Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

GLDVOLK8001 - Eene reisontmoeting. Faust in Waardenburg

Een sage (almanak), zaterdag 01 januari 1842

FaustWaardenburg01.png
FaustWaardenburg02.png
FaustWaardenburg03.png

Hoofdtekst

Eene reisontmoeting.
Het was een weêr dat men geen hond of kat zou uitjagen, en ik moest van Tiel tot Bommel, dien beruchten dijk langs, waarvan een oud grootje laatst aan haren arts verhaalde: dat, als men het eind van Bommel tot Gorkum er bij nam, er dan 73 tooverheksen aan den zelven woonden. Ik nam te Hemert een’ boerenwagen en zat onder mijne paraplui in stil gepeins ter neder gedoken. Voor mij zat een boertje en naast hem nog een. Ieder had een paard geleverd, één echter hield de tengels en wij reden lustig voort.
Of het de donkere buijen waren, of wat het was weet ik niet, mijn hoofd was vol van spoken en weerwolven. Mijne voerlui desgelijks, en druk werd ons gesprek over alle vreesselijkheden, die er in het nachtelijk gebied der duistere geestenwereld plaats vinden.
Ik mag wel eens zulk een gesprek. Het is mij dan nog als in de jaren mijner kindschheid, toen ik, in het midden van feeën en toovergeschiedenissen, zoo menigmaal door eene kille rilling bevangen werd en toch niet wist waarom. Een geheim gevoel van eene onbekende wereld mag zich dan wel met onweerstaanbare kracht aan de ziel opdringen. Ik zie steeds, waar ik het bijgeloof aanschouw, zoo zonneklaar bewezen als immer eene mathematische stelling bewezen werd, dat het geloof aan eene onzigtbare wereld eene wezenlijke behoefte voor het arme menschelijke hart is. Uren kan ik mij verdiepen, om met den landman de donkere holen van het nachtelijke gebied zijner schimmenwereld te doorkruipen, dan eindelijk komt eene onwederstaanbare neiging op om dat bijgeloof met harde hand hare hulsels te ontrukken en het geloof in zijne plaats te stellen. Zoo ging het mij toen ook; menige weerwolf was ons in zijne schijngedaante verschenen, menige toverheks had hare wondervolle daden verrigt, en reeds was ons gesprek sedert lang afgebroken toen plotselijk de voerman de paarden in den teugel hield, en wij stapsvoets voortreden.
Maar, zeide hij, daar hebt gij nu toch Waardenburg, de plaats waar doctor Faust zijne grootheid beleefde, en ginds het venster, waar Joost hem bij de haren doorsleepte.
Zie, zeide hij, en wees met den zweep naar een donker torentje in somber geboomte verborgen.
Ik zag het. Sombre wolken bedekten de lucht. Een rassche stormwind joeg hen ijlings voort. Het was schemeravond geworden.
Ei vriend, zeide ik, verhaal mij er wat van?
Toen zeide de oudste tot den jongste: toe, Jasper, zeg gij dat versjen eens op, dat je onderlaatst aan de deur gekocht hebt. Jasper liet zich niet noodigen en begon op vrolijke trant het volgende liedje te zingen:

Faust op Waardenburg.
Wanneer men met een wagen koomt,
Van Tiel naar Bommel rijden,
Of zich met schip, dat zeilt of stoomt,
Den Waalstroom af laat glijden,
Dan ziet men in ’t geboomt’ van ver
Een oud kasteel, van eeuwen her.

’t Is Waardenburg, dat oude slot,
Dat weêr en tijd blijft tarten.
Waar Faust, den duivel zelfs ten spot,
Eens speelde vreemde parten.
Ja, ’t is een zonderling geval,
Dat ik u thans verhalen zal.

Er leefde een doctor, gansch niet gek,
Op Waardenburg voor dezen,
Die alle kwalen, elk gebrek,
Kon in den grond genezen.
Die wonder doctor, Faust genaamd,
Was door geheel Europa befaamd.

Faust zat met lang gerekt geduld,
In dik bestoven boeken,
Naar een geheim, op ’t diepst verhuld.
Der wijzen steen te zoeken;
Maar wat hij zocht, tot zijn verdriet,
Vond hij den steen der wijzen niet.

He! zeide de voerman, het kamertje is er nog, waar hij zat te studeren. En vreeselijk zijn de kelders, waar hij de kunsten zijner sympathie ten uitvoer bragt. Maar ga voort.

Ten laatste wordt hij radeloos,
En, ’t lange zoeken moede,
Roept hij, verdrietig, wrevlig, boos,
Gramstorig, vol van woede,
Den Duivel tot zijn bijstand aan….
En ziet hem daadlijk naast zich staan.

Dit komt u ongelooflijk voor,
Maar weet dan, goede menschen,
De duivel geeft altijd gehoor
Aan hen, die naar hem wenschen.
Doch nimmer helpt hij tot geluk,
Maar wel bij menig boevenstuk.

Legt ’t nooit dus met den duivel aan,
Want, hoe ’t ook eerst moog’ vlotten,
Hoe ’t alles naar uw’ wensch moog’ gaan,
Hij zal u steeds bedotten.
’t Is onverzetlijk vast bepaald,
Gij zijt het, die ’t gelag betaalt.

Daar heeft den dichter den nagel op den kop geslagen, want geen boer rijdt naar Bommel, of, als hij streken achter de mouw heeft, dan heeft dat vensterke daar in den toren een harde les voor hem. Zoo zal het jou ook gaan, zegt het een iegelijk mensch, als of het de dominé zelf was op den preekstoel.

Dan, keeren wij tot Faust nu weêr!
Met hoogst eerbiedig groeten,
Betitelt Joost hem als zijn Heer,
En, buigend tot de voeten,
Blijft hij ootmoedig voor hem staan,
En spreekt den docter aldus aan:

“Hoe zit gij zoo mistroostig dáár
te suffen en te denken?
Neem mij gedurend zeven jaar,
Tot knecht, en op uw wenken
Doe ‘k alles, wat gij slechts begeert,
Al is ’t ook averechts verkeerd.”

“Accoord,” zei Faust, “dat neem ik aan
Gij dient mij zeven jaren;
En, hebt gij trouw uw pligt gedaan,
Dan kunt gij, zonder sparen,
Zoodra uw diensttijd is voorbij,
Ook vrij beschikken over mij.”

“Maar voet bij stuk,” sprak Joost, “’t accoord
Moet elk van ons eerst teek’nen;
Want op en los gegeven woord
Daar kan ik niet op rek’nen,
Haal dus papier en pen met spoed,
Dan teekent elk het met zijn bloed.”

Nu ging het Faust naar zin en lust,
Nu kon hij toch regeren;
Hij liet aan Joost geen oogwenk rust:
Die bragt, op zijn begeeren,
Al wat er mooi was, kostbaar, eêl
Te Waardenburg op zijn kasteel.

Nu smulde Faust op ’t oude slot,
Waar nimmer schoorsteen rookte,
Nu at hij steeds een lekk’ren pot,
Ofschoon hij nimmer kookte;
Want naauwelijks had hij ’t maal bedacht
Of ’t werd door Joost hem aangebragt.

Nu kon hij op het rijkst festijn
Zijn vrienden vrij onthalen;
Men dronk Bourdeau, of Duitschen wijn,
Uit schuimende bokalen.
Al wat er op zijn tafel stond,
Was van het beste dat men vond.

’t Kwam steeds uit Londen of Parijs
Al wat er werd gegeten;
At men er vaderlandsche spijs
Dan mogt het zeldzaam heeten.
Zoo had Faust druiven, naar zijn wil,
In maart, meloenen in april.

De Voerman. De boeren spreken ook nog van peultjes op kersmis en groote boonen op drie koningen. De dichter heeft dat overgeslagen.

De schoonste bloemen, die men vond,
Zag m’ in zijn’ bloemhof prijken;
Wat ooit in Haarlems dreven stond
Was niet te vergelijken,
Bij ’t geen zelfs op den korsten dag,
Men op zijn slotplein bloeijen zag.

De Voerman. Ook zegt men nog wonder wat van een Hortensia, die wel drie duizend bloemen gaf en dat midden in de vorst, op nieuwjaarsdag.

Hij reed meest in een kiereboe,
Met vier sneeuw witte paarden,
Die, schoon niet rustend, nimmer moe,
Hun krachten geenszins spaarden
Maar, onophoudelijk op den loop,
Hem voerden door geheel Euroop.

Zij jaagden in één dag en nacht
Van Waardenburg naar Romen;
En waren naauwlijks met hun vracht
Van daar teruggekomen,
Of renden weder naar Berlijn,
Of naar de stad van Constantijn.

“O! denkt gij, wat gelukkig mensch
Was Faust toch in die dagen!
Och! ging ’t mij ook eens zoo naar wensch!
Had ik slechts ’t al voor t vragen!”
Maar vrienden, ’t gaat onwrikbaar vast
Dat eenmaal ’t einde draagt den last.

Faust, die nu vrij gebieden kon,
Schepte allermeest behagen
Door list op list, die hij verzon,
Den duivel steeds te plagen,
Hij liet noch nacht, noch dag hem rust
Want kwellen was zijn levenslust.

Moest Faust nu soms met grooten spoed
Naar Bommel met zijn’ wagen
Dan was ‘t, “Toe, over gindschen vloed
Terstond een brug geslagen.”
En was hij dan er over heen
Dan moest de brug ook weêr in één.

De voerman. En dan nog de keisteenen voor den wagen uit allen opnemen in de straat van Bommel en achter de koets weêr plaveijen, net zoo als ze gelegen hadden.

Soms nam hij wel een schepel garst
En wierp die in de doornen,
En Joost, die schier van woede barst,
Bragt de uitgestrooide koornen,
Eer nog de nacht van de aard verdween,
Juist als ’t geweest was, weêr bijeen.

Dan gaat Faust soms een zak met meel
Met drappig water mengen,
Dat Joost hem ’s morgens op ’t kasteel
Gezuiverd weêr moest brengen.
Zoo toch bepeinst hij dag aan dag
Hoe hij den duivel plagen mag.

De voerman. In de gracht gooide hij het en Joost kon het opvisschen. Hij moest duikelen.

Zoo duurde dat vier jaren lang,
Met kwellen en met plagen,
Toen werd het eindlijk Joost te bang,
Hij kon ’t niet meer verdragen,
Hij ging dus naar den doctor toe
En zei: “dat leven word ik moe.”

“Gij weet het is vier jaren nu,
Dat gij mij dus blijft tergen;
Voor al dien tijd wil ik van u
Niet eenen stuiver vergen;
‘k Eisch ’t loon voor geenen enklen dag,
Geef mij slechts heden mijn ontslag.”

“Neen! voet bij stuk,” sprak Faust, “’t accoord
Moet gij naar eisch volbrengen.
Ik houd u stiptlijk bij uw woord,
Ik wil geenszins gehengen,
Dat van de zeven jaren wordt,
Een enkel uurtje zelfs gekort.”

De voerman. Men zegt hier, dat Joost er zoo mager van wierd dat men wel door hem heen kon zien. Nou, het moet er wat toegegaan hebben. Zoo wild, dat het nergens naar lijkent. ’t Moet er een leven geweest zijn zoo dol als men het praktiseren kan.

Dus diende hem, met norsch gebrom.
De duivel zeven jaren,
Maar Joost zag naauw dat tijdvak om,
Of greep Faust bij de haren,
En vloog straks met dien rijken buit
Te Waardenburg het venster uit.

De voerman keek nog eens naar het venster om, of hij voor zijne levendige verbeelding het tooneel nogmaals zoude zien opdagen. Toen eindigde zijn makker.

Hij sleept Faust naar de hellepoel,
Daar ligt hij nu te braden,
Ontvangt, in ’t foltrenst smartgevoel,
’t Loon van zijn euveldaden,
Want eens, ’t zij voor of over ’t graf,
Volgt zeker op de misdaad straf.

Toen waren wij te Tuil. Zonderling, dacht ik, dat ook Faust hier bekend is als een wezen der wezenlijkheid en niet der verbeelding. Kortom, de weg was mij kort gevallen. De avond was daar en ik was blijde dat ik met de pont binnen Bommel kwam.

Onderwerp

SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.    SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.   

Beschrijving

Faust sluit een verbond met de duivel waardoor de duivel hem als knecht zeven jaar al zijn wensen zal vervullen. De wensen zijn zo buitensporig, dat de duivel na vier jaar ontslag vraagt, maar Faust weigert dat. Na de zeven jaar sleept de duivel Faust naar de hel.


Bron

Geldersche Volksalmanak 8 (1842) p. 164-174

Motief

M211 - Man sells soul to devil.    M211 - Man sells soul to devil.   

M201.1.2 - Pact with devil signed in blood.    M201.1.2 - Pact with devil signed in blood.   

M211.9(a) - Man sells soul to devil; devil is to grant all his wishes made during a specified time.    M211.9(a) - Man sells soul to devil; devil is to grant all his wishes made during a specified time.   

M219.2 - Devil fetches man contracted to him.    M219.2 - Devil fetches man contracted to him.   

H932 - Tasks assigned to devil (ogre).    H932 - Tasks assigned to devil (ogre).   

Naam Overig in Tekst

Faust    Faust   

Joost    Joost   

Naam Locatie in Tekst

Waardenburg    Waardenburg   

Tiel    Tiel   

Bommel    Bommel   

Zaltbommel    Zaltbommel   

Gorkum    Gorkum   

Hemert    Hemert   

Waalstroom    Waalstroom   

Londen    Londen   

Parijs    Parijs   

Haarlem    Haarlem   

Rome    Rome   

Berlijn    Berlijn   

Constantinopel    Constantinopel   

Tuil    Tuil   

Plaats van Handelen

Waardenburg    Waardenburg