Onderwerp
AT 1655 - The Profitable Exchange   
Beschrijving
The Profitable Exchange
Tekst
Het verhaal van de profijtelijke ruil bestaat als diersprookje en als grappig sprookje. In het diersprookje wordt de rol van trickster in veel gevallen gespeeld door een vos, die geen genade kent voor de prooidieren, en die hen met brutale trucs en beschuldigingen weet te verruilen voor nog kostbaarder prooidieren. In het grappige sprookje - dat een bredere geografische verspreiding kent dan het diersprookje - is de hoofdrol doorgaans weggelegd voor een (al dan niet schalkse) mens.
Het diersprookje staat internationaal bekend als ATU 170, The Fox Eats His Fellow-Lodgers, en staat in feite gelijk aan het motief K443.7, Fox eats his fellow-lodger: accuses another and demands damages. Het verhaal verloopt globaal aldus:
Een vos brengt de nacht door op een boerderij of in het huis van een haan. De vos maakt zijn eigen schoen kapot en beschuldigt de haan (gans) hiervan, waarna hij de haan opeist als compensatie voor de geleden schade. In een volgend onderkomen eet de vos de haan op en geeft de bok (het schaap) de schuld. De vos eist de bok op. In het daaropvolgende huis beweert de vos dat de os de bok heeft opgegeten, en krijgt hij de os mee. En uiteindelijk eindigt de vos met een paard in zijn bezit.
Het diersprookje kent een behoorlijke verspreiding en is gevonden in Finland, de Baltische staten, Ierland, Duitsland, delen van Zuid-Europa, zuidelijke Russische republieken als Oekraine, Dagestan, Ossetië en Georgië, in grote delen van het Midden-Oosten, in Marokko, Madagascar, Laos en het Caraibisch gebied.
Versies uit Georgië beginnen met het motief dat de vos over een korenaar beschikt, waarvan gegeten wordt door de haan. Vervolgens mag de vos de haan meenemen (motief K251.1, The eaten grain and the cock as damages). In de versies blijkt goed, hoezeer de vos actief meewerkt aan zijn eigen gewin, als hij 's nachts in de stal zijn haan op de hoorn van een vet schaap, en later zijn schaap op de hoorn van een os spiest. Aan het eind mag de vos de jongste dochter van de weduwe (of de prinses) meenemen, die in een zak gestopt wordt, maar nadien verwisseld wordt door één of meer honden die de vos uiteindelijk bijten. De motieven van het graan en van het meisje in de zak verenigen als het ware de dierversie en de mensenversie. Laatstgenoemde staat internationaal bekend als ATU 1655, The Profitable Exchange en verloopt globaal aldus:
Een eenvoudige man bezit of verwerft een graankorrel (erwt, boon, maiskolf, splinter, doorn etc.). Als de haan (muis) de graankorrel opeet, eist en krijgt de man de haan. Als de haan door het varken (ram, bok, kat) wordt gedood, krijgt hij het varken. Voor het varken krijgt hij vervolgens een koe (stier, os, ezel), en voor de koe uiteindelijk een paard.
Hier kan het verhaal dan eindigen, maar in veel gevallen gaat het verder met een episode van bruidverwerving. Soms maakt het meisje aan het slot gewoon deel uit van de reguliere ruil-sequentie. In andere gevallen beschikt de held (via ruil) uiteindelijk over een lijk en weet met een truc de prinses van moord te beschuldigen, waarop zij met de held trouwt om een schandaal te voorkomen.
Er is echter ook een slot mogelijk, waarbij het geluk uiteindelijk teniet wordt gedaan. De held verwerft via ruilen een bruid (meisje, prinses), en hij stopt haar in een zak. Andere mensen verwisselen haar met een agressieve hond (ratten, muizen, kat, slang etc.), en als de held de zak open doet, wordt hij aangevallen (wordt hem de neus afgebeten) en moet hij vluchten.
Dit grappige sprookje kent een nagenoeg wereldwijde verspreiding: in Europa van Finland tot Malta en van de Faroër eilanden tot Turkije, ook in de diaspora van de zigeuner- en de joodse cultuur, in Rusland tot in Mongolië en in zuidelijke republieken als Oekraïne en Dagestan, in grote delen van het Midden-Oosten, in Afrika van Libië tot Kongo en van Togo tot Madagascar, in Azië van Pakistan en India tot Japan en op het Noord- en Zuid-Amerikaanse continent, zowel bij de culturen van de indianen als die van de kolonisten.
In de ATU 1655-vertelling van de profijtelijke ruil is de hoofdrolspeler bijna altijd een mens, maar soms een dier (haan, vogel, muis, haas, rat). Verder kan de volgorde en de aard van de te ruilen dieren wisselen, maar gewoonlijk verwerft de held steeds een kostbaarder dier. Naast dat er dieren worden uitgeruild, kunnen er ook allerlei voorwerpen worden verruild, zoals een kaars, brood, melk, water, uien, een mes, een ketel, een zwaard, een visnet, oliekruiken of een spijl uit een tuinhek. De hele ruil-sequentie doet qua vormgeving regelmatig aan een kettingsprookje denken. Onderzoek in Canada leerde Lacourcière dat de vertelling vooral aan kinderen verteld werd, en vaker door vrouwen dan door mannen.
In Afrika en het Caraibisch gebied kan de persoon van de trickster veranderen in de traditionele spin Anansi (Nancy). In een Braziliaanse versie heet de hoofdrolspeler (vrij vertaald) nog altijd veelzeggend Peter Schlaufuchs.
Een Friese en enkele Duitse versies eindigen met het toversprookjes-element van de 'kleefmagie' (ATU 571, "All Stick Together"). De held trouwt dan met de prinses die om de onvrijwillige stoet heeft moeten lachen. In Oost-Europese versies eindigt de vertelling regelmatig met The wild animals on the sleigh (ATU 158): verschillende dieren rijden mee op de slee totdat hij panne krijgt. Zonder dat de held het weet eten de dieren het paard op en zetten ze het paardenvel op, gevuld met stro. In een Siciliaanse versie wordt de koster uiteindelijk in zijn neus gebeten door de hond, waarop hij om hondenharen vraagt om het bloeden te stelpen, maar de hond vraagt om brood, waarna er een hele keten van opdrachten volgt (ATU 2034F, The Clever Animal and the Fortunate Exchanges).
In bepaalde versies wordt de profijtelijke ruil actief door list en bedrog afgedwongen, maar in veel versies lijkt er sprake van een even wonderlijke als natuurlijke loop der dingen zonder enige bedrieglijke opzet, terwijl in sommige Japanse versies het tevens een gevolg kan zijn van een gebed: een arme jongen bidt om geluk of rijkdom, en zijn gebed wordt verhoord.
Mogelijk de oudste westerse voorloper van De Profijtelijke Ruil bevindt zich in de eerste 400 verzen van de Oudfranse fabliau Trubert van Douin de Lavesne (13e eeuw). De onnozele Trubert verlaat zijn moeders huis om een koe te gaan verkopen, maar krijgt daar veel te weinig geld voor. Vervolgens koopt hij een geit voor teveel geld, maar nu begint de trickster in hem te ontwaken. Voor zijn resterende geld laat hij de geit in vele kleuren schilderen, waarna de hertogin het dier mag kopen in ruil voor seks en geld. Omdat het tweetal gestoord wordt door de hertog, krijgt Trubert veel geld èn zijn geit weer, waarna de hertog er belangstelling voor toont. Trubert vraagt weer geld en vier haren uit het achterwerk van de hertog, maar dit blijkt uiteindelijk zo pijnlijk te zijn, dat Trubert met een enorm bedrag naar huis mag keren, tot groot genoegen van zijn moeder. In de rest van de fabliau (in totaal bijna 3000 verzen) keert Trubert vermomd naar het hof terug om de hertog te duperen, en houdt er geld, seks en een riddertitel aan over.
De Refs Saga, die onderdeel uitmaakt van de IJslandse Gautreks Saga (eind 13e eeuw), vertoont ook bepaalde overeenkomsten met De Profijtelijke Ruil. In deze Saga is het de luie boerenzoon Ref (IJslands refr = vos), die vanuit zijn vaders huis op pad gaat met een os en aanvankelijk ongunstig ruilt, net zoals in Gelukkige Hans. De os wordt namelijk geruild voor een wetsteen en wat goede raad. Daarna wordt de ruilhandel - mede dankzij de goede raad - echter steeds profijtelijker, want de wetsteen wordt geruild voor een gouden ring. De ring wordt geruild voor twee hondjes met ringen aan een ketting om hun hals, die op hun beurt weer geruild worden voor een schip met bemanning en lading, alsmede een gouden helm en maliënkolder. Helm en maliënkolder worden geruild voor een vloot. Koning Gautrek is zo onder de indruk van de vloot dat hij Ref de hand van zijn dochter Helga aanbiedt, en hem tevens land en de titel van graaf schenkt.
Er kunnen ook vroege versies van ATU 1655 in Japan worden aangewezen. Als oudste bronnen worden genoemd de Konjaku monogatari (Vertellingen uit de Verleden Tijd, ca. 1050 AD) en het verhaal over Warashibe Chooja (Rijke Heer Strohalm) uit de Uji Shuui Gata (ca. 1200). De verhalen beginnen er telkens mee dat een arme of luie jongen de wereld intrekt met een stuk stro, en na de nodige ruilacties eindigt als bezitter van een landgoed, of als iemand die door de koning rijkelijk beloond wordt. Het is natuurlijk zeer de vraag of de oosterse verhalen al zo vroeg de westerse verhalen hebben kunnen beïnvloeden (of omgekeerd); wellicht moeten we in dit geval besluiten tot polygenese en veronderstellen dat de westerse en de oosterse tak in een later stadium bij elkaar zijn gekomen. Een plot over een fortuinlijke ruil is niet zo ingewikkeld dat hij niet op verschillende plaatsen bedacht zou kunnen worden.
In de vertelling van de profijtelijke ruil gebeurt welbeschouwd het omgekeerde als in het reeds genoemde grappige sprookje Gelukkige Hans (ATU 1415), waarin de naieve held waardevolle zaken tegen steeds minder waardevolle ruilt - en daar toch gelukkig onder blijft. Iets soortgelijks gebeurt ook in H.C. Andersens Wat Vader Doet, Is Altijd Goed, waarin elke ruil steeds ongunstig uitvalt (van paard naar koe, schaap, gans, kip en een zak rotte appels), maar waarin een laatste weddenschap weer gunstig afloopt.
Het volksverhaal van de profijtelijke ruil heeft niet al te veel wetenschappelijke belangstelling gekregen.
Oude bronnen alsmede het thema van de vos als traditionele trickster doen een Europese herkomst van ATU 170 en ATU 1655 vermoeden, al bestaat er op dit punt geen zekerheid: een westerse en oosterse polygenese van ATU 1655 behoort evengoed tot de mogelijkheden. Het is bepaald aannemelijk dat zowel diersprookje als grappig sprookje oorspronkelijk met het hoogst haalbare afsloten : een kostbaar dier, een aanzienlijke bruid of grote rijkdom. Hiermee werd dan de inventiviteit van de trickster ten volle beloond of het geluk van de held ten volle tentoon gespreid. De vertelling bevat hiermee komische elementen, die later wellicht als minder humoristisch werden ervaren.
De episode met de 'moord' op het lijk, waarmee de bruid verworven wordt, zal van later datum zijn, onder invloed van bijvoorbeeld Grote Klaas en Kleine Klaas (ATU 1535, Unibos), waarin ook compensatie gevraagd wordt voor het 'doden' van een lijk. De episode met het lijk komt het meest voor in het Midden-Oosten en Afrika.
De episode van de ontvoering in een zak, het uit de zak halen van een persoon en verwisselen voor iets anders, zou later ontleend kunnen zijn aan bijvoorbeeld The Devil (Witch) Carries the Hero Home in a Sack (ATU 327C). De held(in) wordt hierin bevrijd uit de zak, waarin vervolgens waardeloze voorwerpen (mest, modder, doorntakken) of dieren (kat) worden gestopt. Christiansen denkt waarschijnlijk terecht dat het om een latere Zuid-Europese toevoeging gaat.
Met name de latere toevoeging van de episode met de valse hond in de zak moet de (toch humoristisch bedoelde) vertelling van de profijtelijke ruil kennelijk een relativerend en moreel wellicht bevredigender slot meegeven: het lukt de schelm weliswaar voor langere tijd om de situatie in zijn eigen voordeel naar zijn hand te zetten, maar aan het slot wordt hij dan toch gestraft voor zijn inhaligheid en heeft hij nog minder dan in het begin: "so kehre ich ärmer heim, als ich auszog" is de terechte conclusie van een Italiaanse versie. Al te opportunistisch en egoistisch gedrag wordt met dit slot, vanuit een morele hang naar eerlijkheid en rechtvaardigheid, afgestraft.
Het diersprookje staat internationaal bekend als ATU 170, The Fox Eats His Fellow-Lodgers, en staat in feite gelijk aan het motief K443.7, Fox eats his fellow-lodger: accuses another and demands damages. Het verhaal verloopt globaal aldus:
Een vos brengt de nacht door op een boerderij of in het huis van een haan. De vos maakt zijn eigen schoen kapot en beschuldigt de haan (gans) hiervan, waarna hij de haan opeist als compensatie voor de geleden schade. In een volgend onderkomen eet de vos de haan op en geeft de bok (het schaap) de schuld. De vos eist de bok op. In het daaropvolgende huis beweert de vos dat de os de bok heeft opgegeten, en krijgt hij de os mee. En uiteindelijk eindigt de vos met een paard in zijn bezit.
Het diersprookje kent een behoorlijke verspreiding en is gevonden in Finland, de Baltische staten, Ierland, Duitsland, delen van Zuid-Europa, zuidelijke Russische republieken als Oekraine, Dagestan, Ossetië en Georgië, in grote delen van het Midden-Oosten, in Marokko, Madagascar, Laos en het Caraibisch gebied.
Versies uit Georgië beginnen met het motief dat de vos over een korenaar beschikt, waarvan gegeten wordt door de haan. Vervolgens mag de vos de haan meenemen (motief K251.1, The eaten grain and the cock as damages). In de versies blijkt goed, hoezeer de vos actief meewerkt aan zijn eigen gewin, als hij 's nachts in de stal zijn haan op de hoorn van een vet schaap, en later zijn schaap op de hoorn van een os spiest. Aan het eind mag de vos de jongste dochter van de weduwe (of de prinses) meenemen, die in een zak gestopt wordt, maar nadien verwisseld wordt door één of meer honden die de vos uiteindelijk bijten. De motieven van het graan en van het meisje in de zak verenigen als het ware de dierversie en de mensenversie. Laatstgenoemde staat internationaal bekend als ATU 1655, The Profitable Exchange en verloopt globaal aldus:
Een eenvoudige man bezit of verwerft een graankorrel (erwt, boon, maiskolf, splinter, doorn etc.). Als de haan (muis) de graankorrel opeet, eist en krijgt de man de haan. Als de haan door het varken (ram, bok, kat) wordt gedood, krijgt hij het varken. Voor het varken krijgt hij vervolgens een koe (stier, os, ezel), en voor de koe uiteindelijk een paard.
Hier kan het verhaal dan eindigen, maar in veel gevallen gaat het verder met een episode van bruidverwerving. Soms maakt het meisje aan het slot gewoon deel uit van de reguliere ruil-sequentie. In andere gevallen beschikt de held (via ruil) uiteindelijk over een lijk en weet met een truc de prinses van moord te beschuldigen, waarop zij met de held trouwt om een schandaal te voorkomen.
Er is echter ook een slot mogelijk, waarbij het geluk uiteindelijk teniet wordt gedaan. De held verwerft via ruilen een bruid (meisje, prinses), en hij stopt haar in een zak. Andere mensen verwisselen haar met een agressieve hond (ratten, muizen, kat, slang etc.), en als de held de zak open doet, wordt hij aangevallen (wordt hem de neus afgebeten) en moet hij vluchten.
Dit grappige sprookje kent een nagenoeg wereldwijde verspreiding: in Europa van Finland tot Malta en van de Faroër eilanden tot Turkije, ook in de diaspora van de zigeuner- en de joodse cultuur, in Rusland tot in Mongolië en in zuidelijke republieken als Oekraïne en Dagestan, in grote delen van het Midden-Oosten, in Afrika van Libië tot Kongo en van Togo tot Madagascar, in Azië van Pakistan en India tot Japan en op het Noord- en Zuid-Amerikaanse continent, zowel bij de culturen van de indianen als die van de kolonisten.
In de ATU 1655-vertelling van de profijtelijke ruil is de hoofdrolspeler bijna altijd een mens, maar soms een dier (haan, vogel, muis, haas, rat). Verder kan de volgorde en de aard van de te ruilen dieren wisselen, maar gewoonlijk verwerft de held steeds een kostbaarder dier. Naast dat er dieren worden uitgeruild, kunnen er ook allerlei voorwerpen worden verruild, zoals een kaars, brood, melk, water, uien, een mes, een ketel, een zwaard, een visnet, oliekruiken of een spijl uit een tuinhek. De hele ruil-sequentie doet qua vormgeving regelmatig aan een kettingsprookje denken. Onderzoek in Canada leerde Lacourcière dat de vertelling vooral aan kinderen verteld werd, en vaker door vrouwen dan door mannen.
In Afrika en het Caraibisch gebied kan de persoon van de trickster veranderen in de traditionele spin Anansi (Nancy). In een Braziliaanse versie heet de hoofdrolspeler (vrij vertaald) nog altijd veelzeggend Peter Schlaufuchs.
Een Friese en enkele Duitse versies eindigen met het toversprookjes-element van de 'kleefmagie' (ATU 571, "All Stick Together"). De held trouwt dan met de prinses die om de onvrijwillige stoet heeft moeten lachen. In Oost-Europese versies eindigt de vertelling regelmatig met The wild animals on the sleigh (ATU 158): verschillende dieren rijden mee op de slee totdat hij panne krijgt. Zonder dat de held het weet eten de dieren het paard op en zetten ze het paardenvel op, gevuld met stro. In een Siciliaanse versie wordt de koster uiteindelijk in zijn neus gebeten door de hond, waarop hij om hondenharen vraagt om het bloeden te stelpen, maar de hond vraagt om brood, waarna er een hele keten van opdrachten volgt (ATU 2034F, The Clever Animal and the Fortunate Exchanges).
In bepaalde versies wordt de profijtelijke ruil actief door list en bedrog afgedwongen, maar in veel versies lijkt er sprake van een even wonderlijke als natuurlijke loop der dingen zonder enige bedrieglijke opzet, terwijl in sommige Japanse versies het tevens een gevolg kan zijn van een gebed: een arme jongen bidt om geluk of rijkdom, en zijn gebed wordt verhoord.
Mogelijk de oudste westerse voorloper van De Profijtelijke Ruil bevindt zich in de eerste 400 verzen van de Oudfranse fabliau Trubert van Douin de Lavesne (13e eeuw). De onnozele Trubert verlaat zijn moeders huis om een koe te gaan verkopen, maar krijgt daar veel te weinig geld voor. Vervolgens koopt hij een geit voor teveel geld, maar nu begint de trickster in hem te ontwaken. Voor zijn resterende geld laat hij de geit in vele kleuren schilderen, waarna de hertogin het dier mag kopen in ruil voor seks en geld. Omdat het tweetal gestoord wordt door de hertog, krijgt Trubert veel geld èn zijn geit weer, waarna de hertog er belangstelling voor toont. Trubert vraagt weer geld en vier haren uit het achterwerk van de hertog, maar dit blijkt uiteindelijk zo pijnlijk te zijn, dat Trubert met een enorm bedrag naar huis mag keren, tot groot genoegen van zijn moeder. In de rest van de fabliau (in totaal bijna 3000 verzen) keert Trubert vermomd naar het hof terug om de hertog te duperen, en houdt er geld, seks en een riddertitel aan over.
De Refs Saga, die onderdeel uitmaakt van de IJslandse Gautreks Saga (eind 13e eeuw), vertoont ook bepaalde overeenkomsten met De Profijtelijke Ruil. In deze Saga is het de luie boerenzoon Ref (IJslands refr = vos), die vanuit zijn vaders huis op pad gaat met een os en aanvankelijk ongunstig ruilt, net zoals in Gelukkige Hans. De os wordt namelijk geruild voor een wetsteen en wat goede raad. Daarna wordt de ruilhandel - mede dankzij de goede raad - echter steeds profijtelijker, want de wetsteen wordt geruild voor een gouden ring. De ring wordt geruild voor twee hondjes met ringen aan een ketting om hun hals, die op hun beurt weer geruild worden voor een schip met bemanning en lading, alsmede een gouden helm en maliënkolder. Helm en maliënkolder worden geruild voor een vloot. Koning Gautrek is zo onder de indruk van de vloot dat hij Ref de hand van zijn dochter Helga aanbiedt, en hem tevens land en de titel van graaf schenkt.
Er kunnen ook vroege versies van ATU 1655 in Japan worden aangewezen. Als oudste bronnen worden genoemd de Konjaku monogatari (Vertellingen uit de Verleden Tijd, ca. 1050 AD) en het verhaal over Warashibe Chooja (Rijke Heer Strohalm) uit de Uji Shuui Gata (ca. 1200). De verhalen beginnen er telkens mee dat een arme of luie jongen de wereld intrekt met een stuk stro, en na de nodige ruilacties eindigt als bezitter van een landgoed, of als iemand die door de koning rijkelijk beloond wordt. Het is natuurlijk zeer de vraag of de oosterse verhalen al zo vroeg de westerse verhalen hebben kunnen beïnvloeden (of omgekeerd); wellicht moeten we in dit geval besluiten tot polygenese en veronderstellen dat de westerse en de oosterse tak in een later stadium bij elkaar zijn gekomen. Een plot over een fortuinlijke ruil is niet zo ingewikkeld dat hij niet op verschillende plaatsen bedacht zou kunnen worden.
In de vertelling van de profijtelijke ruil gebeurt welbeschouwd het omgekeerde als in het reeds genoemde grappige sprookje Gelukkige Hans (ATU 1415), waarin de naieve held waardevolle zaken tegen steeds minder waardevolle ruilt - en daar toch gelukkig onder blijft. Iets soortgelijks gebeurt ook in H.C. Andersens Wat Vader Doet, Is Altijd Goed, waarin elke ruil steeds ongunstig uitvalt (van paard naar koe, schaap, gans, kip en een zak rotte appels), maar waarin een laatste weddenschap weer gunstig afloopt.
Het volksverhaal van de profijtelijke ruil heeft niet al te veel wetenschappelijke belangstelling gekregen.
Oude bronnen alsmede het thema van de vos als traditionele trickster doen een Europese herkomst van ATU 170 en ATU 1655 vermoeden, al bestaat er op dit punt geen zekerheid: een westerse en oosterse polygenese van ATU 1655 behoort evengoed tot de mogelijkheden. Het is bepaald aannemelijk dat zowel diersprookje als grappig sprookje oorspronkelijk met het hoogst haalbare afsloten : een kostbaar dier, een aanzienlijke bruid of grote rijkdom. Hiermee werd dan de inventiviteit van de trickster ten volle beloond of het geluk van de held ten volle tentoon gespreid. De vertelling bevat hiermee komische elementen, die later wellicht als minder humoristisch werden ervaren.
De episode met de 'moord' op het lijk, waarmee de bruid verworven wordt, zal van later datum zijn, onder invloed van bijvoorbeeld Grote Klaas en Kleine Klaas (ATU 1535, Unibos), waarin ook compensatie gevraagd wordt voor het 'doden' van een lijk. De episode met het lijk komt het meest voor in het Midden-Oosten en Afrika.
De episode van de ontvoering in een zak, het uit de zak halen van een persoon en verwisselen voor iets anders, zou later ontleend kunnen zijn aan bijvoorbeeld The Devil (Witch) Carries the Hero Home in a Sack (ATU 327C). De held(in) wordt hierin bevrijd uit de zak, waarin vervolgens waardeloze voorwerpen (mest, modder, doorntakken) of dieren (kat) worden gestopt. Christiansen denkt waarschijnlijk terecht dat het om een latere Zuid-Europese toevoeging gaat.
Met name de latere toevoeging van de episode met de valse hond in de zak moet de (toch humoristisch bedoelde) vertelling van de profijtelijke ruil kennelijk een relativerend en moreel wellicht bevredigender slot meegeven: het lukt de schelm weliswaar voor langere tijd om de situatie in zijn eigen voordeel naar zijn hand te zetten, maar aan het slot wordt hij dan toch gestraft voor zijn inhaligheid en heeft hij nog minder dan in het begin: "so kehre ich ärmer heim, als ich auszog" is de terechte conclusie van een Italiaanse versie. Al te opportunistisch en egoistisch gedrag wordt met dit slot, vanuit een morele hang naar eerlijkheid en rechtvaardigheid, afgestraft.
Literatuur
- ATU 1655.
- BP II, p. 201-203.
- R. Th. Christiansen: 'Bodach an t-sílein', in: Béaloideas. The Journal of the Folklore of Ireland Society 3 (1931) 2, p. 107-120.
- Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later. Leeuwarden 1896. Deel 2, p. 55-58.
- N. Krawchenko: Trubert. A translation into modern English of the thirteenth century French Fabliau by Douin de Lavesne. Auckland 1999.
- L. Lacourcière: 'Les Échanges avantageux (conte-type 1655)', in: Les Cahiers de Dix 35 (1970), p. 227-250.
- W. Liungman: Die schwedischen Volksmärchen. Herkunft und Geschichte. Berlijn 1961, p. 295.
- Stith Thompson: Motif-Index of Folk-Literature. Volume IV. Copenhagen 1957.
- BP II, p. 201-203.
- R. Th. Christiansen: 'Bodach an t-sílein', in: Béaloideas. The Journal of the Folklore of Ireland Society 3 (1931) 2, p. 107-120.
- Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later. Leeuwarden 1896. Deel 2, p. 55-58.
- N. Krawchenko: Trubert. A translation into modern English of the thirteenth century French Fabliau by Douin de Lavesne. Auckland 1999.
- L. Lacourcière: 'Les Échanges avantageux (conte-type 1655)', in: Les Cahiers de Dix 35 (1970), p. 227-250.
- W. Liungman: Die schwedischen Volksmärchen. Herkunft und Geschichte. Berlijn 1961, p. 295.
- Stith Thompson: Motif-Index of Folk-Literature. Volume IV. Copenhagen 1957.
