Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Liegende Geit

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

AT 0212 - The Lying Goat    AT 0212 - The Lying Goat   

Beschrijving

The Lying Goat

Tekst

De Liegende Geit (ATU 212) is een diersprookje dat Europa als kerngebied heeft (1), al is de vertelling ook sporadisch in het Midden-Oosten en Afrika opgetekend. De oudst bekende optekeningen stammen uit de negentiende eeuw - van een beduidend oudere mondelinge overlevering zijn geen sporen. Een vader heeft drie zoons (dochters, echtgenote), die hij om beurten de geit – vaak hun enige bron van inkomsten – laat weiden. De geit graast de hele dag en bezweert elke zoon telkens dat zij voldoende gegeten heeft (2). Bij thuiskomst vertelt de geit echter aan de vader dat zij niet voldoende heeft gegeten en honger heeft (3). Kwaad jaagt de vader de drie zoons één voor één het huis uit (of hij doodt hen zelfs). Als de vader zelf de geit gaat weiden, verneemt hij dat de geit voldoende gegeten heeft en vervolgens toch zegt dat ze honger heeft; nu begrijpt hij dat de geit liegt. De geit wordt gedood, of kaalgeschoren en verdreven, of ze slaat zelf half gevild - soms met het mes nog in de rug - op de vlucht. Het diersprookje kan hier eindigen, maar kan ook een vervolg hebben, of kan met een variante inleiding – de eigenaar besluit de geit bijvoorbeeld te slachten omdat ze geen melk meer geeft (4) – aldus vervolgen: Indien de geit overleeft, kruipt ze weg in het hol van een vos (haas) en verjaagt met haar dreigende (rijmende) woorden (5) of angstaanjagende uiterlijk de bewoners. Ook een te hulp schietende beer (wolf, leeuw, haas) slaat op de vlucht, maar als een bij (wesp, hommel, mier, krab, haan, egel, stekelvarken) de geit steekt, ontvlucht deze het hol. De geit rent weg, of wordt gevangen en opgegeten door de andere dieren. Het diersprookje wordt veelvuldig zelfstandig verteld, maar komt ook voor in combinatie met het diersprookje van het type ATU 123, The Wolf and the Kids, het wondersprookje ATU 563, The Table, the Donkey and the Stick, en het formulesprookje ATU 2015, The Goat Who Would Not Go Home. De combinatie met ATU 123, The Wolf and the Kids, komt met enige regelmaat voor: de vluchtende liegende geit wordt later soms de moeder van de (zeven) geitjes, die door de wolf worden belaagd. (6) Soms speelt de liegende geit juist de rol van de wolf, die onder valse voorwendselen het vossenhol weet binnen te dringen (motief K311.3, Thief disguises voice and is allowed access to goods (children)). (7) Dat De Liegende Geit regelmatig het sprookje van ATU 563, The Table, the Donkey and the Stick, omsluit als ware het een raamvertelling, gebeurt voor het eerst in de Kinder- und Hausmärchen; voor deze versie van KHM 36 'Tischleindeckdich, Goldesel und Knüppel aus dem Sack' uit 1812 was vertelster Johanna Isabella Hassenpflug uit Kassel (Hessen) verantwoordelijk, die het verhaal naar eigen zeggen van "einer alten Mamsell Storch bei Henschel" hoorde. De episode van de leugens gaat aan Tafeltje-Dek-Je vooraf, de episode van het vossenhol komt helemaal aan het eind. In een tweede versie afkomstig van Henriette Dorothea Wild ontbrak de leugenachtige geit. Het mag veilig worden aangenomen dat alle latere versies met de combinatie ATU 212 en ATU 563 afhankelijk zijn van de publicatie van de gebroeders Grimm. (8) Het tweede gedeelte van het sprookje van De Liegende Geit vertoont overeenkomsten met het zelfstandige formulesprookje ATU 2015, The Goat Who Would Not Go Home (en wordt er wel eens mee verward (9)), omdat er een reeks dieren aan te pas moet komen om de geit succesvol te verjagen. De geit heeft zich het hol van een vos toegeëigend, sterke dieren als de beer en de wolf schieten tevergeefs te hulp, en uiteindelijk moet er een nietig dier als de bij aan te pas komen om de weerspannige geit naar buiten te jagen; in het ATU 2015-sprookje rent de geit dan vervolgens naar huis, wat bij De Liegende Geit niet hoort te gebeuren. Het diersprookje van De Liegende Geit kan tijdens de performance verlevendigd worden en aan humor winnen door de (herhaalde en rijmende) antwoorden van de geit met een mekkerende stem weer te geven ("Ik ben verzadigd, 'k at zoveel, / Er kan geen blad meer door mijn keel; mè, mè!" (10)). Soms werden de verzen gezongen (11). Het sprookje wordt angstwekkender zodra de geit ontvlucht en het gruwelijke uiterlijk omschreven wordt, namelijk half gevild met loshangende vellen. De algemene moraal van het verhaal is dat men niet iedereen zomaar op zijn woord kan geloven, en dat men zich hoeden moet voor leugens en bedrog. Niet voor niets loopt het in veel versies uiteindelijk slecht af met het leugenachtige dier (12).

Literatuur

Alle benodigde literatuur is te vinden in de catalogus van Uther onder ATU 0212. (1) In Slowakije is het diersprookje zelfs niet alleen bekend als verhaal, maar ook als kinderspel en kettinglied; V. Gašparíková: Slowakische Volksmärchen. Kreuzlingen / München 2000, p. 308. (2) Dit gebeurt regelmatig op rijm, zoals in de Nederduitse optekening van Wilhelm Busch (1832-1908): "Eck bin säo satt / Eck mag näin blatt" ('Die launische Ziege', in: Ut ôler Welt, München 1910, p. 44.) (3) Wederom regelmatig op rijm; zie Busch (noot 2): "Ne!! Dar satt noch 'n blatt / Härr eck dat noch ehatt / Säo wör eck satt." (4) Zie bijv. P. Galkin, M. Kitajnik & M. Kustum: Russkie narodnye skazki Urala. Sverdlovsk 1959, p. 155-157. (5) Bijv. "Half geschur, half net geschur, / alles wat en de We' kemmt, eβ verlur!" (Half geschoren, half niet geschoren, alles, wat in de weg komt, is verloren!); N. Fox: Märchen und Tiergeschichten. Saarlautern 1942, p. 132 en 134. Een ander voorbeeld is: "Ich bin es, der Ziegenbock, / ich, der halbgeschundene! / Auf die Hörner spieβ ich dich, / mit dem Barte stech ich dich, / scher dich weg, sonst freβ ich dich!"; G. Ortuay: Ungarische Volksmärchen. Berlin 1957, p. 531-532. (6) Zie bijv. L. Dardy: Anthologie Populaire de l'Albret II. Agen 1891, p. 337-349; D. Fabre & J. Lacroix: La Tradition Orale du Conte Occitan 2. Les Pyrénées Aidoises. Paris 1973, dl. 2, p. 199-215; J.A. Javorskij: Pamjatniki. Kiev 1915, p. 161-162; G. Maugard: Contes des Pyrénées. Paris 1955, p. 211-219; L. Lambert: Contes Populaires du Languedoc. Carcassonne 1985, p. 131-137; G. Massignon: Folktales of France. Chicago 1968, p. 71-73; A. Meyrac: Traditions, Coutumes, Legendes et Contes des Ardennes. Charleville 1890, p. 462-465; E.R. Ramanau: Belaruskija narodnyja kazki. Minsk 1962, p. 299-303. (7) Zie bijv. J. Jech (ed.): Tschechische Volksmärchen. 2e Druk. Berlin 1984, p. 24-26 en 474-475. (8) Zie ook Hans-Jörg Uther: Handbuch zu den "Kinder- und Hausmärchen" der Brüder Grimm. Entstehung - Wirkung - Interpretation. Berlin [etc.] 2008, p. 88-92. (9) Liungman, Volksmärchen, p. 29; K. Ranke: Folktales of Germany. Chicago 1966, p. 201. (10) KHM 36, hier geciteerd naar de vertaling van de Lemniscaat-uitgave (Rotterdam 1974, p. 98-99). (11) G. Ortuay: Ungarische Volksmärchen. Berlin 1957, p. 560; Massignon 1968 (noot 6), p. 257. (12) Schenda meent dat het om een waarschuwende vertelling gaat “mit der Moral, daβ eine gewitzte Lügnerin auch einen klugen Hausvater hinters Licht führen und zu unbedachtem Handeln verleiten kann.” R. Schenda: Märchen aus der Toskana. München 1996, p. 362. Volgens Schenda riekt de vertelling naar een laatmiddeleeuws exemplum: de voorbeeldige functie is evident, maar de gesuggereerde ouderdom is vooralsnog onbewijsbaar.