Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2144

Een sage (boek), 1896

Hoofdtekst

Te Makkum woonde in vroegeren tijd een kofschipper, bekend als een goddeloos man, die met zijn schip zulke buitengewoon snelle reizen kon maken, dat hij, naar men meende, daarbij geholpen moest worden door iemand, van wiens hulp een gemoedelijk christen liefst niet gediend wil zijn. Het liep dan ook hier op uit, dat deze schipper, toen hij eens op de terugreis was met eene lading balken van Riga, door den duivel van boord werd gehaald. Hij zeilde met een gunstigen wind en een flinke koelte in de Noordzee. Het scheepsvolk had den geheelen voormiddag reeds gedacht en gezegd: «Wat er met onzen kapitein aan de hand is, begrijpen wij niet.» Hij zat in de kajuit en daar werd zoo druk gepraat, alsof er een talrijk gezelschap bijeen was. Toch kon hij er slechts alleen zijn: midden in de Noordzee kon toch niemand bij hem aan boord komen, meenden ze, althans niet zonder dat zij het zagen. Er had hen dien dag ook nog geen enkel schip gepraaid. Toen eindelijk de kok het middageten gaar had, beval hij den jongen
den kapitein te gaan zeggen, dat het maal gereed was, en hem te vragen wanneer hij verkoos te eten. — De jongen had niet veel lust om daar op los te gaan. Hij was vreesachtig van aard en had den geheelen voormiddag het volk hooren mompelen en fluisteren en daaruit begrepen, dat het in de kajuit niet pluis moest zijn. Hij aarzelde dus. Maar weigeren het bevel op te volgen, dorst hij ook niet; want deed hij dit, dan zoude er zeker eene zeer onwelgevallige touwplechtigheid aan hem worden voltrokken. Schoorvoetend ging hij naar de kajuit en keek eens om het hoekje der deur. Maar met den luiden kreet «och Heer!» deinsde hij terug
en kwam bevend als een riet bij den kok. Deze, denkende dat de jongen een opstopper van den kapitein had ontvangen, greep hem bij den arm en vroeg vrij barseh wat er te doen was. De stumperd was zoo ontsteld, dat hij als sprakeloos was en eerst nadat de kok een vriendelijker toon had aangeslagen, vertelde de knaap dat er iemand bij den kapitein in de kajuit was, een deftig gekleed heer in een rooden rok. Dit bericht deed al het scheepsvolk ontstellen. Een deftig heer in een rooden rok! En die was middenin de Noordzee aan boord gekomen, zonder dat iemand het had vernomen! Dit was een verdacht geval. De stuurman was eerst tamelijk ongeloovig, maar na de herhaalde verzekering van den koksjongen
zeide hij: «Mannen, ik heb jelui allen leeren kennen als menschen met moed in het lijf, die ook als 't noodig is de vuisten weten te gebruiken. Maar dit is een bijzonder geval. Toch dienen wij de zaak te onderzoeken. Voor een of twee afzonderlijk is dit echter niet raadzaam: wij moeten met mannenmacht er op los.» — De kok wilde zich verontschuldigen: hij diende naar 't eten te zien.
Maar dit hielp hem niet, hij moest meê, al zou hij dan ook met den jongen de achterhoede uitmaken. — Men ging gezamenlyk naar de kajuit, keek de deur in, maar zag. . . niets! De kapitein was er evenmin als een heer in een rooden rok. Men zocht in alle hoekjes, men onderzocht des kapiteins kooi, maar hij was er niet. Men zocht en zocht, doch alles vruchteloos. De kapitein was verdwenen: er moest iets buitengewoons met hem zijn voorgevallen en niemand der aanwezigen twijfelde er aan, dat de heer in den rooden rok de duivel in eigen persoon was geweest. De stuurman merkte op, dat een der kajuitspoortjes openstond, en nu begreep men, dat de duivel door die opening met den kapitein moest weggevlogen zijn, toen het volk de kajuit naderde. Van de eerste ontsteltenis bekomen, besloot men het schip zoo spoedig mogelijk in een behouden haven te brengen en aan de reeders kennis te geven van de zaak. Dit geschiedde; het scheepsvolk ontving afrekening en ieder hunner besloot voor vast nooit weer een reis meê te maken op dat schip.
De vriend van Makkum, die mij deze geschiedenis mededeelde, voegt er bij: «Toen ik in 1829 te Koudum woonde, ontmoette ik daar een tachtigjarigen neef van mijn grootvader, die lang had buitengevaren. Hij vertelde, een der opvarenden van dat kofschip geweest te zijn, toen de duivel den kapitein weghaalde. Maar hij noch een zijner kameraden had sinjeur den roodrok gezien.

Onderwerp

SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.    SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.   

Beschrijving

Te Makkum woonde een schipper die zulke korte reizen maakte, dat hij ervan verdacht werd een pact met de duivel gesloten te hebben. Toen de schipper met zijn schip op terugreis was van Riga naar Makkum, vernam het scheepsvolk iets vreemds: de kapitein leek druk in gesprek te zijn met iemand, maar midden op zee had niemand aan boord kunnen komen. Een jongen wordt erop uitgestuurd om in de kajuit te kijken. Geschrokken vertelt hij dat hij de schipper zag praten met een in het rood geklede man. Wanneer de rest poolshoogte komt nemen, is de kajuit leeg. Wel staat er een kajuitspoortje open. De stuurman vermoedt dat de man in het rood de duivel was en dat hij met de schipper door het kajuitspoortje is weggevlogen. Nadien durfde niemand meer op het schip te varen.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 191-192

Motief

M210 - Bargain with devil.    M210 - Bargain with devil.   

M219.2 - Devil fetches man contracted to him.    M219.2 - Devil fetches man contracted to him.   

G303.3.1.2 - The devil as a well-dressed gentleman.    G303.3.1.2 - The devil as a well-dressed gentleman.   

G303.5.3 - The devil dressed in red.    G303.5.3 - The devil dressed in red.   

Commentaar

Onderdeel van het hoofdstuk "Werken des duivels".

Naam Locatie in Tekst

Makkum    Makkum   

Noordzee    Noordzee   

Koudum    Koudum   

Riga    Riga   

Plaats van Handelen

Noordzee    Noordzee   

Kloekenummer in tekst