Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Das zerbissene Tuch
Tekst
Op de Achterste hoef bij Bladel woonde indertijd een boer, en die boer had een knecht, en dat was een weerwolf. Op 'n vreemde manier zijn ze dat aan de weet gekomen.
Die knecht vrijde met een meid uit de buurt. Eens waren die twee samen buitendorps geweest en 't was al tusschen licht en donker, toen ze op huis aan gingen. Ze waren al niet ver meer van huis toen hij een onweerstaanbaren lust voelde om weerwolf te worden; maar de meid merkte dat natuurlijk niet. Hij zei tot haar: "Ik moet hier eens effekens van den weg af bij genen boer zijn, ga gij maar door: ik zal oe wel inhalen. Maar komt ge soms een kwaden hond tegen, die naar oe bijt, gooit hem dan mijn zakdoek toe; dien zal hij wel vatten. En gij loopt maar gauw door." Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij gaat weg, en een oogenblik later ziet ze een grooten hond die op haar aanvliegt. Maar ze gooit 'm den zakdoek toe, die het dier beetpakt en kapot bijt, en zij gaat er onderwijl van tusschen. Toen de zakdoek verscheurt was, werd de weerwolf weer stillekens aan mensch, en ging zijn lief achterna, die hij inhaalde en thuisbracht, alsof er niets gebeurd was. Zoo kwamen ze dan thuis, waar het geval natuurlijk wijdloopig besproken werd, hoewel hij er niet veel praat over hebben wou. Hij bleef op het avondeten. Onder het maal zagen ze de vezels van zijn rooden zakdoek tusschen zijn tanden zitten. Zoo merkten ze dat ie een weerwolf was.
Het bovenstaande verhaal, nummer 185 uit het Noord-Brabantsch Sagenboek van J.R.W. Sinninghe, is een goed voorbeeld van een veelvoorkomend thema in de Nederlandse weerwolfsagen. Dit verhaal van een vrijer die een weerwolf blijkt te zijn en herkend wordt aan de stof die hij tussen zijn tanden heeft, komt in grote delen van het Nederlandse taalgebied terug. In de catalogus die Fons Roeck gemaakt heeft van de Nederlandse weerwolfsagen vormt deze sage één van de vier hoofdtypen. En ook in de sprookjes-, sagen-, en legendencatalogus van Sinninghe is voor deze sage een apart typenummer gereserveerd.
Deze zogenaamde vezelsage wordt, zoals de meeste sagen, niet altijd en overal precies hetzelfde verteld. Bijna in elke versie zijn wel kleine verschillen aan te wijzen ten opzichte van andere sagen. Het basisidee van de vezelsage, door Roeck het 'zuiver motief' genoemd, is dat van twee verloofden die op stap gaan. Plotseling krijgt de man de aandrang om in een weerwolf te veranderen. Hij verzint een smoes om zich even terug te kunnen trekken en waarschuwt zijn geliefde om als er een groot beest mocht verschijnen het een stuk stof (zakdoek, schort, etc.) toe te gooien. Kort nadat hij verdwenen is, verschijnt er een weerwolf, waarop het meisje de raad van haar verloofde opvolgt en het een stuk stof toewerpt, die het dier verscheurt. Later, als de vrijer terug is gekomen en beide verloofden in veiligheid zijn, ontdekt het meisje dat haar vriend de vezels van de stof tussen zijn tanden heeft, en dus de weerwolf in kwestie is geweest. Hierop verbreekt ze de verloving.
Op dit basisidee zijn verschillende varianten terug te vinden. In een van deze varianten wordt de verloving niet verbroken, of wordt hier althans niet over gesproken. Meestal hebben de afwijkende motieven echter betrekking op de handelende personen, en deze verschillen dan ook van sage tot sage. Zijn het in de basissage nog twee verloofden die samen lopen, in andere versies zijn het een knecht en een meid, een vader en zijn dochter, of andere combinaties van gezinsleden. Een enkele keer wordt er slechts gesproken over een vrouw of een man die door een weerwolf worden overvallen. Opvallend is wel dat het bijna in alle gevallen gaat over mannelijke weerwolven die vrouwelijke slachtoffers aanvallen.
We treffen de vezelsage niet alleen in Nederland aan. Ook in het Duitse taalgebied is dit een van de meest voorkomende weerwolfsagen. Het motief verschilt hier overigens wel enigszins van de meeste Nederlandse sagen. In de Duitse sage zijn de handelende personen twee echtgenoten, waarbij de man zijn vrouw aanvalt en vervolgens thuiskomt met de resten van het kledingstuk waar de wolf in gebeten had tussen zijn tanden. Ook is hier vaak sprake van verlossing van de weerwolf, en wordt het huwelijk, in tegenstelling tot de verloving in veel Nederlandse versies, niet afgebroken. Er lijkt dan ook in eerste instantie een scheiding te bestaan in de motieven van de sage tussen het Nederlandse en het Duitse taalgebied, zozeer zelfs dat er van twee taalgebonden versies van dezelfde sage zou kunnen worden gesproken. Toch zijn er ook een aantal voorbeelden bekend van het 'Duitse' motief in Nederland, onder andere uit Schimmert in Limburg. De sagenmotieven passen zich dus niet helemaal aan de taalgrenzen aan, en er is om en nabij de taalgrens vermoedelijk sprake van een overgangsgebied tussen de Nederlandse en de Duitse versie van de vezelsage.
Roeck is van mening dat de vezelsage de oudste is van de verschillende weerwolfsagen die hij onderscheidt. De weerwolf die hier gepresenteerd wordt, bezit een aantal eigenschappen die al sinds de oudheid gekoppeld werden aan weerwolven. De weerwolf uit de sage is geweldadig en vraatzuchtig; hij moet iets hebben om te verscheuren. Het slachtoffer van de wolf kan zichzelf alleen maar redden door het beest een kledingstuk toe te werpen dat het kan verscheuren, anders zou de weerwolf ongetwijfeld de persoon in kwestie te grazen nemen. Het idee van de vraatzuchtige weerwolf kan al worden teruggevoerd op het dier dat begrijpelijk als een van de belangrijkste oorzaken wordt gezien voor het weerwolfgeloof: de gewone wolf. Tot in de negentiende eeuw leefden deze dieren in Europa nog in het wild. Voor boeren en andere buitenlui konden ze een ware plaag vormen, aangezien ze geregeld het vee te grazen namen. Er werd dan ook heftig op de dieren gejaagd. De weerwolf kreeg van dit dier een aantal eigenschappen mee, waaronder dus zijn vermeende vraatzuchtigheid. Dit element bleef door de hele geschiedenis heen deel uitmaken van weerwolfverhalen. De vezelsage toont de weerwolf zodoende in zijn primitiefste vorm: als een vraatzuchtig monster, met geen ander doel dan om iets te verscheuren.
Een tweede argument van Roeck dat de vezelsage de oudste sage zou zijn, baseert hij op de gedaanteverwisseling. In het volksgeloof was het idee wijdverbreid dat een weerwolf een pact met de duivel had gesloten. Hierbij kreeg de weerwolf een huid of een riem, die hij om moest doen om in een weerwolf te veranderen. Het idee van het duivelspact, en zodoende ook van de noodzaak tot een attribuut om te veranderen, kan teruggevoerd worden op het eind van de middeleeuwen. Waar het geloof in weerwolven voorheen als zondig was verklaard door de kerk kwam in deze periode onder veel geleerden het idee op dat weerwolven mensen waren die bewust een pact met de duivel hadden gesloten en hiervoor in ruil een middel hadden ontvangen waarmee de verandering kon worden voltrokken, variërend van een zalf tot een riem of huid. Het idee van het dragen van een wolvenhuid was al veel ouder. Zo kennen we bijvoorbeeld uit laat-middeleeuws Scandinavië het idee van de Berserkir, woeste strijders die zich hulden in wolven- of berenvellen, en aan wie men vaak het weerwolfgeloof in die streken heeft gekoppeld. Nu echter werd het dragen van een huid verbonden met het sluiten van een pact met de duivel. In veel van de weerwolfsagen, zoals 'de ovensage'/'die verbrannte Haut' (SINSAG 0824), wordt inderdaad gewag gemaakt van een dergelijk vel of een riem. In de vezelsage daarentegen wordt hier met geen woord over gesproken. Het is niet duidelijk of de weerwolf uit de vezelsage überhaupt een pact met de duivel heeft gesloten, en of hij dus een voorwerp (huid, riem, etc.) nodig heeft om in een wolf te veranderen. Er zijn wel versies van het verhaal terug te vinden waarin over een vel of een riem gesproken wordt, maar dit zijn vrijwel altijd combinaties van de vezel- en de ovensage, waarbij dus eigenlijk twee sagen onder één kopje staan. Het ontbreken van het gegeven van het duivelspact en het attribuut om te veranderen duidt volgens Roeck eveneens op de grote ouderdom van de vezelsage.
Toch blijft het de vraag of we zomaar kunnen zeggen dat de vezelsage de oudste van de weerwolfsagen is. Het probleem met deze sagen is dat het niet mogelijk is hun geschiedenis veel verder dan de negentiende eeuw terug te voeren. Pas vanaf die tijd is men immers, onder invloed van de Romantiek, begonnen de volksverhalen over weerwolven op te tekenen. Wat we uit de periode daarvoor overgeleverd hebben gekregen, laat vooral de visie van de elite op het fenomeen weerwolf zien. De ideeën die onder het gewone volk leefden, dus onder andere de weerwolfsagen, kunnen alleen achterhaald worden door als het ware tussen de regels door te lezen. De informatie die op deze manier uit de overgeleverde teksten kan worden onttrokken, is echter zeer gering. Voor het volksgeloof in weerwolven komen we dan ook niet verder dan een aantal algemene noties over dit geloof, in plaats van dat we ook werkelijk een beeld krijgen van de sagen en andere verhalen die de ronde deden. De argumenten die Roeck geeft om de vermeende ouderdom van de vezelsage te ondersteunen, hebben vooral betrekking op een aantal losse elementen uit deze sage, zoals het ontbreken van het duivelspact en de vraatzuchtigheid van de weerwolf. We hebben hier ongetwijfeld met zeer oude motieven te maken. Maar dat betekent nog niet dat de specifieke vorm waarin deze motieven gegoten zijn, namelijk de vezelsage, ook al zo oud is. Zoals Roeck zelf later in zijn werk opmerkt, zijn de weerwolfsagen qua vorm overwegend negentiende-eeuws, ook al is hun inhoud ouder. Ook in het geval van de vezelsage is dit een logische verklaring. De verschillende motieven die gebruikt worden in de sage mogen dan al zeer oud zijn, de sage zelf zal niet veel ouder zijn dan de negentiende eeuw, en zeker niet per se ouder dan de andere weerwolfsagen.
Een interessant motief van de sage dat al wel is aangetipt, maar verder nog onderbelicht is gebleven, is de oorzaak van de gedaanteverandering. In de geschiedenis van de weerwolfverhalen zijn globaal twee versies te onderscheiden. De verhalen waarin de mens bewust in een weerwolf verandert, en de verhalen waarin deze, vaak door een hogere macht, tegen zijn wil gedwongen wordt om van gedaante te wisselen. We hebben reeds vastgesteld dat er bij de vezelsage geen sprake is van een pact met de duivel, althans dat dit nergens vermeld wordt. De weerwolf heeft dus niet bewust een pact met de duivel gesloten om in een weerwolf te kunnen veranderen, een aspect dat we in veel andere weerwolfsagen wel terug zien. Maar is er in dit geval dan sprake van een onvrijwillige gedaantewisseling?
De aanzet tot de gedaanteverandering verschilt van sage tot sage. In het ene geval krijgt de persoon in kwestie simpelweg het gevoel dat hij in een weerwolf gaat veranderen. Dit gegeven wekt de indruk dat de weerwolf tegen zijn zin in van gedaante moet wisselen, maar hoeft dit niet per se te impliceren. Er kan ook best een vrijwillig aspect aan ten grondslag liggen. In veel andere sagen wordt er specifiek gesproken van de 'lust' om van gedaante te veranderen. Dit geeft een veel minder onvrijwillig beeld, maar lijkt eerder te wijzen op een tekort aan zelfbeheersing van de kant van de weerwolf. Ook in dit geval is de aanzet tot de verandering echter voor meer lezingen vatbaar. In een groot deel van de vezelsagen wordt überhaupt niet gerept over de intenties van de weerwolf. Dat heeft er meestal mee te maken dat de toehoorder nog niet is verteld dat er een weerwolf in het spel is, en een dergelijke onthulling de plot van het verhaal zou bederven. Al met al is het moeilijk om uit de aanzet tot de verandering te achterhalen of het hier om een vrijwillige of een onvrijwillige gedaanteverwisseling gaat.
Een ander aspect van de sage geeft hier meer uitsluitsel over. In de meeste sagen waarschuwt de weerwolf immers, voordat hij in het struikgewas verdwijnt om te veranderen, zijn geliefde wat ze moet doen als er een beest verschijnt. De weerwolf weet wat er gaat gebeuren en wil niet dat zijn geliefde hier het slachtoffer van wordt. Als de verandering van mens naar wolf vrijwillig zou zijn geweest, is het moeilijk voor te stellen dat de weerwolf de moeite zou nemen om zijn metgezel uit te leggen hoe deze zich tegen een weerwolf kan beschermen. Als hij om de metgezel geeft, kan hij er immers ook gewoon voor kiezen niet in haar nabijheid in een wolf te veranderen. Het verhaal wekt dan ook eerder de indruk dat de weerwolf tegen zijn zin overvallen wordt door de verandering en dit van tevoren aan voelt komen, dan dat hij er zelf voor kiest om op dat moment zijn gedaanteverwisseling te ondergaan. De weerwolf is hier niet zozeer een slecht persoon, maar eerder een tragisch figuur die lijdt onder een kracht die hij niet kan weerstaan. Er is sprake van een interne strijd tussen mens en dier, waarbij deze laatste het op dat moment aan het winnen is.
Het idee van de onvrijwillige verandering van mens in wolf zien we in veel verhalen terug. In de oudheid treffen we het bijvoorbeeld aan in het verhaal van koning Lycaon. Dit verhaal, dat onder andere door de Romeinse schrijver Ovidius wordt beschreven in zijn Metamorphosen, handelt over een Griekse koning die op een dag de god Zeus op bezoek krijgt. Hij gelooft niet dat hij werkelijk een god op bezoek heeft, en om Zeus te testen zet hij hem een maaltijd voor bereid uit mensenvlees. De god heeft dit uiteraard meteen door, en vertoornd laat hij het paleis van de koning instorten. Lycaon, die weet te ontvluchten, wordt door hem in een wolf veranderd, die echter nog een aantal zeer menselijke trekjes vertoont. Tegenwoordig heeft een groot deel van de weerwolfverhalen betrekking op onvrijwillige veranderingen.
Onder invloed van vroege weerwolffilms als Werewolf of London (1935) en The wolf man (1941) zijn een beperkt aantal motieven sterk op de voorgrond getreden in de hedendaagse voorstellingen van weerwolven. Eén daarvan is de onvrijwillige verandering. Vaak wordt dit gepresenteerd als een soort besmettelijke ziekte die men op verschillende manieren kan oplopen, bijvoorbeeld door de beet van een andere weerwolf. Net als in de vezelsage gaat het in veel moderne weerwolfverhalen om tragische figuren die tegen hun zin in een (half-)wolf veranderen. En net als in de vezelsage moeten zij vaak hun best doen om hun geliefden tegen zichzelf te beschermen. Zo zien we dat bepaalde motieven ook over langere tijd in tact blijven.
Weerwolven figureren tegenwoordig vooral nog in fictieve verhalen; verhalen die door hun publiek meestal niet als waarheid worden gezien. In het geval van de weerwolfsagen lag dit anders. Voor de mensen die dergelijke sagen vertelden, bevatten ze vaak een kern van waarheid, zelfs als men zelf allerlei details had toegevoegd. Een sage was niet zomaar een verhaal. Het speelde zich meestal af in een niet al te ver verwijderde tijd, hoogstens een of twee generaties eerder. En ook de plaats van handeling was voor de verteller meestal niet vreemd, bijvoorbeeld het eigen dorp of een ander dorp in de omgeving. Het verhaal had de verteller als het ware zelf kunnen overkomen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een sage, voor de vertellers althans, vaak meer was dan een fictief verhaal, en er wel degelijk een diepere betekenis achter kon zitten.
In het geval van de vezelsage doet Willem de Blécourt een suggestie over welke diepere betekenis we achter het verhaal zouden kunnen zoeken. Volgens De Blécourt hebben we hier te maken met een impliciete waarschuwing voor aanranding. De hoofdpersonen van de sage zijn in de meeste gevallen een man en een vrouw, waarbij de man de weerwolf is en de vrouw het slachtoffer. De man voelt in veel gevallen een onweerstaanbare lust om in een weerwolf te veranderen. Dit zou volgens De Blécourt staan voor seksuele drang. De aanval van de weerwolf is dan symbool voor de aanranding, waarbij het stuk stof dat het beest verscheurt voor vrouwelijkheid zou staan. Ook Roeck suggereert dat de vezelsage misschien seksuele connotaties in zich draagt. Het zou hier volgens hem kunnen gaan om een vrijend paartje, waarbij de man, na zich even te hebben teruggetrokken, zich niet langer kan inhouden en hierbij zijn geliefde bijt, dan wel haar kleren scheurt. De verbeelding van het meisje, die de opgewonden kerel uit het bos ziet terugkeren, zou geleid kunnen hebben tot een dergelijke weerwolfsage.
Het probleem met dergelijke verklaringen, door Roeck reeds aangestipt, is dat het hier puur om speculatie gaat. Voor de vertellers zelf hebben de sagen geen verdere uitleg of verklaring nodig. De betekenissen die een dergelijke sage in zich kan dragen zijn voor hen evident, en dat het om waargebeurde feiten gaat valt niet te betwisten. Het is hierdoor erg lastig om met zekerheid te kunnen zeggen wat een verhaal als de vezelsage nou werkelijk betekende voor de mensen die hem vertelden en er naar luisterden. Men kan eigenlijk niet veel meer doen dan theorieën en suggesties geven over de mogelijke diepere betekenissen van dergelijke sagen, want harde bewijzen voor de ene of de andere lezing zijn moeilijk te vinden. Zo geeft de weerwolf ook aan de wetenschap zijn geheim liever niet prijs, en is het zoeken naar de vezels tussen zijn tanden.
Literatuur
- Blécourt, de, W., ' "I would have eaten you too": werewolf legends in the Flemish, Dutch and German area', in: Folklore 118 (2007), p. 23-43.
- Ilomäki, H., 'The human animal-ego in folklore and literature', in: Ingo Schneider (red.), Europäische Ethnologie und Folklore im internatzionalen Kontext: Festschrift für Leander Petzoldt zum 65-Geburtstag. Frankfurt am Main [etc.] 1999, p. 103-113.
- Otten, C.F. (red.), A lycanthropy reader: werewolves in western culture . Syracuse 1986.
- Roeck, F., De Nederlandse weerwolfsage in de negentiende en twintigste eeuw Z.pl. 1967.
- Roeck, F., 'Volkskundig onderzoek naar de weerwolfsage', in: Wetenschappelijke tijdingen 27 (1968), p. 145-160.
- Russell, W.M.S. & Claire Russell, 'The social biology of werewolves' in: J.R. Porter & W.M.S. Russell (red.), Animals in Folklore . Ipswich [etc.] 1978, p.143-182.
- Sinninghe, J.R.W., Noord-Brabantsch Sagenboek. Zutphen 1933.
- Sinninghe, J.R.W., Katalog der niederländischen Märchen-, Ursprungsagen-, Sagen- und Legendenvarianten. Helsinki 1943.
- www.wikipedia.org: 'The Wolf Man (1941 film)' en 'Werewolf of London'
