Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Schot van de kansel

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

AT 1835A* - Gun Accidentally Discharged in Church    AT 1835A* - Gun Accidentally Discharged in Church   

Beschrijving

Gun Accidentally Discharged in Church

Tekst

Het Schot van de Kansel is een (religieuze) anecdote over de preekpraktijk die bij uitstek is opgetekend in het noorden van Europa, met name in de Scandinavische landen, de Baltische landen, Duitsland en Nederland - maar in Nederland alleen in het Friese taalgebied. Gezien de distributie kan Duitsland wellicht beschouwd worden als het kerngebied van de vertelling. De vertelling komt er in het kort op neer dat een geestelijke een vuurwapen mee de kerk in neemt. Tijdens de kerkdienst gaat het wapen per ongeluk af, tot grote schrik van de kerkgangers. De geestelijke redt zich in veel gevallen uit de situatie door aan de gebeurtenis meteen een religieuze lering te verbinden. De oudst overgeleverde versie van het verhaal is te vinden in het anonieme anecdotenboekje Mancherley artige annehmliche Historien und Geschichte, in het jaar 1675 gedrukt in Augsburg. Het verhaal met de titel ‘Der unzeitige Schütz’ gaat over een pastoor die op Paaszondag naar het papegaaischieten wil. Hij laat daartoe zijn geweer repareren bij de wapensmid. Kort voor de kerkdienst haalt hij het geweer op en verbergt het gehaast onder zijn gewaad. Tijdens de kerkdienst laat hij, geknield het Onze Vader biddend, het wapen per ongeluk afgaan, tot schrik van de kerkgangers. Snel stelt hij hen gerust: hij heeft hen slechts willen herinneren aan de donder en bliksem waarmee de opstanding van Christus gepaard ging. Vertellingen waarin een schot gelost wordt van de kansel treffen we vervolgens ook aan in Der politische Maul-Affe van Johann Riemer (1648-1714), gedrukt te Leipzig in 1678, en overgenomen in Der Castrirte Maul-Affe van Antonino Turchetto (de auteur die achter dit pseudoniem schuilgaat is onbekend), gedrukt te Leipzig in 1682. In beide gevallen is de pastoor een wapenliefhebber die kort voor de kerkdienst een vuurwapen koopt. Knielend tijdens het gebed onderzoekt hij het wapen, dat vervolgens afgaat. Een religieuze kwinkslag aan het eind ontbreekt; de geestelijke zet na het incident de eredienst gewoon voort. In het anecdotenboek van de Eulenspiegelische Mercurius (Augsburg 1702) wordt verhaald ‘Wie ein Prediger auf der Cantzel unversehens einen Puffert loßschiesset’. Meteen na het pistoolschot verklaart de pastoor: "Auf solche Weise muß ich die Standhafftigkeit meiner Zuhörern pro-bieren". Verondersteld wordt, dat deze versie niet op literaire voorgangers teruggaat, maar eerder op de Oost-pruisische volksoverlevering. In Dymocritos oder hintergelassene Papiere eines lachenden Philosophen (Stutt-gart 1832) van Karl Julius Weber (1767-1832) wordt kort melding gemaakt van een predikant die een vuurwapen laat afgaan in de kerk. Het AaTh 1835A*-verhaal wordt ook verteld in de bekende novelle Der Schuß von der Kanzel (1877) van de Zwitserse dichter Conrad Ferdinand Meyer (1825-1898). De gebeurtenis is te vinden in het negende hoofdstuk en wordt in de 17e eeuw gesitueerd. Waarschijnlijk heeft de versie uit Der politische Maul-Affe als inspiratiebron gediend. In de novelle geeft een generaal een - met opzet geladen - pistool aan de pastoor, die een groot wapenliefhebber is. Vervolgens moet de pastoor zich ijlings naar de kerk begeven; het wapen heeft hij nog op zak. In het vuur van de preek haalt de pastoor, die met het pistool in zijn broekzak staat te spelen, het wapen tevoorschijn en bij de woorden "Lobet Gott mit großem Schalle!" schiet hij, de kerk vullend met kruitdamp. De ontzetting en wrevel bij de kerkgangers wordt gesust door de generaal, die de pastoor aanspoort de preek voort te zetten. Een religieuze lering naar aanleiding van het schot van de kansel ontbreekt in deze versie. Naast een literaire overlevering kent de vertelling ook een mondelinge traditie als volksverhaal. Deze volksverhalen, die minstens vanaf de tweede helft van de 17e eeuw bestaan moeten hebben, vertonen verschillende variaties. De geestelijke kan zowel een pastoor als een dominee zijn. De gebeurtenis vindt meestal op een willekeurige zondag plaats (en dus niet per sé met Pasen). De geestelijke kan het wapen ’s ochtends tijdens de jacht al hebben gebruikt. Soms heeft de geestelijke zijn gerepareerde vuurwapen ’s ochtends opgehaald bij (of gekregen van) de wapensmid. Het vuurwapen kan een geweer zijn, maar ook een pistool of revolver. De geestelijke weet in sommige gevallen niet dat het wapen geladen is. Tijdens de preek, of bij het knielen voor het gebed, gaat het wapen per ongeluk af - in een enkel geval schiet de geestelijke echter met opzet, of dreigt hij te schieten. Een versie uit Braunschweig verhaalt louter van dominee Johannes uit Scheppau die in het vuur van zijn preek een schot lost; het kogelgat zou nog jarenlang in de kerk te bezichtigen zijn geweest. De anecdote is hier waarschijnlijk een oorsprongssage geworden, die een gat in de kerkmuur verklaart. In veel gevallen redt de geestelijke zich op een komische manier uit de pijnlijke situatie, terwijl soms ook de angstige reactie van de kerkgangers lachwekkend is. In een platduitse versie zegt de dominee na het schot: "Also wird die Welt in Feuer und Flammen vergehen!" In een versie uit Pommern springen de kerkgangers geschrokken op bij het horen van het schot. De dominee zegt hierop: "Also werden auch die Gottlosen am jüngsten Tage auffahren, wenn sie die Posaune des jüngsten Gerichts hören werden." In sommige versies in het Duits en Deens denken de kerkgangers dat de geestelijke opzettelijk geschoten heeft. Spoedig klinkt in de kerk dan de benauwde waarschuwing dat de geestelijke aan het herladen is en opnieuw zal schieten. In Friese versies bestijgt een gehaaste dominee de preekstoel met het jachtgeweer zichtbaar nog op de rug. Om zich uit de situatie te redden, doet hij tijdens de preek alsof hij van plan is om de ongelovigen dood te schieten. Uiteraard haasten de kerkgangers zich om de dominee te verzekeren dat ze hem geloven. Tot slot moet vermeld worden dat een AaTh 1835A*-vertelling in de jaren '60 van de 19e eeuw door Josef Victor Widmann (1842-1911) als ik-vertelling is gehoord van de dominee van Ziegel-hausen, Christoph Schmezer (1800-1882). De vertelling is overigens pas in 1910 opgetekend. Dominee Schmezer zou eens op zaterdag in Heidelberg een speelgoedpistooltje voor zijn zoontje hebben gekocht, om op zondag op de kansel in Ziegelhausen te bemerken dat hij deze nog altijd in zijn zak heeft. Als hij er gedachtenloos mee speelt, gaat het pistooltje ineens af, "Und einen Augenblick ward wirklich, wie es im Jesajatext geheißen hatte, das Haus voll von rauch." Vervolgens wordt door omstanders nuchter vastgesteld dat de dominee slechts een speelgoedpistooltje heeft willen proberen. Ten onrechte is wel verondersteld dat deze anecdote de inspiratiebron is geweest voor de novelle Der Schuß von der Kanzel van C.F. Meyer. Niet geheel zonder reden is wel vermoed dat de anecdote van Ziegelhausen op een journalistieke dwaling heeft berust. Onderzoeker Wolfgang Merckens is er echter van overtuigd dat de Ziegelhausen-geschiedenis werkelijk heeft plaatsgehad. Toch lijkt het niet volledig uitgesloten dat ook dit verhaal in de volkstraditie wortelt en dat dominee Schmezer zich een traditionele anecdote heeft toegeëigend en deze in aangepaste vorm als persoonlijke belevenis heeft gepresenteerd (een procédé dat door onderzoekers als Linda Dégh en Bill Ellis wordt aangeduid als proto-ostension). Humor moet het vaak hebben van grensoverschrijding, en bestaat bij de gratie van taboes. De kerk geldt sinds jaar en dag als het huis van God en als een gewijde plaats van vrede, waarin het dragen en hanteren van wapens taboe is. In verhalen als AaTh 1835A* wekt de overtreding van het wapenverbod de lachlust, als juist de religieuze voorganger zich niet aan de regels houdt, maar er tegelijkertijd in slaagt om zijn onwaardige gedrag te rechtvaardigen met een beroep op de Bijbel of de christelijke leer. Met de toenemende ontkerkelijking en secularisering sinds de tweede helft van de 20e eeuw lijkt een anecdote als AaTh 1835A* veel van zijn betekenis en aantrekkingskracht te hebben verloren.

Literatuur

Blätter für Pommersche Volkskunde 8 (1900), p. 114 f., nr. 15; Dykstra 1882; Grüner 1964 p.298, nr.547 ; Van der Kooi & Schuster 1993, nr. 180; Kristensen 1885, p.102 e.v.; Kristensen 1899, p. 32, nr. 83, en p. 38-40, nr. 104-108; Merckens 1957; Meyer 1925, p. 274, nr. 181; Poortinga 1982, p. 233-235 (nr. 186) en p. 363; Ranke 1972, p. 126 (nr. 203) en p. 186-187; Ranke 1978, p.207-211; Wisser 1927, p. 142, nr. 36.