Onderwerp
SINSAG 1231 - Das Pferd von Troja.   
Beschrijving
Das Pferd von Troja
Tekst
Vanaf 1581 is Breda, tijdens de tachtigjarige oorlog, in Spaanse handen. Daar deze stad van strategisch belang is, willen de Hollanders haar graag terug veroveren. Als prins Maurits in 1589 een turfschippersfamilie tegenkomt, vormen zich concrete plannen voor een herovering, gebaseerd op plannen van zijn vader, Willem van Oranje. Deze plannen werden in 1590 uitgevoerd.
Samen met zijn raadsheer, Van Oldenbarnevelt, stelt Maurits een krijgsplan op, waarbij hij gebruik maakt van het turfschip van Adriaan van Bergen, een Leurse turfschipper. Op diens schip wordt een ruimte gemaakt waarin zich 65 soldaten, onder leiding van Charles de Héraugière, verstoppen. In het ruim van het schip wordt een lading turf gelegd. Aangezien dit de gangbare brandstof is, hebben de Spanjaarden (vergezeld van Italiaanse troepen) in het kasteel van Breda deze ook nodig om zich in de barre winter warm te houden.
Op drie maart komt het turfschip van Adriaan van Bergen, met enkele familieleden als bemanning, in Breda aan. Het schip heeft al eerder turf aan het kasteel geleverd en wordt daarom niet grondig onderzocht. Eenmaal binnen de muren, beginnen de soldaten van de wacht het schip te ontladen. Dit schiet zo hard op dat de verstopte soldaten het daglicht door de turf heen beginnen te zien. Van Bergen ziet dit en grijpt in door de soldaten met wat drinkgeld weg te sturen.
De wacht vindt het goed als het lossen de volgende dag pas verder zal gaan, maar dan mag er maar een persoon aan boord blijven. Adriaan van Bergen blijft aan boord en zijn neven verlaten het schip. Zij zullen prins Maurits gaan waarschuwen dat het schip binnen is en dat de aanval na middernacht zal beginnen. Ondertussen moet de schipper aan boord zo veel mogelijk lawaai maken om het gehoest van de soldaten te overstemmen.
Om twaalf uur 's nachts klimmen de soldaten een voor een uit het schip. De groep wordt in tweeën gedeeld. De ene groep moet de wachten bij het noord-westelijk bastion en bij de haven uitschakelen. De andere groep gaat naar de buitenpoort om de toegang tot de stad te verzekeren. Buiten de stad staan legers van prins Maurits, en zijn latere halfzwager graaf Phillipp von Hohenlohe, die zodra dat kan de stad binnenkomen. De stad Breda is dan weer in Hollandse handen.
De list van prins Maurits met het turfschip is een beroemde krijgslist geworden. Hij maakte gebruik van de gewoonte van de turfschippers om met hun turf binnen het kasteel te komen. Er zou dus niets verdachts aan zijn wanneer zij dat weer deden, alleen nu in opdracht van de prins.
Hij liet een aantal soldaten zich in het schip verstoppen. Doordat de wacht van het kasteel nalatig was bij het doorzoeken van het schip werden deze soldaten niet ontdekt. Zo was het mogelijk om in het hol van de leeuw te komen en van daaruit de vijand te overvallen.
Deze krijgslist vertoont opmerkelijke overeenkomsten met de krijgslist van de oude Grieken in hun oorlog met Troje. Het verhaal van het Trojaanse paard verloopt als volgt:
Paris is de zoon van koning Priam. Hij moet een geschil tussen de godinnen Hera, Athena en Aphrodite oplossen. Hij moet kiezen wie van hen de mooiste is. Hera belooft hem macht en rijkdom als hij haar kiest. Athena belooft hem overwinning en roem in de strijd. Aphrodite, ten slotte, belooft hem de liefde van de mooiste vrouw van Griekenland.
Paris kiest Aphrodite. De mooiste vrouw van Griekenland is Helena, de vrouw van koning Menelaos. Als deze naar Creta moet, helpt Aphrodite Paris om Helena mee naar Troje te nemen. Als Menelaos dit na zijn terugkomst merkt, trommelt hij een leger op en gaat hen achterna. Bij Troje aangekomen gaat Menelaos samen met Odysseus als boodschapper naar de stad om Helena terug te eisen. Als dit mislukt vallen de Grieken de stad aan.
Na ongeveer tien jaar oorlog gevoerd te hebben komt Achilles samen met Hector, de broer van Paris, met het voorstel Menelaos met Paris te laten vechten. De winnaar van het gevecht wint de oorlog. Menelaos wint en daarmee zou de oorlog in het voordeel van de Grieken beslist moeten zijn. Maar de goden hebben nog geen zin in het einde van de oorlog en laten hem door gaan in het voordeel van de Trojanen.
De Grieken gaan daarom op zoek naar een breuk in de defensie van de Trojanen. In eerste instantie stelen zij het Palladium. Dit is een beeld, dat Athena aan de Trojanen heeft geschonken. De Trojanen zullen onoverwinnelijk zijn, zolang het Palladium zich in de stad bevindt. Maar het stelen van het beeld blijkt niet voldoende te zijn.
Dan komen de Grieken op het idee een groot paard te bouwen, waar zij een aantal van hun beste krijgers in kunnen verstoppen. De rest van de troepen verbranden hun hutten en schepen zich in. De Trojanen zijn achterdochtig en besluiten op aanraden van de priester Lacoön het paard te vernietigen. De Griekse Sinon doet zich voor als verrader en vertelt koning Priam dat het paard een zoenoffer voor Athena is. Daarnaast wordt Lacoön door twee zeeslangen gedood. Hieruit wordt opgemaakt dat het paard bewaard moet worden en de Trojanen nemen het zoenoffer mee naar hun stad.
's Nachts komen de Grieken uit het paard en overvallen de Trojanen. Dit is niet zo moeilijk, want zij hebben hun 'overwinning' gevierd en liggen hun roes uit te slapen. Sinon geeft de ingescheepte Grieken, die zich verdekt hadden opgesteld, een sein en zij komen snel te hulp. Zo hebben de Grieken de oorlog gewonnen.
De list met het turfschip wordt in de kunst dan ook vaak vergeleken met het paard van Troje. Te beginnen met de oudstgedrukte bronnen, waar A. Hallema in een artikel over heeft gepubliceerd. De eerste bron, een Duits pamflet uit 1590, maakt geen directe vergelijking. Het is een verslag over het voorval. Het is mogelijk dat dit pamflet nog niet de hele waarheid kent, de actie was immers in het diepste geheim voorbereid en er was nog niet veel kennis over verspreid.
De tweede bron is een Franstalig tractaat, ook uit 1590. Hierin wordt wel een vergelijking met het paard van Troje gemaakt. De schrijver vergelijkt de Italiaanse soldaten, die in dienst van de Spanjaarden waren, met de ongelukkige en onvoorbereidde Trojanen en het turfschip met het houten paard van de Grieken. Verder is ook het tractaat een verslag van wat er tijdens de reis en de overval, en wat er na de overval gebeurde.
In de volksoverlevering heeft J.R.W. Sinninghe in 1933 een sage met dit motief in zijn Noord Brabantsch sagenboek opgenomen. De koning van Denemarken wil met de prinses van Schotland trouwen. De koning van Schotland stuurt zijn dochter en een bruidsschat, onder begeleiding van zijn twee broers, per schip naar Denemarken. Onderweg overlijdt de prinses en het schip kan niet verder varen zolang haar lichaam aan boord is. Dus begraven zij haar in zee.
Men durft door deze gebeurtenis echter niet naar Schotland of Denemarken terug te keren. Daarom wordt er een sloep op uitgestuurd om Brabant te gaan verkennen voor woonruimte. De keuze valt op Breda, waar de bemanning vriendelijk onthaald wordt. De broer van de Schotse koning zoekt een landgoed uit en wil dat kopen om er een burcht te bouwen, waar zij kunnnen gaan wonen. De heer van het landgoed wil zijn bezit echter niet verkopen. Toch wordt de burcht gebouwd. Bovendien blijken de Denen niet zachtaardig en plunderen heel de streek.
De hertog van Brabant stelt een leger samen om de Denen te overvallen. Hij laadt een wagen met hooi en lakens, zodat het net is of er lakens vervoerd worden, die de Denen zullen willen overvallen. Dit gebeurt inderdaad, maar het leger van de hertog staat klaar en overvalt de 25 Denen. Soldaten van de hertog trekken de kleren van de Denen aan en worden met de kar bij de burcht binnengelaten. De burcht wordt met de grond gelijk gemaakt.
Op de plaats waar de burcht stond, staat nu het kasteel van Breda.
Volgens W. De Blécourt zijn de sagen van Sinninghe echter vaak geen sagen. Uit zijn artikel 'De volksverhalen van J.R.W. Sinninghe' blijkt dat Sinninghe wel veldwerk deed, maar dat veel van zijn verzamelde volksverhalen regelrecht van geschreven bronnen komen. Dit lijkt ook het geval te zijn met bovengenoemde sage. Sinninghes verhaal is een samenvatting van O Crux Lignum Triumphale. De moderne titel luidt: Het Heilige Kruis en de Denensage. Volgens J.F. Heijbroek is dit fictie, maar volgens Van Goor is dit een historisch feit, dat plaatsvond tussen 840 en 1124. Het handschrift van deze legende en sage stamt uit de vijftiende eeuw. De tekst werd in 1893 in editie uitgegeven door Moltzer en Te Winkel in de serie 'Bibliotheek van Middelnederlandsche Letterkunde'. En delen uit deze teksteditie zijn zo goed als letterlijk in de versie van Sinninghe opgenomen.
Er moet nog een kanttekening geplaatst worden bij deze sage van Sinninghe. In zijn sagencatalogus typeert hij deze sage Das Pferd von Troja (Heuwagen von der Besatzung erobert; Soldaten unterm Heu versteckt; SINSAG 1231) Als er in de sage inderdaad soldaten zich onder het hooi op de wagen verstopt hadden, zou het kloppen dat dit verhaal een variant op het thema is. Maar de soldaten verstoppen zich niet, zij steken zich in de kleren van de vijand en komen op die manier in het hol van de leeuw. Het is dus eigenlijk een heel ander soort krijgslist.
Wel komt het thema van het paard van Troje regelmatig in de kunst en literatuur naar voren. Zo hebben Homerus en Vergilius, respectievelijk in de achtste en de eerste eeuw voor Christus, al uitgebreid over de oorlog tussen de Grieken en Trojanen geschreven. Daarnaast werd er veel kunst, zoals beelden en vazen, gemaakt, waarin details van die oorlog werden uitgebeeld. Maar ook het verhaal van het Turfschip komt, na 1590, in de kunst en literatuur voor. Soms wordt het zelfs met het paard van Troje vergeleken. Hier volgen enkele voorbeelden.
In de dichtkunst zijn er niet veel eigentijdse gedichten te vinden, die van enig belang zijn. In 1590 schreef Caspar van Baerle een gedicht, dat door Prins Maurits zelf geprezen werd. Helaas is dit werk verloren gegaan. In 1593 werd er een gelegenheidsgedicht geschreven door Volkert Westerwolde, wat onder andere als dankbetuiging voor de prins was bedoeld. Ook hierover is verder niet veel bekend. Wat later, in 1624 als Ambrogio Spinola de stad inneemt, herinnert Jacobus Ymmeloot aan de list met het turfschip. In een sonnet, uit 1626, geeft hij hulde aan het kunstvernuft van de verrassing van Breda.
Pieter Nuyts schreef verscheidene gedichten over de stad Breda, waaronder in 1690 ook een over de herovering van Breda. Hij vertelt echter weinig bijzonders over het turfschip. Wel zijn er in zijn werk enkele bijzondere verschillen met het 'historische' verhaal te vinden. Zo schrijft hij het idee aan Charles de Héraugière toe, in plaats van aan prins Maurits. En de schipper Van Bergen leent slechts zijn schip en heeft verder niets met het plan te maken.
Begin negentiende eeuw schrijft H. Cz. Tollens in tachtig vierregelige strofen over het turfschip van Breda. Hij herinnert de lezer ook aan 'Trojes zwangre paard'. Deze romantische weergave lijkt slechts terug te gaan op populaire, deels onnauwkeurige, herinneringen. De list wordt wel toegeschreven aan prins Maurits, maar verder wordt er niemand bij name genoemd.
Er zijn ook enkele toneelstukken op de list met het turfschip gebaseerd. In 1606 schreef Jacob Duym De Cloeck-moedighe ende Stoute daet van het innemen des Casteels van Breda en verlossinghe der Stadt. Onder het beleyd van den Hoogh Gheboren Prins Graaff Maurits van Nassau, etc. Comedische wijse in Dichte ghestelt. Hierin worden de feitelijke gegevens dichterlijk weergegeven. Al in het voorbericht maakt Duym de vergelijking met het paard van Troje. Het hele stuk door komt deze vergelijking veelvuldig naar voren.
Verder bestaan er nog een blijspel van Pieter Bernagie, en een anoniem rijmverhaal (in 1845 door C.R. Hermans opgetekend in Bijdragen tot de geschiedenis, oudheden, letteren, statistiek en beeldende kunsten der provincie Noord Brabant). In 1812 schreef Cornelis van de Vijver een toneelstuk in proza: Het Turfschip van Breda.
Daarnaast zijn er nog toneelspelen, die niet specifiek over de list gaan, maar waar het hoofdverhaal zich in die tijd en omgeving afspeelt. Zo schreef Frouwkje Herbig in 1830 De Verloren Zoon of Breda verrast. Dit is een zedenstuk, waarin de normen en waarden van de Verlichting op het jaar 1590 gespiegeld worden. De zoon van de hoofdrolspeler in dit stuk is een van de soldaten, die het turfschip bemande.
Ten slotte nog enkele voorbeelden van liederen, waarin het type 'paard van Troje' wordt gebruikt. Zo schreef Adriaen van den Bisdom al in 1590 een rederijkerslied over de inname van Breda. Hoewel hij de list van prins Maurits letterlijk met het paard van Troje vergelijkt, werkt hij dit nauwelijks uit. Er worden niet meer dan zes regels aan gewijd. Dit lied is opgenomen in het Het Geuzenliedboek, uitgegeven door P. Leendertz uit het nalatenschap van E.T. Kuiper. Het opvallendste verschil, in vergelijking tot de meeste weergaven van het verhaal, is dat in dit lied wordt beschreven hoe een groep van twintig soldaten op verkenning uitgaat. Zij vinden de Italiaanse soldaat, die hen hier wel precies kan vertellen hoeveel Spaanse en Italiaanse soldaten zich in het kasteel bevinden en hoe deze manschappen hier gesitueerd zijn.
Een aantal eeuwen later, in 1944, duikt er een anoniem verzetslied op ter ere van de bevrijding van Breda door de Polen en Canadezen. In dit lied wordt verteld over de list van prins Maurits, die lijkt op het verhaal van Odysseus' oude list. Na deze herovering van Breda in 1590 volgden meer overwinningen op de Spanjaarden. Zo zullen er, volgens de auteur van het lied, ook meer overwinningen op de Duitsers komen. Breda zou in beide gevallen het begin van het eind van de vijand zijn.
Naast literatuur is er ook in talloze andere kunstvormen gebruik gemaakt van het turfschipverhaal. Zo bestaan er een aantal gedenkpenningen, gravures, tekeningen, beelden, en schilderijen. Het bekendste schilderij in verband met Breda is wel 'Las Lanzas' van Velasquez. Dat gaat echter over het eind van de bevrijding van Breda, namelijk als het door Spinola weer in handen van de Spanjaarden komt. En het Turfschip staat er niet eens op. Wel werd van het turfschip in de achttiende eeuw een anonieme aquarel geschilderd; en door Chr. Rochussen, in 1854, een olieverfschilderij. Hij is een negentiende eeuwse historieschilder.
Zowel in Breda als in Leur is de schipper Adriaen van Bergen door middel van een beeld vereeuwigd. En op het terrein van de Koninklijke Militaire Academie staat een beeld van een vos om aan te geven waar het schip destijds binnen voer. De vos is hier als symbool voor de sluwheid van de list bedoeld. Gravures zijn er in overvloed. Bijvoorbeeld van Frans Hogenberg van rond 1590, tot een anonieme houtgravure uit de negentiende eeuw. Ook de landkaart van het beleg van Breda van Callot is een gravure en bevat details van de turfschiphistorie. De penningen werden meteen al in 1590 geslagen, ter herinnering aan het turfschipverhaal.
In al deze vormen van kunst (en ook in geschiedschrijvingen) stemt men in de grote lijn van het verhaal goed met elkaar overeen. In de literatuur is het verhaal grotendeels op een traditie gebaseerd. Deze traditie is kort na de gebeurtenis ontstaan, maar een aantal details stammen van latere datum. De verschillen in de hierboven besproken kunstvormen uiten zich via deze details. De meest opvallende verschillen worden hieronder genoemd:
• Bedenker van de list.
In de geschiedschrijvingen en de beide oudstgedrukte bronnen, uit het artikel van Hallema, wordt prins Maurits als bedenker van het plan genoemd. In het Duitse pamflet wordt echter wel de nadruk geheel op de Héraugière gelegd. Een Spaanse vaandeldrager, die een ooggetuige kende en daar verslag van doet, noemt ook prins Maurits. In het toneelstuk van Duym en het gedicht van Van den Bisdom wordt de schipper (resp. Adriaan van Bergen en Willem Jacobs van Bergen) als initiatiefnemer genoemd. A. Delahaye schreef een artikel over het turfschip op basis van archiefonderzoek, waarin hij aansluit bij Duym.
• Duur van het verblijf in het schip.
Duym doet in zijn toneelstuk uitgebreid verslag van de reis van het schip. Hij beschrijft hoe de soldaten last hebben van de vrieskou en dat De Héraugière iedere keer weer de moraal van zijn mannen moet opkrikken. Dit duurt volgens Duym vijf nachten lang, voordat het schip veilig in het kasteel van Breda is. Zowel uit het Franse tractaat als uit het artikel van Delahaye blijkt echter dat de soldaten niet aan een stuk door in het schip hebben gezeten. Toen na inscheping de wind niet gunstig bleek, zijn de soldaten weer ontscheept om weer wat warmer te worden. Nadat de schipper hen een sein gaf, scheepten ze weer in en vertrokken opnieuw.
• Aantal soldaten.
De aantallen, die genoemd worden, variëren van vijfenzestig tot vijfenzeventig. In de meeste geschiedschrijvingen wordt over vijfenzestig man gesproken. A. Hallema schrijft in een van zijn artikelen over het turfschip, dat hij in een officieel stuk (een brief van Floris Heermale) heeft gevonden dat er voor vijfenzeventig soldaten een beloning werd aangevraagd. Van den Bisdom heeft het over zeventig personen. En Y.P.W. van der Werff schrijft in een artikel dat er vijfenzeventig soldaten waren, maar niet hoe hij hier aan komt.
• Doorzoeken van het turfschip.
Meestal wordt er gemeld dat het schip onderzocht wordt, maar dat de soldaten niet worden gevonden. Hierbij is er verschil in de identiteit van de onderzoeker en kan er worden toegevoegd, dat de soldaten door een wonder stil waren op het moment van het onderzoek. Er zijn twee uitzonderingen op deze versie. Het quasi-ooggetuigeverslag van de Spaanse vaandeldrager zegt dat de onderzoekers het schip niet doorzoeken, omdat zij meer aandacht hebben voor het toasten en de geschenken van de schipper. Het Duitse pamflet zegt dat de turfschepen nooit onderzocht werden, dus ook dit keer niet omdat ze de schipper kennen.
• De eerste vijand.
Als de soldaten 's nachts uit het schip komen, komen ze eerst een Italiaanse soldaat tegen. Deze man evolueert van een onnozele turfdief tot een oplettende wachtloper met een voorgevoel. In het begin weet hij niets van de informatie, die De Héraugière wil hebben. Later geeft hij met opzet verkeerde informatie of wordt hij meteen door de Hollanders gedood. Bij een enkeling komt men deze Italiaan niet eens tegen en begint de slag meteen.
• Plaats van vertrek.
Duym laat het turfschip van Klundert vertrekken, terwijl het Franse tractaat het over Fort Noordam heeft. De geschiedschrijvingen noemen voornamelijk Zevenbergen. Delahaye heeft op basis van Bredase archieven geconcludeerd dat de troepen van prins Maurits de strijd in het kasteel van Zevenbergen afwachtten en de troepen van graaf Hohenloh in fort Noordam. Het schip lag waarschijnlijk gereed aan de noordelijke oever van de Mark, vóór de bocht, die de rivier ter plaatse maakt en op ruime afstand van de samenstroming van Mark en Leurse vaart (aldus Delahaye).
• Het paard van Troje.
De vergelijking met het paard van Troje wordt niet altijd gemaakt. Als de vergelijking wel wordt gemaakt is de mate waarin nog heel verschillend. Van den Bisdom besteed er zes regels aan; terwijl Duym de vergelijking steeds terug laat komen en de soldaten liederen laat zingen over de Trojanen, zodat de kijker met het verhaal bekend wordt gemaakt.
Of deze verschillen bepaalde doeleinden kennen, is niet geheel bekend. Sommige hebben te maken met de mode van de tijd, waarin het verhaal werd geschreven. De verandering van de eerste vijand heeft te maken met de wens onze voorouders moediger af te beelden en echte helden van hen te maken.
Hoewel al weer ruim vierhonderd jaar geleden, is de historie van het turfschip in de stad Breda nog steeds terug te vinden. Zo is een van de plaatselijke evenementenhallen 'Het Turfschip' genoemd. Er zijn kroegen met namen als "Turfvaart', die drankjes als 'het Turfschippertje' schenken (ook te koop bij het VVV-kantoor).
W. De Blécourt heeft in zijn werk over volksverhalen uit Noord Brabant een aantal gezegden opgenomen, die op de turfschiphistorie zijn gebaseerd. Breda, Breda! De schimmel is los (Prins Maurits zou op een schimmel hebben gereden toen hij na de gelukte aanslag de stad binnenkwam). Steek me dood, want ik moet hoesten (bekend in verschillende versies, gaat over een soldaat die ziek was door de vrieskou en die zijn makkers, bij het onderzoeken van het schip, niet wilde verraden).
Opmerkelijk is dat dergelijke referenties aan het Turfschipverhaal wel in De Blécourts 'Volksverhalen uit Noord Brabant' staan opgenomen, maar het verhaal zelf als zodanig niet. De lezers worden verondersteld het verhaal te kennen. Mogelijk beschouwde De Blécourt de vertelling meer als historisch feit dan als een volksverhaal; het feit dat het verhaal een historische kern van waarheid bevat, maakt het als volksverhaal blijkbaar minder geschikt.
In 1990 heeft het Breda's museum een tentoonstelling georganiseerd, ter ere van het vierhonderdjarig jubileum van de list met het turfschip. De bijbehorende publicatie is nog steeds te koop en bevat veel informatie over alles wat met het turfschip te maken heeft. De pronkstukken van deze expositie: een model met diorama van het turfschip, een maquette van het kasteel anno 1590 en een landschapsmaquette met de vestingstad Breda van 1590, zijn nog steeds in het pasverhuisde museum te vinden.
Samen met zijn raadsheer, Van Oldenbarnevelt, stelt Maurits een krijgsplan op, waarbij hij gebruik maakt van het turfschip van Adriaan van Bergen, een Leurse turfschipper. Op diens schip wordt een ruimte gemaakt waarin zich 65 soldaten, onder leiding van Charles de Héraugière, verstoppen. In het ruim van het schip wordt een lading turf gelegd. Aangezien dit de gangbare brandstof is, hebben de Spanjaarden (vergezeld van Italiaanse troepen) in het kasteel van Breda deze ook nodig om zich in de barre winter warm te houden.
Op drie maart komt het turfschip van Adriaan van Bergen, met enkele familieleden als bemanning, in Breda aan. Het schip heeft al eerder turf aan het kasteel geleverd en wordt daarom niet grondig onderzocht. Eenmaal binnen de muren, beginnen de soldaten van de wacht het schip te ontladen. Dit schiet zo hard op dat de verstopte soldaten het daglicht door de turf heen beginnen te zien. Van Bergen ziet dit en grijpt in door de soldaten met wat drinkgeld weg te sturen.
De wacht vindt het goed als het lossen de volgende dag pas verder zal gaan, maar dan mag er maar een persoon aan boord blijven. Adriaan van Bergen blijft aan boord en zijn neven verlaten het schip. Zij zullen prins Maurits gaan waarschuwen dat het schip binnen is en dat de aanval na middernacht zal beginnen. Ondertussen moet de schipper aan boord zo veel mogelijk lawaai maken om het gehoest van de soldaten te overstemmen.
Om twaalf uur 's nachts klimmen de soldaten een voor een uit het schip. De groep wordt in tweeën gedeeld. De ene groep moet de wachten bij het noord-westelijk bastion en bij de haven uitschakelen. De andere groep gaat naar de buitenpoort om de toegang tot de stad te verzekeren. Buiten de stad staan legers van prins Maurits, en zijn latere halfzwager graaf Phillipp von Hohenlohe, die zodra dat kan de stad binnenkomen. De stad Breda is dan weer in Hollandse handen.
De list van prins Maurits met het turfschip is een beroemde krijgslist geworden. Hij maakte gebruik van de gewoonte van de turfschippers om met hun turf binnen het kasteel te komen. Er zou dus niets verdachts aan zijn wanneer zij dat weer deden, alleen nu in opdracht van de prins.
Hij liet een aantal soldaten zich in het schip verstoppen. Doordat de wacht van het kasteel nalatig was bij het doorzoeken van het schip werden deze soldaten niet ontdekt. Zo was het mogelijk om in het hol van de leeuw te komen en van daaruit de vijand te overvallen.
Deze krijgslist vertoont opmerkelijke overeenkomsten met de krijgslist van de oude Grieken in hun oorlog met Troje. Het verhaal van het Trojaanse paard verloopt als volgt:
Paris is de zoon van koning Priam. Hij moet een geschil tussen de godinnen Hera, Athena en Aphrodite oplossen. Hij moet kiezen wie van hen de mooiste is. Hera belooft hem macht en rijkdom als hij haar kiest. Athena belooft hem overwinning en roem in de strijd. Aphrodite, ten slotte, belooft hem de liefde van de mooiste vrouw van Griekenland.
Paris kiest Aphrodite. De mooiste vrouw van Griekenland is Helena, de vrouw van koning Menelaos. Als deze naar Creta moet, helpt Aphrodite Paris om Helena mee naar Troje te nemen. Als Menelaos dit na zijn terugkomst merkt, trommelt hij een leger op en gaat hen achterna. Bij Troje aangekomen gaat Menelaos samen met Odysseus als boodschapper naar de stad om Helena terug te eisen. Als dit mislukt vallen de Grieken de stad aan.
Na ongeveer tien jaar oorlog gevoerd te hebben komt Achilles samen met Hector, de broer van Paris, met het voorstel Menelaos met Paris te laten vechten. De winnaar van het gevecht wint de oorlog. Menelaos wint en daarmee zou de oorlog in het voordeel van de Grieken beslist moeten zijn. Maar de goden hebben nog geen zin in het einde van de oorlog en laten hem door gaan in het voordeel van de Trojanen.
De Grieken gaan daarom op zoek naar een breuk in de defensie van de Trojanen. In eerste instantie stelen zij het Palladium. Dit is een beeld, dat Athena aan de Trojanen heeft geschonken. De Trojanen zullen onoverwinnelijk zijn, zolang het Palladium zich in de stad bevindt. Maar het stelen van het beeld blijkt niet voldoende te zijn.
Dan komen de Grieken op het idee een groot paard te bouwen, waar zij een aantal van hun beste krijgers in kunnen verstoppen. De rest van de troepen verbranden hun hutten en schepen zich in. De Trojanen zijn achterdochtig en besluiten op aanraden van de priester Lacoön het paard te vernietigen. De Griekse Sinon doet zich voor als verrader en vertelt koning Priam dat het paard een zoenoffer voor Athena is. Daarnaast wordt Lacoön door twee zeeslangen gedood. Hieruit wordt opgemaakt dat het paard bewaard moet worden en de Trojanen nemen het zoenoffer mee naar hun stad.
's Nachts komen de Grieken uit het paard en overvallen de Trojanen. Dit is niet zo moeilijk, want zij hebben hun 'overwinning' gevierd en liggen hun roes uit te slapen. Sinon geeft de ingescheepte Grieken, die zich verdekt hadden opgesteld, een sein en zij komen snel te hulp. Zo hebben de Grieken de oorlog gewonnen.
De list met het turfschip wordt in de kunst dan ook vaak vergeleken met het paard van Troje. Te beginnen met de oudstgedrukte bronnen, waar A. Hallema in een artikel over heeft gepubliceerd. De eerste bron, een Duits pamflet uit 1590, maakt geen directe vergelijking. Het is een verslag over het voorval. Het is mogelijk dat dit pamflet nog niet de hele waarheid kent, de actie was immers in het diepste geheim voorbereid en er was nog niet veel kennis over verspreid.
De tweede bron is een Franstalig tractaat, ook uit 1590. Hierin wordt wel een vergelijking met het paard van Troje gemaakt. De schrijver vergelijkt de Italiaanse soldaten, die in dienst van de Spanjaarden waren, met de ongelukkige en onvoorbereidde Trojanen en het turfschip met het houten paard van de Grieken. Verder is ook het tractaat een verslag van wat er tijdens de reis en de overval, en wat er na de overval gebeurde.
In de volksoverlevering heeft J.R.W. Sinninghe in 1933 een sage met dit motief in zijn Noord Brabantsch sagenboek opgenomen. De koning van Denemarken wil met de prinses van Schotland trouwen. De koning van Schotland stuurt zijn dochter en een bruidsschat, onder begeleiding van zijn twee broers, per schip naar Denemarken. Onderweg overlijdt de prinses en het schip kan niet verder varen zolang haar lichaam aan boord is. Dus begraven zij haar in zee.
Men durft door deze gebeurtenis echter niet naar Schotland of Denemarken terug te keren. Daarom wordt er een sloep op uitgestuurd om Brabant te gaan verkennen voor woonruimte. De keuze valt op Breda, waar de bemanning vriendelijk onthaald wordt. De broer van de Schotse koning zoekt een landgoed uit en wil dat kopen om er een burcht te bouwen, waar zij kunnnen gaan wonen. De heer van het landgoed wil zijn bezit echter niet verkopen. Toch wordt de burcht gebouwd. Bovendien blijken de Denen niet zachtaardig en plunderen heel de streek.
De hertog van Brabant stelt een leger samen om de Denen te overvallen. Hij laadt een wagen met hooi en lakens, zodat het net is of er lakens vervoerd worden, die de Denen zullen willen overvallen. Dit gebeurt inderdaad, maar het leger van de hertog staat klaar en overvalt de 25 Denen. Soldaten van de hertog trekken de kleren van de Denen aan en worden met de kar bij de burcht binnengelaten. De burcht wordt met de grond gelijk gemaakt.
Op de plaats waar de burcht stond, staat nu het kasteel van Breda.
Volgens W. De Blécourt zijn de sagen van Sinninghe echter vaak geen sagen. Uit zijn artikel 'De volksverhalen van J.R.W. Sinninghe' blijkt dat Sinninghe wel veldwerk deed, maar dat veel van zijn verzamelde volksverhalen regelrecht van geschreven bronnen komen. Dit lijkt ook het geval te zijn met bovengenoemde sage. Sinninghes verhaal is een samenvatting van O Crux Lignum Triumphale. De moderne titel luidt: Het Heilige Kruis en de Denensage. Volgens J.F. Heijbroek is dit fictie, maar volgens Van Goor is dit een historisch feit, dat plaatsvond tussen 840 en 1124. Het handschrift van deze legende en sage stamt uit de vijftiende eeuw. De tekst werd in 1893 in editie uitgegeven door Moltzer en Te Winkel in de serie 'Bibliotheek van Middelnederlandsche Letterkunde'. En delen uit deze teksteditie zijn zo goed als letterlijk in de versie van Sinninghe opgenomen.
Er moet nog een kanttekening geplaatst worden bij deze sage van Sinninghe. In zijn sagencatalogus typeert hij deze sage Das Pferd von Troja (Heuwagen von der Besatzung erobert; Soldaten unterm Heu versteckt; SINSAG 1231) Als er in de sage inderdaad soldaten zich onder het hooi op de wagen verstopt hadden, zou het kloppen dat dit verhaal een variant op het thema is. Maar de soldaten verstoppen zich niet, zij steken zich in de kleren van de vijand en komen op die manier in het hol van de leeuw. Het is dus eigenlijk een heel ander soort krijgslist.
Wel komt het thema van het paard van Troje regelmatig in de kunst en literatuur naar voren. Zo hebben Homerus en Vergilius, respectievelijk in de achtste en de eerste eeuw voor Christus, al uitgebreid over de oorlog tussen de Grieken en Trojanen geschreven. Daarnaast werd er veel kunst, zoals beelden en vazen, gemaakt, waarin details van die oorlog werden uitgebeeld. Maar ook het verhaal van het Turfschip komt, na 1590, in de kunst en literatuur voor. Soms wordt het zelfs met het paard van Troje vergeleken. Hier volgen enkele voorbeelden.
In de dichtkunst zijn er niet veel eigentijdse gedichten te vinden, die van enig belang zijn. In 1590 schreef Caspar van Baerle een gedicht, dat door Prins Maurits zelf geprezen werd. Helaas is dit werk verloren gegaan. In 1593 werd er een gelegenheidsgedicht geschreven door Volkert Westerwolde, wat onder andere als dankbetuiging voor de prins was bedoeld. Ook hierover is verder niet veel bekend. Wat later, in 1624 als Ambrogio Spinola de stad inneemt, herinnert Jacobus Ymmeloot aan de list met het turfschip. In een sonnet, uit 1626, geeft hij hulde aan het kunstvernuft van de verrassing van Breda.
Pieter Nuyts schreef verscheidene gedichten over de stad Breda, waaronder in 1690 ook een over de herovering van Breda. Hij vertelt echter weinig bijzonders over het turfschip. Wel zijn er in zijn werk enkele bijzondere verschillen met het 'historische' verhaal te vinden. Zo schrijft hij het idee aan Charles de Héraugière toe, in plaats van aan prins Maurits. En de schipper Van Bergen leent slechts zijn schip en heeft verder niets met het plan te maken.
Begin negentiende eeuw schrijft H. Cz. Tollens in tachtig vierregelige strofen over het turfschip van Breda. Hij herinnert de lezer ook aan 'Trojes zwangre paard'. Deze romantische weergave lijkt slechts terug te gaan op populaire, deels onnauwkeurige, herinneringen. De list wordt wel toegeschreven aan prins Maurits, maar verder wordt er niemand bij name genoemd.
Er zijn ook enkele toneelstukken op de list met het turfschip gebaseerd. In 1606 schreef Jacob Duym De Cloeck-moedighe ende Stoute daet van het innemen des Casteels van Breda en verlossinghe der Stadt. Onder het beleyd van den Hoogh Gheboren Prins Graaff Maurits van Nassau, etc. Comedische wijse in Dichte ghestelt. Hierin worden de feitelijke gegevens dichterlijk weergegeven. Al in het voorbericht maakt Duym de vergelijking met het paard van Troje. Het hele stuk door komt deze vergelijking veelvuldig naar voren.
Verder bestaan er nog een blijspel van Pieter Bernagie, en een anoniem rijmverhaal (in 1845 door C.R. Hermans opgetekend in Bijdragen tot de geschiedenis, oudheden, letteren, statistiek en beeldende kunsten der provincie Noord Brabant). In 1812 schreef Cornelis van de Vijver een toneelstuk in proza: Het Turfschip van Breda.
Daarnaast zijn er nog toneelspelen, die niet specifiek over de list gaan, maar waar het hoofdverhaal zich in die tijd en omgeving afspeelt. Zo schreef Frouwkje Herbig in 1830 De Verloren Zoon of Breda verrast. Dit is een zedenstuk, waarin de normen en waarden van de Verlichting op het jaar 1590 gespiegeld worden. De zoon van de hoofdrolspeler in dit stuk is een van de soldaten, die het turfschip bemande.
Ten slotte nog enkele voorbeelden van liederen, waarin het type 'paard van Troje' wordt gebruikt. Zo schreef Adriaen van den Bisdom al in 1590 een rederijkerslied over de inname van Breda. Hoewel hij de list van prins Maurits letterlijk met het paard van Troje vergelijkt, werkt hij dit nauwelijks uit. Er worden niet meer dan zes regels aan gewijd. Dit lied is opgenomen in het Het Geuzenliedboek, uitgegeven door P. Leendertz uit het nalatenschap van E.T. Kuiper. Het opvallendste verschil, in vergelijking tot de meeste weergaven van het verhaal, is dat in dit lied wordt beschreven hoe een groep van twintig soldaten op verkenning uitgaat. Zij vinden de Italiaanse soldaat, die hen hier wel precies kan vertellen hoeveel Spaanse en Italiaanse soldaten zich in het kasteel bevinden en hoe deze manschappen hier gesitueerd zijn.
Een aantal eeuwen later, in 1944, duikt er een anoniem verzetslied op ter ere van de bevrijding van Breda door de Polen en Canadezen. In dit lied wordt verteld over de list van prins Maurits, die lijkt op het verhaal van Odysseus' oude list. Na deze herovering van Breda in 1590 volgden meer overwinningen op de Spanjaarden. Zo zullen er, volgens de auteur van het lied, ook meer overwinningen op de Duitsers komen. Breda zou in beide gevallen het begin van het eind van de vijand zijn.
Naast literatuur is er ook in talloze andere kunstvormen gebruik gemaakt van het turfschipverhaal. Zo bestaan er een aantal gedenkpenningen, gravures, tekeningen, beelden, en schilderijen. Het bekendste schilderij in verband met Breda is wel 'Las Lanzas' van Velasquez. Dat gaat echter over het eind van de bevrijding van Breda, namelijk als het door Spinola weer in handen van de Spanjaarden komt. En het Turfschip staat er niet eens op. Wel werd van het turfschip in de achttiende eeuw een anonieme aquarel geschilderd; en door Chr. Rochussen, in 1854, een olieverfschilderij. Hij is een negentiende eeuwse historieschilder.
Zowel in Breda als in Leur is de schipper Adriaen van Bergen door middel van een beeld vereeuwigd. En op het terrein van de Koninklijke Militaire Academie staat een beeld van een vos om aan te geven waar het schip destijds binnen voer. De vos is hier als symbool voor de sluwheid van de list bedoeld. Gravures zijn er in overvloed. Bijvoorbeeld van Frans Hogenberg van rond 1590, tot een anonieme houtgravure uit de negentiende eeuw. Ook de landkaart van het beleg van Breda van Callot is een gravure en bevat details van de turfschiphistorie. De penningen werden meteen al in 1590 geslagen, ter herinnering aan het turfschipverhaal.
In al deze vormen van kunst (en ook in geschiedschrijvingen) stemt men in de grote lijn van het verhaal goed met elkaar overeen. In de literatuur is het verhaal grotendeels op een traditie gebaseerd. Deze traditie is kort na de gebeurtenis ontstaan, maar een aantal details stammen van latere datum. De verschillen in de hierboven besproken kunstvormen uiten zich via deze details. De meest opvallende verschillen worden hieronder genoemd:
• Bedenker van de list.
In de geschiedschrijvingen en de beide oudstgedrukte bronnen, uit het artikel van Hallema, wordt prins Maurits als bedenker van het plan genoemd. In het Duitse pamflet wordt echter wel de nadruk geheel op de Héraugière gelegd. Een Spaanse vaandeldrager, die een ooggetuige kende en daar verslag van doet, noemt ook prins Maurits. In het toneelstuk van Duym en het gedicht van Van den Bisdom wordt de schipper (resp. Adriaan van Bergen en Willem Jacobs van Bergen) als initiatiefnemer genoemd. A. Delahaye schreef een artikel over het turfschip op basis van archiefonderzoek, waarin hij aansluit bij Duym.
• Duur van het verblijf in het schip.
Duym doet in zijn toneelstuk uitgebreid verslag van de reis van het schip. Hij beschrijft hoe de soldaten last hebben van de vrieskou en dat De Héraugière iedere keer weer de moraal van zijn mannen moet opkrikken. Dit duurt volgens Duym vijf nachten lang, voordat het schip veilig in het kasteel van Breda is. Zowel uit het Franse tractaat als uit het artikel van Delahaye blijkt echter dat de soldaten niet aan een stuk door in het schip hebben gezeten. Toen na inscheping de wind niet gunstig bleek, zijn de soldaten weer ontscheept om weer wat warmer te worden. Nadat de schipper hen een sein gaf, scheepten ze weer in en vertrokken opnieuw.
• Aantal soldaten.
De aantallen, die genoemd worden, variëren van vijfenzestig tot vijfenzeventig. In de meeste geschiedschrijvingen wordt over vijfenzestig man gesproken. A. Hallema schrijft in een van zijn artikelen over het turfschip, dat hij in een officieel stuk (een brief van Floris Heermale) heeft gevonden dat er voor vijfenzeventig soldaten een beloning werd aangevraagd. Van den Bisdom heeft het over zeventig personen. En Y.P.W. van der Werff schrijft in een artikel dat er vijfenzeventig soldaten waren, maar niet hoe hij hier aan komt.
• Doorzoeken van het turfschip.
Meestal wordt er gemeld dat het schip onderzocht wordt, maar dat de soldaten niet worden gevonden. Hierbij is er verschil in de identiteit van de onderzoeker en kan er worden toegevoegd, dat de soldaten door een wonder stil waren op het moment van het onderzoek. Er zijn twee uitzonderingen op deze versie. Het quasi-ooggetuigeverslag van de Spaanse vaandeldrager zegt dat de onderzoekers het schip niet doorzoeken, omdat zij meer aandacht hebben voor het toasten en de geschenken van de schipper. Het Duitse pamflet zegt dat de turfschepen nooit onderzocht werden, dus ook dit keer niet omdat ze de schipper kennen.
• De eerste vijand.
Als de soldaten 's nachts uit het schip komen, komen ze eerst een Italiaanse soldaat tegen. Deze man evolueert van een onnozele turfdief tot een oplettende wachtloper met een voorgevoel. In het begin weet hij niets van de informatie, die De Héraugière wil hebben. Later geeft hij met opzet verkeerde informatie of wordt hij meteen door de Hollanders gedood. Bij een enkeling komt men deze Italiaan niet eens tegen en begint de slag meteen.
• Plaats van vertrek.
Duym laat het turfschip van Klundert vertrekken, terwijl het Franse tractaat het over Fort Noordam heeft. De geschiedschrijvingen noemen voornamelijk Zevenbergen. Delahaye heeft op basis van Bredase archieven geconcludeerd dat de troepen van prins Maurits de strijd in het kasteel van Zevenbergen afwachtten en de troepen van graaf Hohenloh in fort Noordam. Het schip lag waarschijnlijk gereed aan de noordelijke oever van de Mark, vóór de bocht, die de rivier ter plaatse maakt en op ruime afstand van de samenstroming van Mark en Leurse vaart (aldus Delahaye).
• Het paard van Troje.
De vergelijking met het paard van Troje wordt niet altijd gemaakt. Als de vergelijking wel wordt gemaakt is de mate waarin nog heel verschillend. Van den Bisdom besteed er zes regels aan; terwijl Duym de vergelijking steeds terug laat komen en de soldaten liederen laat zingen over de Trojanen, zodat de kijker met het verhaal bekend wordt gemaakt.
Of deze verschillen bepaalde doeleinden kennen, is niet geheel bekend. Sommige hebben te maken met de mode van de tijd, waarin het verhaal werd geschreven. De verandering van de eerste vijand heeft te maken met de wens onze voorouders moediger af te beelden en echte helden van hen te maken.
Hoewel al weer ruim vierhonderd jaar geleden, is de historie van het turfschip in de stad Breda nog steeds terug te vinden. Zo is een van de plaatselijke evenementenhallen 'Het Turfschip' genoemd. Er zijn kroegen met namen als "Turfvaart', die drankjes als 'het Turfschippertje' schenken (ook te koop bij het VVV-kantoor).
W. De Blécourt heeft in zijn werk over volksverhalen uit Noord Brabant een aantal gezegden opgenomen, die op de turfschiphistorie zijn gebaseerd. Breda, Breda! De schimmel is los (Prins Maurits zou op een schimmel hebben gereden toen hij na de gelukte aanslag de stad binnenkwam). Steek me dood, want ik moet hoesten (bekend in verschillende versies, gaat over een soldaat die ziek was door de vrieskou en die zijn makkers, bij het onderzoeken van het schip, niet wilde verraden).
Opmerkelijk is dat dergelijke referenties aan het Turfschipverhaal wel in De Blécourts 'Volksverhalen uit Noord Brabant' staan opgenomen, maar het verhaal zelf als zodanig niet. De lezers worden verondersteld het verhaal te kennen. Mogelijk beschouwde De Blécourt de vertelling meer als historisch feit dan als een volksverhaal; het feit dat het verhaal een historische kern van waarheid bevat, maakt het als volksverhaal blijkbaar minder geschikt.
In 1990 heeft het Breda's museum een tentoonstelling georganiseerd, ter ere van het vierhonderdjarig jubileum van de list met het turfschip. De bijbehorende publicatie is nog steeds te koop en bevat veel informatie over alles wat met het turfschip te maken heeft. De pronkstukken van deze expositie: een model met diorama van het turfschip, een maquette van het kasteel anno 1590 en een landschapsmaquette met de vestingstad Breda van 1590, zijn nog steeds in het pasverhuisde museum te vinden.
Literatuur
Teksten: De Blécourt 1980; Buytevest 1590; Leendertz 1925, p.21-25; Moltzer & Te Winkel 1893, 'Nieu Liedeken' 1913; Sinninghe 1933b.
Studies: Beerman 1977; De Blécourt 1981b; Delahaye 1958; Van Duinkerken 1957; Grosveld 1990; Hallema 1925; Heijbroek 1952; Van der Hoeven 1868; Moormann & Uitterhoeve 1992; Van Rooijen 1978; Scherer 1963; Sinninghe 1943a, p. 118; Vosters 1960 en 1992; Van der Werff 1958.
Studies: Beerman 1977; De Blécourt 1981b; Delahaye 1958; Van Duinkerken 1957; Grosveld 1990; Hallema 1925; Heijbroek 1952; Van der Hoeven 1868; Moormann & Uitterhoeve 1992; Van Rooijen 1978; Scherer 1963; Sinninghe 1943a, p. 118; Vosters 1960 en 1992; Van der Werff 1958.
