Hoofdtekst
den kapitein te gaan zeggen, dat het maal gereed was, en hem te vragen wanneer hij verkoos te eten. — De jongen had niet veel lust om daar op los te gaan. Hij was vreesachtig van aard en had den geheelen voormiddag het volk hooren mompelen en fluisteren en daaruit begrepen, dat het in de kajuit niet pluis moest zijn. Hij aarzelde dus. Maar weigeren het bevel op te volgen, dorst hij ook niet; want deed hij dit, dan zoude er zeker eene zeer onwelgevallige touwplechtigheid aan hem worden voltrokken. Schoorvoetend ging hij naar de kajuit en keek eens om het hoekje der deur. Maar met den luiden kreet «och Heer!» deinsde hij terug
en kwam bevend als een riet bij den kok. Deze, denkende dat de jongen een opstopper van den kapitein had ontvangen, greep hem bij den arm en vroeg vrij barseh wat er te doen was. De stumperd was zoo ontsteld, dat hij als sprakeloos was en eerst nadat de kok een vriendelijker toon had aangeslagen, vertelde de knaap dat er iemand bij den kapitein in de kajuit was, een deftig gekleed heer in een rooden rok. Dit bericht deed al het scheepsvolk ontstellen. Een deftig heer in een rooden rok! En die was middenin de Noordzee aan boord gekomen, zonder dat iemand het had vernomen! Dit was een verdacht geval. De stuurman was eerst tamelijk ongeloovig, maar na de herhaalde verzekering van den koksjongen
zeide hij: «Mannen, ik heb jelui allen leeren kennen als menschen met moed in het lijf, die ook als 't noodig is de vuisten weten te gebruiken. Maar dit is een bijzonder geval. Toch dienen wij de zaak te onderzoeken. Voor een of twee afzonderlijk is dit echter niet raadzaam: wij moeten met mannenmacht er op los.» — De kok wilde zich verontschuldigen: hij diende naar 't eten te zien.
Maar dit hielp hem niet, hij moest meê, al zou hij dan ook met den jongen de achterhoede uitmaken. — Men ging gezamenlyk naar de kajuit, keek de deur in, maar zag. . . niets! De kapitein was er evenmin als een heer in een rooden rok. Men zocht in alle hoekjes, men onderzocht des kapiteins kooi, maar hij was er niet. Men zocht en zocht, doch alles vruchteloos. De kapitein was verdwenen: er moest iets buitengewoons met hem zijn voorgevallen en niemand der aanwezigen twijfelde er aan, dat de heer in den rooden rok de duivel in eigen persoon was geweest. De stuurman merkte op, dat een der kajuitspoortjes openstond, en nu begreep men, dat de duivel door die opening met den kapitein moest weggevlogen zijn, toen het volk de kajuit naderde. Van de eerste ontsteltenis bekomen, besloot men het schip zoo spoedig mogelijk in een behouden haven te brengen en aan de reeders kennis te geven van de zaak. Dit geschiedde; het scheepsvolk ontving afrekening en ieder hunner besloot voor vast nooit weer een reis meê te maken op dat schip.
De vriend van Makkum, die mij deze geschiedenis mededeelde, voegt er bij: «Toen ik in 1829 te Koudum woonde, ontmoette ik daar een tachtigjarigen neef van mijn grootvader, die lang had buitengevaren. Hij vertelde, een der opvarenden van dat kofschip geweest te zijn, toen de duivel den kapitein weghaalde. Maar hij noch een zijner kameraden had sinjeur den roodrok gezien.
Onderwerp
SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.   
Beschrijving
Bron
Motief
M210 - Bargain with devil.   
M219.2 - Devil fetches man contracted to him.   
G303.3.1.2 - The devil as a well-dressed gentleman.   
G303.5.3 - The devil dressed in red.   
Commentaar
Naam Locatie in Tekst
Makkum   
Noordzee   
Koudum   
Riga   
Plaats van Handelen
Noordzee   
Kloekenummer in tekst
B106p   
F028p   
