Hoofdtekst
Eene nicht in Amsterdam.
Nog in het eerste derdedeel dezer eeuw, toen stoombooten nog onbekend waren, ging eene reis uit Friesland naar Amsterdam veel moeilijker dan thans. Toen was het in vele dorpen, waar geen groothandelaars woonden, eene zeldzaamheid, wanneer er eens iemand naar Amsterdam was geweest. Het werd ook niet zonder gevaar geacht, dat een onervaren dorpeling zich daaraan waagde; want men hoorde hier soms leelijke dingen vertellen van die groote stad met zijne nauwe stegen, waarin allerlei gespuis zich ophield. Iemand die daar den weg en de spraak niet kende, liep groot gevaar om zeer verkeerd terecht te komen. Bedriegers en oplichters zouden hem in het ootje kunnen nemen, hij zou het met slechte vrouwen te kwaad kunnen krijgen, ja, hij zoude ook in een herberg kunnen worden gelokt en daar met lage middelen overgehaald om zijn naam te teekenen, waardoor hij zich tegen zijn zin verbond voor den krijgsdienst in Indië of op het oorlogschip.
In dien tijd is, naar men wil, een jongeling van Makkum eens leelijk te Amsterdam in de fuik geloopen. Hij woonde als eenig kind bij zijne ouders in huis. Zij waren beste brave lieden, zeer welgesteld ook, maar hadden hunnen zoon niet veel kennis laten maken met de wereld en hare begeerlijkheden, allerminst met hare gevaren. Zij hadden eene nicht in Amsterdam, hierover werd in huis dikwijls gesproken en men hield ook steeds briefwisseling met haar. Zij drong er daarbij wel op aan, dat haar neef, de zoon des huizes, haar eens zou komen bezoeken. De ouders waren hier niet bijster op gesteld, de zoon had er echter wel lust toe, en ten slotte kwam men overeen dat hij de reis toch maar zoude ondernemen, en wel met het beurtschip van Makkum op Amsterdam, dat steeds een dag of drie in de hoofdstad vertoefde.
De schipper nam op zich te zorgen dat de onbedreven reiziger kwam waar hij moest zijn. Maar zoodra het schip te Amsterdam aan was, had de schipper natuurlijk allerlei zaakjes te beredderen eer hij er aan kon denken de stad in te gaan. De jongeling vond daarom goed maar een eindje rond te wandelen. Hij scheen er echter weinig op te rekenen, dat Amsterdam zooveel grooter is dan Makkum. Na een poosje wandelens zich even bezinnende, was hij reeds zoover gekomen, dat hij niet recht wist hoe de ligplaats van het beurtschip terug te vinden. Daar komt een fraaigekleede juffer op hem toe, die hem vriendelijk aanspreekt met: « Dag neef!» Hij keek verwonderd op en vroeg: «Ben jij mijn nicht?» - «Wel
zeker! kom jij maar spoedig meê naar mijn huis.» - «Maar ik begrijp niet hoe je mij kent. Wij hebben elkander immers nooit gezien.» - «O! ik zag het op eens, dat jij mijn neef moest zijn.» - En zoodra zij begreep waar hij vandaan kwam, vertelde zij, altijd even lief en vriendelijk, dat zij op weg was gegaan om hem van het schip af te halen.
Hij vertelde nu, dat hij bij haar wenschte te verblijven tot het schip weêr naar Makkum vertrok. En zij was daar uitstekend meê in haar schik. Zij bracht hem in een nette woning en onthaalde hem kostelijk. Nicht wenschte natuurlijk gaarne bijzonder veel te weten van alles wat zijne ouders, haar oom en tante betrof, en neef vertelde wat hij maar wist. Zoo vervlogen de uren snel en eindelijk kwam de tijd om ter rust te gaan. Zij bracht hem in een slaapvertrekje waar alles keurig was ingericht. Hij sliep weldra als een roos. Maar toen hij in den vroegen morgen even ontwaakte, ontdekte hij, dat nicht met al hare zorgzaamheid toch nog een noodzakelijk meubeltje had vergeten. Hij vond best maar even naar buiten te gaan; het kamertje was gelijkvloers en onmiddellijk bij de voordeur. Dus hij deed het. Maar toen hij weêr binnen wilde gaan vond hij, tot zijne groote verbazing, de deur gesloten. Hij klopte, maar 't scheen niet gehoord te worden. Hij klopte harder, op de deur, op de vensters, maar zonder gevolg. Het was eene nauwe stille straat waar nicht woonde; hij zag of hoorde geen mensch. Ja, daar naderde eene vrouw, van de arbeidersklas naar ’t scheen, met een nog zeer jong kind op den arm. Op hare vraag, hoe hij daar zoo stond op zulk een ongelegen uur, vertelde hij haar het geval.
«O!» zeî het mensch, «dat komt wel terecht. Ik ben hier in de buurt zeer goed bekend. Als jij zoo goed wilt zijn mijn kind even aan te nemen, dan ga ik een straatje omloopen; zoo weet ik bij de achterdeur van dit huis te komen en zal dan je nicht wel wekken. Deze deur zal zeker vanzelf op slot geslagen zijn.» Zonder zijn antwoord af te wachten, duwde zij hem haar kind in de armen en verdween om den hoek der straat. Hij stond nu eene poos geduldig te wachten, maar vernam niets, binnenshuis evenmin als daar buiten. Hij begon weêr te kloppen, met geweld ook; maar ‘t hielp hem niets. Nicht scheen maar door alles heen te slapen. De gedienstige arbeidersvrouw kwam ook niet terug. Zijn toestand werd hachelijk; hij kon dat arme schaap van een kind toch ook niet op de straatsteenen neêrleggen.
Eindelijk kwamen er menschen op de been, die hem duidelijk maakten dat hij gefopt was. Het ontbrak nu gelukkig niet aan hulpvaardigen, die zorgden dat de ongelukkige neef behoorlijk gekleed weêr bij het Makkumer beurtschip kwam.
Het is reeds een aantal jaren geleden toen iemand te Makkum mij mededeelde, dat het bovenstaande eene ware geschiedenis is. Hij die dit zeide had, naar zijn zeggen, in zijne jeugd den reiziger naar Amsterdam gekend.
Nog in het eerste derdedeel dezer eeuw, toen stoombooten nog onbekend waren, ging eene reis uit Friesland naar Amsterdam veel moeilijker dan thans. Toen was het in vele dorpen, waar geen groothandelaars woonden, eene zeldzaamheid, wanneer er eens iemand naar Amsterdam was geweest. Het werd ook niet zonder gevaar geacht, dat een onervaren dorpeling zich daaraan waagde; want men hoorde hier soms leelijke dingen vertellen van die groote stad met zijne nauwe stegen, waarin allerlei gespuis zich ophield. Iemand die daar den weg en de spraak niet kende, liep groot gevaar om zeer verkeerd terecht te komen. Bedriegers en oplichters zouden hem in het ootje kunnen nemen, hij zou het met slechte vrouwen te kwaad kunnen krijgen, ja, hij zoude ook in een herberg kunnen worden gelokt en daar met lage middelen overgehaald om zijn naam te teekenen, waardoor hij zich tegen zijn zin verbond voor den krijgsdienst in Indië of op het oorlogschip.
In dien tijd is, naar men wil, een jongeling van Makkum eens leelijk te Amsterdam in de fuik geloopen. Hij woonde als eenig kind bij zijne ouders in huis. Zij waren beste brave lieden, zeer welgesteld ook, maar hadden hunnen zoon niet veel kennis laten maken met de wereld en hare begeerlijkheden, allerminst met hare gevaren. Zij hadden eene nicht in Amsterdam, hierover werd in huis dikwijls gesproken en men hield ook steeds briefwisseling met haar. Zij drong er daarbij wel op aan, dat haar neef, de zoon des huizes, haar eens zou komen bezoeken. De ouders waren hier niet bijster op gesteld, de zoon had er echter wel lust toe, en ten slotte kwam men overeen dat hij de reis toch maar zoude ondernemen, en wel met het beurtschip van Makkum op Amsterdam, dat steeds een dag of drie in de hoofdstad vertoefde.
De schipper nam op zich te zorgen dat de onbedreven reiziger kwam waar hij moest zijn. Maar zoodra het schip te Amsterdam aan was, had de schipper natuurlijk allerlei zaakjes te beredderen eer hij er aan kon denken de stad in te gaan. De jongeling vond daarom goed maar een eindje rond te wandelen. Hij scheen er echter weinig op te rekenen, dat Amsterdam zooveel grooter is dan Makkum. Na een poosje wandelens zich even bezinnende, was hij reeds zoover gekomen, dat hij niet recht wist hoe de ligplaats van het beurtschip terug te vinden. Daar komt een fraaigekleede juffer op hem toe, die hem vriendelijk aanspreekt met: « Dag neef!» Hij keek verwonderd op en vroeg: «Ben jij mijn nicht?» - «Wel
zeker! kom jij maar spoedig meê naar mijn huis.» - «Maar ik begrijp niet hoe je mij kent. Wij hebben elkander immers nooit gezien.» - «O! ik zag het op eens, dat jij mijn neef moest zijn.» - En zoodra zij begreep waar hij vandaan kwam, vertelde zij, altijd even lief en vriendelijk, dat zij op weg was gegaan om hem van het schip af te halen.
Hij vertelde nu, dat hij bij haar wenschte te verblijven tot het schip weêr naar Makkum vertrok. En zij was daar uitstekend meê in haar schik. Zij bracht hem in een nette woning en onthaalde hem kostelijk. Nicht wenschte natuurlijk gaarne bijzonder veel te weten van alles wat zijne ouders, haar oom en tante betrof, en neef vertelde wat hij maar wist. Zoo vervlogen de uren snel en eindelijk kwam de tijd om ter rust te gaan. Zij bracht hem in een slaapvertrekje waar alles keurig was ingericht. Hij sliep weldra als een roos. Maar toen hij in den vroegen morgen even ontwaakte, ontdekte hij, dat nicht met al hare zorgzaamheid toch nog een noodzakelijk meubeltje had vergeten. Hij vond best maar even naar buiten te gaan; het kamertje was gelijkvloers en onmiddellijk bij de voordeur. Dus hij deed het. Maar toen hij weêr binnen wilde gaan vond hij, tot zijne groote verbazing, de deur gesloten. Hij klopte, maar 't scheen niet gehoord te worden. Hij klopte harder, op de deur, op de vensters, maar zonder gevolg. Het was eene nauwe stille straat waar nicht woonde; hij zag of hoorde geen mensch. Ja, daar naderde eene vrouw, van de arbeidersklas naar ’t scheen, met een nog zeer jong kind op den arm. Op hare vraag, hoe hij daar zoo stond op zulk een ongelegen uur, vertelde hij haar het geval.
«O!» zeî het mensch, «dat komt wel terecht. Ik ben hier in de buurt zeer goed bekend. Als jij zoo goed wilt zijn mijn kind even aan te nemen, dan ga ik een straatje omloopen; zoo weet ik bij de achterdeur van dit huis te komen en zal dan je nicht wel wekken. Deze deur zal zeker vanzelf op slot geslagen zijn.» Zonder zijn antwoord af te wachten, duwde zij hem haar kind in de armen en verdween om den hoek der straat. Hij stond nu eene poos geduldig te wachten, maar vernam niets, binnenshuis evenmin als daar buiten. Hij begon weêr te kloppen, met geweld ook; maar ‘t hielp hem niets. Nicht scheen maar door alles heen te slapen. De gedienstige arbeidersvrouw kwam ook niet terug. Zijn toestand werd hachelijk; hij kon dat arme schaap van een kind toch ook niet op de straatsteenen neêrleggen.
Eindelijk kwamen er menschen op de been, die hem duidelijk maakten dat hij gefopt was. Het ontbrak nu gelukkig niet aan hulpvaardigen, die zorgden dat de ongelukkige neef behoorlijk gekleed weêr bij het Makkumer beurtschip kwam.
Het is reeds een aantal jaren geleden toen iemand te Makkum mij mededeelde, dat het bovenstaande eene ware geschiedenis is. Hij die dit zeide had, naar zijn zeggen, in zijne jeugd den reiziger naar Amsterdam gekend.
Beschrijving
In de tijd dat er nog geen stoomboten waren, was het een zeldzaamheid als iemand vanuit Friesland naar Amsterdam reisde. De reis werd als gevaarlijk beschouwd: in de grote stad kon van alles gebeuren. Een jongeman uit Makkum heeft niet veel van de wereld gezien, maar besluit op een dag toch een reisje naar Amsterdam te maken om daar zijn nicht te bezoeken. Hij raakt aan het dwalen en wordt aangesproken door een vrouw, die hem 'neef' noemt. Denkend dat dit zijn nicht is, gaat hij met haar mee naar huis. Als hij 's nachts naar buiten moet om te plassen, wordt hij buitengesloten. Hij klopt aan, maar niemand reageert. Een arbeidersvrouw zegt hem te willen helpen, als hij even haar kind vasthoudt, zal zij om het huis lopen om iemand te wekken. De vrouw komt echter niet meer terug en er wordt nog steeds niet opengedaan. 's Ochtends maken mensen hem duidelijk dat hij gefopt is. Gelukkig zijn er ook vriendelijke mensen die zorgen dat hij weer op het schip naar Makkum komt.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 111-114
Plaats van Handelen
Friesland   
Amsterdam   
Makkum   
Indië   
Kloekenummer in tekst
E109p   
B106p   
