Hoofdtekst
Er woonden weleer te Bolsward een man en vrouw, die geene kinderen hadden. De vrouw was zuinig en oppassend, altijd ijverig in hare huishouding, maar de man was verslaafd aan den drank en aan het kaartspel. In nuchteren staat werd hij door zijne vrouw soms ernstig onderhouden en dan beloofde hij telkens beterschap, maar hij hield geen woord. Het kwam zelfs zoover, dat hij bij zulk eene gelegenheid zichzelven verwenschte en zeide: «De duivel moge mij van lid tot lid verscheuren, zoo ik mij nu weer dronken drink!» Nu ging het ook een poosje goed, maar de man kon niet volhouden. Hij geraakte op zekeren avond in de herberg met eenige kameraden aan het kaartspel, en ten slotte kwam hij zeer laat en beschonken tehuis. Hij begaf zich naar de keuken en legde zich daar op de haardplaat neder. Zijne vrouw, reeds te bed, had hem wel vloekende en brommende in huis hooren komen, maar gedacht: laat hem maar zelf een rustplaats zoeken. Maar toen zij des anderen morgens in de keuken kwam, vond zij niets dan op de haardplaat een hoopje asch; dit was alles wat van haren man was overgebleven. En aan den witten wand bij den haard zag men den zwartachtigen afdruk van eene hand. Men vreesde al dadelijk dat dit een handtast des duivels was, en dit werd bewaarheid, toen men poogde de figuur met wítkalk onzichtbaar te maken. Hoe dikwijls men dit herhaalde, de prent liet zich altijd na korten tijd weer zien. Wel honderd jaar later stond die handtast daar nog. — Dat de duivel zelf den man had doen verbranden stond vast!
Dit is blijkbaar eene onjuiste lezing van de geschiedenis, die door Balthasar Bekker in zijn Betoverde Wereld, Boek IV, bl. 160, v.v., wordt medegedeeld als voorgevallen in 1681. Douwe Sydses, een metselaar te Bolsward, zoo luidt het daar, kwam den 24 Juni des avonds te half elf, toen zijne vrouw reeds te bed was, dronken tehuis en legde zich, gekleed zooals hij was, geholpen door zijn stiefdochter, in de keuken op kussens te slapen, ver genoeg van den haard verwijderd, waarin trouwens het vuur ook onder de asch was bestopt, en zonder dat er licht in het vertrek brandde. En toch, toen hij in den nacht verschrikt ontwaakte en opsprong, stonden zijne kleederen van het hoofd "tot de voeten in brand. In zijnen angst riep hij : «O God! wees mij armen zondaar genadig!» — en terstond waren de vlammen gedoofd. Hij had brandwonden bekomen, doch behield het leven; maar hij geloofde zelf, en al het volk met hem, dat de duivel hem in brand had gestoken en dat door zijn inroepen van Gods hulp het werk des satans was verstoord. — Hiervan wil Bekker niets weten; hij beweert dat iemand die zulk eene overmatige hoeveelheid spiritus had ingezwolgen als Douwe Sydses, wel op natuurlijke wijze in brand kon geraken. Het verhaal des volks, dat ongetwijfeld van mond tot mond is gegaan, zonder dat men Bekker had gelezen, en zoo tot op onzen tijd bewaard bleef, levert een bewijs, wat de volksdichting van eene ware gebeurtenis weet te maken.
Onderwerp
SINSAG 0893 - Die Teufelsprägung   
Beschrijving
Dit verhaal wordt door Dykstra beschouwd als een verkeerde lezing van het verhaal over Douwe Sydses, die dronken voor de haard, die niet meer brandde, ging slapen en 's nachts in lichterlaaie stond. Men geloofde wel dat dit het werk van de duivel moest zijn, maar volgens Balthasar Bekker, die het verhaal optekende, is dit onzin. Het is niet onverklaarbaar dat een man in zo'n beschonken staat als Douwe Sydses, in brand geraakt.
Bron
Motief
G303.6.1.3 - Devil appears to claim soul offered to devil in jest.   
A972.2.2 - The devil’s footprint.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Betoverde Wereld   
Balthasar Bekker   
Douwe Sydses   
Naam Locatie in Tekst
Makkum   
Bolsward   
Plaats van Handelen
Bolsward   
Kloekenummer in tekst
B106p   
B110p   
