Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Kiste Trui en de Slag op de Mookerhei

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

SINSAG 1251 - Die begrabene Kriegskasse; begraben während des Kampfes (Krieges).    SINSAG 1251 - Die begrabene Kriegskasse; begraben während des Kampfes (Krieges).   

Tekst

Kiste Trui en de Slag op de Mookerhei
De Mookerheide is in het historisch bewustzijn onlosmakelijk verbonden met de noodlottig verlopen strijd die er op 14 april 1574 plaats had: de Slag op de Mookerhei. Een huurleger onder leiding van hertog Christoffel van de Paltz en graaf Lodewijk van Nassau was ter hoogte van Maastricht de Lage Landen binnen gevallen om de opstand tegen de Spanjaarden te ondersteunen. Ter rechterzijde van de Maas trokken de troepen noordwaarts tot Mook, waar hen de pas werd afgesneden door de vijand. Op de Mookerheide kwam het tot een treffen tussen de legers. Van het kamp van de opstandelingen lieten duizenden huurlingen het leven op het slagveld en in de nabij gelegen moerassen. Lodewijk van Nassau en zijn jongere broer Hendrik moesten het eveneens met de dood bekopen. De rooms-katholieke geestelijke Henri Welters verwijst in zijn Limburgsche legenden, sagen, sprookjes en volksverhalen zo’n vierhonderd jaar later naar een historische sage, opgetekend door de Waalse geschiedschrijver Renom de France. In de versie van De France hadden (aldus Welters) Van de Paltz en de gebroeders Van Nassau heiligschennis gepleegd door op Goede Vrijdag een feestmaal aan te richten in een klooster, waarbij ze wijn vermengd met de heilige speciën uit miskelken dronken. Hun leger werd vijf dagen na deze daad op de Mookerheide door de katholieke Spanjaarden in de pan gehakt. De duivel verscheen vanuit de lucht en voerde de aanvoerders met zich mee. Welters verhaalt verder over een vertelling van een verborgen schat uit de omgeving van Mook. De Franse krijgskas van Lodewijk van Nassau zou tijdens de slag in een schuur op de Riethorst, onder de rook van Middelaar, zijn verstopt.
In zijn Limburgsch Sagenboek (1938) voegt J.R.W. Sinninghe tal van details aan het verhaal toe. Van Nassau beval de ijzeren kist te begraven, omdat zijn huurlingen op de vlucht leken te slaan. Degenen die er weet van hadden stikten in het moeras. Nachtelijke voorbijgangers hoorden later klagende stemmen op de spookachtige plek en zagen er lichtjes uit de grond komen. Geen sterveling durfde het aan om de kist met geld op te graven. Ze vreesden de terugkerende doden, die de zielenmissen moesten ontberen waarvoor het uit kloosters en kerken gestolen geld eigenlijk bedoeld was geweest. Sinninghe verbindt dit relaas met een sage over de zoektocht naar de schat. Op zekere dag stuitte een stroper uit Groesbeek op de kist, maar vergat de regel die schatgravers gebiedt over de vondst te zwijgen. ‘Ik heb ze in de hand’, riep de man verheugd. En plotsklaps was daar een rood mannetje, de duivel, met de uitroep: ‘Ik heb ze met den tand’. Zo ontglipte de Groesbeker de schatkist, want deze verzonk diep in de aarde.
De zoektocht wordt voortgezet in de sage van Kiste Trui, weergegeven door Welters. Een vrouw uit Middelaar werd door haar verlangen de schatkist te vinden tot waanzin gedreven. Aan de drijfveer die haar leven beheerste, dankte ze haar bijnaam Kiste Trui. Omdat ze dacht dat de rode duivel afgeschrikt zou worden door een geestelijke, drong ze er telkenmale bij de pastoor op aan dat hij mee zou helpen de schat op te graven. Inwoners van Middelaar spreken vandaag de dag over Kiste Trui als een zwijgzame en zonderlinge vrouw, die almaar op zoek was naar de schat. Met een schop over haar schouder doolde ze bij nacht en ontij rond. Het plaatselijk café is naar Kiste Trui vernoemd, al spreken de dorpelingen kortweg van ‘de Kist’.
Een standbeeld van Kiste Trui heeft, tegen de wens van de dorpsbewoners, een plaats gekregen voor het gemeentehuis in buurdorp Mook. De rivaliteit tussen de twee delen van de gemeente Mook en Middelaar, in het verleden gescheiden door de grens tussen Gelre en Kleef, stak de kop op bij de onthulling van het beeld in 1977. Mook eiste Kiste Trui op, terwijl de sage verbonden was met de Riethorst in het gebied van Plasmolen en Middelaar. Uit verbolgenheid hierover poogde men in de nacht voor de officiële plechtigheid het beeld te ontvoeren. Het plan mislukte. De onthulling ging echter gepaard met een protestdemonstratie, waarin spandoekteksten meegevoerd werden zoals ‘Als Kiste Trui dit had geweten, had ze haar tijd niet zo versleten.’ De zonderlinge vrouw werd door VVV, gemeente en horeca ingezet om toeristen te lokken. Zo had kunstenaar Peter Roovers in 1976 een beeldje van Kiste Trui vervaardigd in opdracht van de VVV, waarvan sindsdien reproducties te koop worden aangeboden. De gemeente liet Roovers het beeldje op groter formaat als bronzen standbeeld uitvoeren. Recent brachten ondernemers uit de horeca een miniatuur schatkist in omloop; met de ‘dukaten’ kan bij de leden van ‘Het Gilde van Kiste Trui’ betaald worden. Een camping en recreantenhaven aan de nabij de Riethorst uitgegraven Mookerplas draagt de naam ‘Eldorado’ (goudland), een verwijzing naar de Spanjaarden en de verborgen schat.
Ook het opschrift ‘Die Swaere Noodt’ van een woonhuis aan de voet van de Mookerheide verwijst naar de noodlottige slag. Felix Rutten nam het als titel van een fantasierijk verhaal in zijn Limburgsche sagen (1917). Daarin verwerkte hij de reeds door Welters gepubliceerde sage over een toekomstige veldslag op de Mookerheide. Een ander bouwwerk te Mook dat wel in verband gebracht wordt met de slag uit 1574 betreft het kapelletje van Onze Lieve Vrouwe van de Dwaallichtjes. Het zou rust gebracht hebben in het Mookse en Middelaarse broek, waar in de donkere tijden van het jaar vlammetjes of dwaallichtjes aan het moeras ontstegen: de rusteloze zielen van de gesneuvelden in de slag op de Mookerheide.
De oudst bekende versie van de sage van Kiste Trui werd gepubliceerd door Welters in 1875. Hij vermeldt géén bron, maar het blijft mogelijk dat Welters zich baseerde op een mondelinge versie die in het Mookse de ronde deed. Ook navolgende samenstellers van Limburgse sagenbundels, zoals A.F. van Beurden, Felix Rutten, Pierre Kemp en J.R.W. Sinninghe, namen een lezing van dit verhaal op. Sinninghe opent er zijn Limburgsch Sagenboek mee. Hij komt met de meest uitvoerige versie en presenteert ook een andere versie over het verdwijnen van de schat. Een joodse opkoper van oorlogsbuit in het kielzog van de troepen zou de kist met soldij bemachtigd hebben. Hij begroef de geldkist, maar kon deze nooit meer ophalen omdat hij in Spaanse handen viel en werd opgehangen. Voor het overige doen sterke overeenkomsten in woordkeus vermoeden dat Sinninghe bij zijn hervertelling van de sage leunt op de versie van Kemp, die op zijn beurt weer schatplichtig is aan Welters. In plaats van een mondelinge traditie hebben we hier in hoge mate te maken met een zogeheten ‘papieren sage’.
Lokaal hebben mensen het verhaal van Kiste Trui, dat eigenlijk alleen nog uit schriftelijke bron bekend was, weer toegeëigend. De verwensing ‘loop naar de Mookerhei!’ is door de commercie zelfs aangegrepen als een aanbeveling.

Literatuur

Willem de Blécourt, Ruben A. Koman. Jurjen van der Kooi & Theo Meder: verhalen van Stad en Streek. Sagen en Legenden in Nederland. Amsterdam 2010, p. 557-558.