Hoofdtekst
De koekenpan.
Klaas was een arme schoenmaker, die maar een karig bestaantje had, al verdiende zijne vrouw Trijn ook iets meê door dagelijks ijverig te spinnen. Hun middagmaal was altijd sober en hierover mopperde Klaas dikwijls. Hij hield bijzonder veel van pannekoeken, maar had ze zoolang zij getrouwd waren niet gegeten. Het bleef een vurige wensch, nogmaals pannekoeken te kunnen eten, al was het slechts voor één enkelen keer.
Nu gebeurde 't dat zij een buitenkansje kregen door ééns iets meer te verdienen dan gewoonlijk, en nu kwamen man en vrouw overeen om pannekoeken te eten. Alles wat hiervoor noodig was werd bijeengehaald, maar ten slotte ontbrak hun nog het voornaamste: zij hadden geen koekenpan. Hiervoor was geen anderen raad dan dat Trijn bij de buren ging vragen om een te leenen. Nu ja, een der buurvrouwen bezat wel een koekenpan en was bereid die ten gebruike af te staan, maar zij maakte er deze voorwaarde bij: «Dan moet je bij het terugbezorgen der pan, een paar pannekoeken voor mijne kinderen meêbrengen.»
Trijn beloofde dit en nu was ze gereed. Er werden pannekoeken gebakken en vervolgens gegeten. Klaas smulde recht lekker, ze smaakten Trijn ook heerlijk en - eer ze er aan dachten was het geheele baksel op. Zij hadden nog wel meer gelust. «Maar,» zeî Trijn,«hoe maak ik het nu met buurvrouw? Ik heb haar een paar pannekoeken voor de kinderen toegezegd.» - «Daar moet jij voor zorgen,» zeî Klaas, «dat gaat mij niet aan.» - «Zoo, gaat dat jou niet aan? Jij kondt wel een paar pannekoeken minder hebben gegeten. Het is niet meer dan billijk, dat jij de pan terug brengt.» - «Ik dank je hartelijk! Ik wil met dat brutale buurwijf niets te doen hebben.»
Het liet zich aanzien dat er een tamelijk hevige twist zoude ontstaan, maar Klaas gebruikte zijn verstand en zeide: «Hoor eens, Trijn, we kunnen mekaar wel allerlei leelijke dingen verwijten, maar goed beschouwd hebben wij beide even veel en even weinig schuld aan het geval. We hadden wat meer meel moeten koopen, maar de penningen die we hadden te besteden, lieten dit niet toe. Nu wil ik een voorstel doen. We gaan beide aan ons werk zitten, en zwijgen. Wie van ons het eerst een woord spreekt, zal verplicht zijn de koekenpan aan buurvrouw terug te brengen.»
Trijn nam hierin genoegen en eenige oogenblikken later zaten ze beide zwijgend te werken. Klaas op zijn drievoet trok aan den pikdraad dat het een aard had en fluitte daarbij een lustig deuntje. Trijn deed in een anderen hoek der kamer haar spinnewiel snorren en bracht daarbij onophoudelijk een suizend geluid met hare lippen voort. De lust en aandrang om een woord te spreken kwam bij beide wel nu en dan boven, maar de een zoo goed als de ander wist zich telkens te bedwingen. De zaak werd moeilijker toen er een buurman kwam met een ouden schoen in de hand. Hij zeide: «Baas Klaas, zoudt ge vandaag dezen schoen wat kunnen herstellen?» Klaas nam den schoen aan, knikte toestemmend en fluitte. De buurman wilde blijkbaar een praatje maken, maar kreeg op alles wat hij zeî geen ander antwoord dan hoofdknikken als 't ja, en hoofdschudden als 't neen moest zijn, en dit altijd fluitende.
Buurman wendde zich tot Trijn: «Wat scheelt je man, Trijn? Hij schijnt wel gek geworden te zijn.» Trijn spon door en deed met hare lippen: psss, psss, psss, maar sprak geen woord. «Wat,» zeî buurman, «kunt gij ook al niet praten? Dat is leelijk genoeg. Weet je 't nog, Trijn, toen we beide nog ongetrouwd waren ben ik eene poos je vrijer geweest. Wat heb ik toen wel aangename uren aan je zijde doorgebracht en wat kondt ge toen aardig babbelen. Kunt ge dat nu niet meer? Laat ik dan eens beproeven het je op nieuw te leeren.» Hij nam een stoel, plaatste zich aan hare zijde en maakte de beweging alsof hij haar wilde kussen. Dit was voor Klaas te veel; hij riep: «Hou! nu is 't ver genoeg!» En Trijn klapte van blijdschap in de handen terwijl ze riep: «Ha! jij hebt het verloren; jij moet de koekenpan terugbrengen!»
Wat zou de goede man doen? Hij zag zich genoodzaakt met de koekenpan de deur uit en naar de booze buurvrouw te gaan en Trijn achter te laten in gezelschap van haren vroegeren minnaar.
Klaas was een arme schoenmaker, die maar een karig bestaantje had, al verdiende zijne vrouw Trijn ook iets meê door dagelijks ijverig te spinnen. Hun middagmaal was altijd sober en hierover mopperde Klaas dikwijls. Hij hield bijzonder veel van pannekoeken, maar had ze zoolang zij getrouwd waren niet gegeten. Het bleef een vurige wensch, nogmaals pannekoeken te kunnen eten, al was het slechts voor één enkelen keer.
Nu gebeurde 't dat zij een buitenkansje kregen door ééns iets meer te verdienen dan gewoonlijk, en nu kwamen man en vrouw overeen om pannekoeken te eten. Alles wat hiervoor noodig was werd bijeengehaald, maar ten slotte ontbrak hun nog het voornaamste: zij hadden geen koekenpan. Hiervoor was geen anderen raad dan dat Trijn bij de buren ging vragen om een te leenen. Nu ja, een der buurvrouwen bezat wel een koekenpan en was bereid die ten gebruike af te staan, maar zij maakte er deze voorwaarde bij: «Dan moet je bij het terugbezorgen der pan, een paar pannekoeken voor mijne kinderen meêbrengen.»
Trijn beloofde dit en nu was ze gereed. Er werden pannekoeken gebakken en vervolgens gegeten. Klaas smulde recht lekker, ze smaakten Trijn ook heerlijk en - eer ze er aan dachten was het geheele baksel op. Zij hadden nog wel meer gelust. «Maar,» zeî Trijn,«hoe maak ik het nu met buurvrouw? Ik heb haar een paar pannekoeken voor de kinderen toegezegd.» - «Daar moet jij voor zorgen,» zeî Klaas, «dat gaat mij niet aan.» - «Zoo, gaat dat jou niet aan? Jij kondt wel een paar pannekoeken minder hebben gegeten. Het is niet meer dan billijk, dat jij de pan terug brengt.» - «Ik dank je hartelijk! Ik wil met dat brutale buurwijf niets te doen hebben.»
Het liet zich aanzien dat er een tamelijk hevige twist zoude ontstaan, maar Klaas gebruikte zijn verstand en zeide: «Hoor eens, Trijn, we kunnen mekaar wel allerlei leelijke dingen verwijten, maar goed beschouwd hebben wij beide even veel en even weinig schuld aan het geval. We hadden wat meer meel moeten koopen, maar de penningen die we hadden te besteden, lieten dit niet toe. Nu wil ik een voorstel doen. We gaan beide aan ons werk zitten, en zwijgen. Wie van ons het eerst een woord spreekt, zal verplicht zijn de koekenpan aan buurvrouw terug te brengen.»
Trijn nam hierin genoegen en eenige oogenblikken later zaten ze beide zwijgend te werken. Klaas op zijn drievoet trok aan den pikdraad dat het een aard had en fluitte daarbij een lustig deuntje. Trijn deed in een anderen hoek der kamer haar spinnewiel snorren en bracht daarbij onophoudelijk een suizend geluid met hare lippen voort. De lust en aandrang om een woord te spreken kwam bij beide wel nu en dan boven, maar de een zoo goed als de ander wist zich telkens te bedwingen. De zaak werd moeilijker toen er een buurman kwam met een ouden schoen in de hand. Hij zeide: «Baas Klaas, zoudt ge vandaag dezen schoen wat kunnen herstellen?» Klaas nam den schoen aan, knikte toestemmend en fluitte. De buurman wilde blijkbaar een praatje maken, maar kreeg op alles wat hij zeî geen ander antwoord dan hoofdknikken als 't ja, en hoofdschudden als 't neen moest zijn, en dit altijd fluitende.
Buurman wendde zich tot Trijn: «Wat scheelt je man, Trijn? Hij schijnt wel gek geworden te zijn.» Trijn spon door en deed met hare lippen: psss, psss, psss, maar sprak geen woord. «Wat,» zeî buurman, «kunt gij ook al niet praten? Dat is leelijk genoeg. Weet je 't nog, Trijn, toen we beide nog ongetrouwd waren ben ik eene poos je vrijer geweest. Wat heb ik toen wel aangename uren aan je zijde doorgebracht en wat kondt ge toen aardig babbelen. Kunt ge dat nu niet meer? Laat ik dan eens beproeven het je op nieuw te leeren.» Hij nam een stoel, plaatste zich aan hare zijde en maakte de beweging alsof hij haar wilde kussen. Dit was voor Klaas te veel; hij riep: «Hou! nu is 't ver genoeg!» En Trijn klapte van blijdschap in de handen terwijl ze riep: «Ha! jij hebt het verloren; jij moet de koekenpan terugbrengen!»
Wat zou de goede man doen? Hij zag zich genoodzaakt met de koekenpan de deur uit en naar de booze buurvrouw te gaan en Trijn achter te laten in gezelschap van haren vroegeren minnaar.
Onderwerp
AT 1351 - The Silence Wager   
ATU 1351 - The Silence Wager.   
Beschrijving
Een schoenmaker en zijn vrouw zijn arm. De schoenmaker, Klaas, wil graag eens pannenkoeken eten. Als ze een financiële meevaller hebben, halen ze alles wat nodig is voor pannenkoeken in huis. Het ontbreekt ze alleen aan een pannenkoekenpan. De vrouw, Trijn, leent deze bij een buurvrouw, in ruil voor een paar pannenkoeken. Voor ze eraan denken, zijn alle pannenkoeken echter op. Geen van beide wil de pan terugbrengen naar de buurvrouw. Ze sluiten een weddenschap af dat wie het eerst praat, deze taak moet vervullen. Als een buurman, die een oude vrijer is van Trijn, langskomt en toespelingen maakt op zijn tijd met Trijn, weet Trijn zich wel stil te houden, maar Klaas wordt zo jaloers dat hij de buurman de mond snoert en de weddenschap verliest.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 123-125
Motief
J2511 - The silence wager.   
Naam Overig in Tekst
Trijn   
Klaas   
