn familie door God gespaard werden, de verwoesting van Sodom en Gomorra, waar alleen Lot en zijn dochters levend wegkwamen, en het vooruitzicht van de Apocalyps (Openbaringen), waarbij de wereld door vuur en vloeden vernietigd zal worden. Al deze verhalen hebben te maken met het morele verval van de mens. God grijpt in als de mens een te zondig leven leidt. Bovendien is er de vergelijking tussen het huis gebouwd op een rots of op zand. Het huis dat op zand gebouwd is, is dat van een dwaas die niet in God gelooft; zijn huis zal verzwolgen worden. Het huis op de rots zal echter blijven bestaan, omdat de mens op God vertrouwt (Mattheus 7: 24-27). Dit motief is duidelijk terug te vinden in de sage over het verzonken slot.
Niet alleen bijbelse verhalen hebben te maken met verzonken continenten, steden, kloosters, kastelen of andere gebouwen. Er zijn ook klassieke en mondelinge overleveringen die over verzonken gebieden vertellen. Te denken valt aan Atlantis, het mythische werelddeel wat door Plato (c.428 -c.347 AD) beschreven werd, Caer Ys in Bretagne, en Langarrow en Lioness in Cornwall. Van al deze gebieden wordt verteld dat het florerende gebieden waren, maar dat er sprake was van moreel verval. Een vloed heeft een einde gemaakt aan het bestaan van de gebieden. Ook hier wordt dus het kwade onherroepelijk gestraft.
De verhalen over de verzonken gebieden zijn in ieder geval bekend over heel Europa. Dit komt waarschijnlijk door de bekendheid van het thema in de Bijbel en in andere overleveringen. Een andere mogelijkheid is dat er door het vertellen van deze sagen verklaard werd waarom bepaalde meren en wateren zijn ontstaan. De sage zou dus deels een oorsprongssage zijn. Tenslotte zijn er soms archeologische of geografische aanwijzingen die op verzonken gebieden zouden kunnen duiden. Ook dit kan een bron voor de verhalen zijn.
De verhalen over verzonken kastelen verwijzen meestal naar het (verre) vaak feodale verleden. In sommige Nederlandstalige verhalen wordt verwezen naar de tijd van Karel de Grote (768 - 814) of naar de tijd van de Bokkenrijdersbende (tweede helft van de achttiende eeuw). De bokkenrijders zijn een typisch voorbeeld van 'roofridders' die zich aan God noch gebod hielden. Het liep slecht af met deze duivelheulers.
Met de komst van het Millenium neemt het aantal verhalen en voorspellingen over het einde van de wereld toe en wordt de laatste zondvloed die de wereld zal doen vergaan weer aangekondigd. Verhalen over zondvloeden en verzinkingen zijn dus nog steeds aan de orde van de dag, ook al speelt het slot meestal geen rol meer hierin.
Zie ook nog: Het verzonken klooster (SINSAG 1144)
Literatuur
Teksten: Birlinger 1861; Engels 1977; Huizenga-Onnekes & Ter Laan 1930; Van Iersel 1977; Kemp 1925; Van Kempen 1996; Ter Laan 1930; Sinninghe 1933b; Sinninghe 1938a; Sinninghe 1978b; Strackerjan 1909; Tinneveld 1976; Vernaleken 1859; Vervliet 1900; Volkskundevragenlijst 2 (1937) formulier K157, vraag I (archief Meertens Instituut); Welters 1876; Welters 1935; Wolf 1843; Wossidlo & Schneidewind 1960; Zingerle 1891.
Studies: Agricola 1976, Van den Brink 1991; Frere 1992; Fussel 1976; Gerndt 1988; Hupperetz 1996; Hupperetz & Schatorjé 1996; Johansen 1989; Van der Kooi 1988; De Kroon 1996; Ter Laan 1949; Palmen 1989; Paquay 1996; Renes 1996; Schmarsel 1913; Sébillot 1904 en 1905; Sinninghe 1943a, p. 115; Sinninghe 1965; 'Tijden van Cleopatra herleven': in: Gooi en Eemlander 31 oktober 1998, p.45; Trefois 1950; Venbrux 1996; Willy 1963.
Studies: Agricola 1976, Van den Brink 1991; Frere 1992; Fussel 1976; Gerndt 1988; Hupperetz 1996; Hupperetz & Schatorjé 1996; Johansen 1989; Van der Kooi 1988; De Kroon 1996; Ter Laan 1949; Palmen 1989; Paquay 1996; Renes 1996; Schmarsel 1913; Sébillot 1904 en 1905; Sinninghe 1943a, p. 115; Sinninghe 1965; 'Tijden van Cleopatra herleven': in: Gooi en Eemlander 31 oktober 1998, p.45; Trefois 1950; Venbrux 1996; Willy 1963.
