Hoofdtekst
De man van de Kastanjelaan heb ik derbij gezet. De man van de Kastanjelaan heb ik hier staan. Nou me vader werkte op de mijner, die was toen nog niet gepensioneerd, en der woonde in de Kastanjelaan bij ons in Hoensbroek, toen woonde een man. Maar die was [enen kost?], der was geen man vandaar. Waar die vandaan kwam da weet ik nie, ‘k geloof da niemand da wist. En heb zich op de mijn aangemeld en die werkte op de mijn. En dan moesten ze an stuk kolen uit halen he. Die lui zaten zoveel honderden meters diep onder de grond he, zeven, achthonderd meter onder de grond hebben die gezeten. En dat was vroeger nog, toen liepen nog paarden onder de grond […] en der was een paard en ‘t wou nooit lopen. En, maar me vader had er wat op gevonden want die pruimde, dat paard had zo graag een shagrolletje, un pruimrolletje. Zo’n zwart rolletje was da. Ik weet nog goed dat het negen cent kostte en da ik der zo veel voor vader had moeten halen. Zo’n klein rolletje in een papiertje gedraaid he, ja. En, en, en, da deed die da pruimrolletje, ‘n stuk van da pruimrolletje, aan, aan, aan een lange stok binden en dan hield die de stok over ‘t paard heen en dan rende ‘t paard zich kapot met die kolen. Dan waren die altijd vlug. Dan moest die kolen vervoeren, zo hij stapelde die kolen in die karretjes maar ‘t paard moest trekken, en hield m’n vader dan die stok met dat pruimrolletje voor en dan liep dat beest, en anders zou dat nooit lopen. He’t ie zo vaak verteld.
Toen kwam er een man, een vreemdeling en die kwam, die ging in de Kastanjelaan in de kos. Maar die man heb ik ook nog gekend. Was ik al een groot kind, toen was ik in Hoensbroek op school. En altijd als we langs die man moesten komen, die man was altijd vriendelijk, en daar ken je [onverstaanbaar] altijd, maar wij waren bang voor die man. En we weten niet waarvoor, ‘k weet nooit, ja hij had zo’n rare ogen die man. Wij kinderen waren bang, en altijd als we thuis kwamen zei: “Pap, ik heb de man uit de Kastanjelaan gezien en we hebben gerend”. En wat renden ons kapot om thuis te komen. Zei pap: “Waarvoor heb je dan zo gerend?”. “Ja, we zijn zo bang voor hem”. “Hij heb je toch niets gedaan”. “Die heb niks gedaan, hij zei heel vriendelijk gedag, hij stond buiten de poort” zei we. Maar we hebben zo’n angst, hij heb zo’n rare ogen” zeien we. Toen zei vader: “kind, ik, ik, ik, weet ‘t niet en ik ken ook niets bewijzen” zei vader, “maar ik heb ook angst voor hem”. Ik zei: “pap waarom?” En toen heb vader mij dit verhaal verteld van de man uit de Kastanjelaan.
Die werkte met een man of zes in een peiler, vader ook. En toen kwam die man uit de Kastanjelaan en toen hadden ze stukloon, dat wil zeggen: als je zoveel extra deruit haalde dan eh, had je nog wat extras verdiend, he. Dus die hard werkte die, die had ook kans dat die, en als je dan iemand bij je had die hard werkte, ja, daar bofte je mee, he, die kon als die hard werkt natuurlijk want het zat voor je eigen broodje. Ze verdienden toen nog zo weinig.
“En toen kwam die man uit de Kastanjelaan en die was met de opzichter gaan praten”, zegt vader. En in ene keer zegt die eh, die werkte bij hun in het stuk. “Maar die zag je nooit werken”, zegt vader, “en als wij nou aan die kant kolen moesten uitslaan en hij aan die kant en we keken. Je zag heb van m’n leven niet werken en altied was ie als eerste klaar. Die zag je nooit werken”. Toen zei die mannen: “Wat hebben we aan die? Die werkt van m’n leven niet, maar die ist al klaar” zeiden zij ook “maar hoe kan dat dan?” Toen had die opzichter gezorgd dat die vent in, een stuk alleen kreeg. Ganz alleen, want die mannen die zeien: “ik werk niet graag met em”. Die zei ook nooit van m’n leven wat. Die anderen die zaten allemaal bij melkaar te botteren en wat boterham eten en koffie drinken en hij altijd apart. Die sloot zich nooit nergens bij aan. Ze zeien: “Dat is een engel, zet die maar ergens alleen” zeie ze “die doet toch geen kop open” zeien ze. Zo zeien ze dat ook tegen die opzichter. Waren ze naar die opzichter gegaan hadden ze gezegd: “Zet hem alsjeblieft alleen, want die doet geen kop open, daar hebben we ook niets aan als kompel, he”. “Ja, hij doet toch goed z’n werk, we hebben geen klachten”. “Zet hem maar alleen” zeien ze “daar hebben we toch niets aan”. Toen kreeg die een stuk alleen, ganz alleen. Ze hebben hem uitgeloerd in andere kompels. He heb de hele tijd op de steen gezete en ‘t was a half shieft, die gingen al botteren, boterham eten, had ie nog geen slag gedaan. En toen, toen ze met schacht naar boven gingen had hij, wat die anderen met zeven man gedaan hebben, het stuk alleen deruit. En niemand heb em zien werken. En iedere dag deed die een stuk wat normaal zes, zeven man deeen, deed de man van de Kastanjelaan ganz alleen. Had die iedere dag gedaan.
En op zondags was ie in ‘t café, en toen had iemand, m’n vader, “kom maar op” hadden ze gezegd, “ga eens naar, naar, naar de café tegenover staatsmijn Emma”, was een café, is der nog da café. En toen zeien ze der is, “wa, wa is dan daar?” zei m’n vader. “Nou moet je vlug zijn” zeien ze “anders is ‘t misschien weg”. Nou die lopen zich in ‘t zweet naar ‘t café toe. Moest ie grote Heisterberg op voor‘t ie aan ‘t café wa. En daar zat die man van de Kastanjelaan in ‘t café [onverstaanbaar], niet sympathiek want niemand zei hem haast goeiendag he, wa een onvriendelijk iemand. En dan zat die daar met verschillende mensen om hem heen en dan zei die “ja, ik weet wel dat ik gehaat ben” zei die, “dat weet ik wel da niemand mij mag”. Hij zeg: “maar, eh, ik weet ook wel waarvoor”. En toen zei ze “ja je bent ook zo raar, je sluit je bij niemand aan en, en, en daarvoor mogen ze ook niet. En hier kennen ze zich allemaal, he”. “Ja” zei die “misschien ben ik ook een rare”. En toen zei die tegen die vrouw van ik, “blijft daar es effe staan” zei die tegen die vrouw. Die kwam net met het dienblad aangedragen. En toen keek die de vrouw aan en, eh, vloog het dienblad van die vrouw vloog zo naar die tafel op bij hem. Zo uit de lucht, kwam zo ‘t tafel te staan. En die kerel zette zo’n ogen op. Toen zegt ie: “ga eens effe opzij”. Stond daar zo’n tafeltje, zo’n café-tafeltje. Daar was vroeger, hier zo’n la en daar leggen ze altijd zo’n kaart in, die ouderwetse café-tafeltjes. Heb ik nog goed gekend, die hadden ze daar. En da tafeltje ging zo dansen, heen en weer door ‘t café heen. En die vent zat daar maar zo te kijken. Een heleboel mensen hebben het gezien, het tafeltje dansen. En ook het thee, het, het blad met, met, met de bestelling komen.
Toen kwam er een man, een vreemdeling en die kwam, die ging in de Kastanjelaan in de kos. Maar die man heb ik ook nog gekend. Was ik al een groot kind, toen was ik in Hoensbroek op school. En altijd als we langs die man moesten komen, die man was altijd vriendelijk, en daar ken je [onverstaanbaar] altijd, maar wij waren bang voor die man. En we weten niet waarvoor, ‘k weet nooit, ja hij had zo’n rare ogen die man. Wij kinderen waren bang, en altijd als we thuis kwamen zei: “Pap, ik heb de man uit de Kastanjelaan gezien en we hebben gerend”. En wat renden ons kapot om thuis te komen. Zei pap: “Waarvoor heb je dan zo gerend?”. “Ja, we zijn zo bang voor hem”. “Hij heb je toch niets gedaan”. “Die heb niks gedaan, hij zei heel vriendelijk gedag, hij stond buiten de poort” zei we. Maar we hebben zo’n angst, hij heb zo’n rare ogen” zeien we. Toen zei vader: “kind, ik, ik, ik, weet ‘t niet en ik ken ook niets bewijzen” zei vader, “maar ik heb ook angst voor hem”. Ik zei: “pap waarom?” En toen heb vader mij dit verhaal verteld van de man uit de Kastanjelaan.
Die werkte met een man of zes in een peiler, vader ook. En toen kwam die man uit de Kastanjelaan en toen hadden ze stukloon, dat wil zeggen: als je zoveel extra deruit haalde dan eh, had je nog wat extras verdiend, he. Dus die hard werkte die, die had ook kans dat die, en als je dan iemand bij je had die hard werkte, ja, daar bofte je mee, he, die kon als die hard werkt natuurlijk want het zat voor je eigen broodje. Ze verdienden toen nog zo weinig.
“En toen kwam die man uit de Kastanjelaan en die was met de opzichter gaan praten”, zegt vader. En in ene keer zegt die eh, die werkte bij hun in het stuk. “Maar die zag je nooit werken”, zegt vader, “en als wij nou aan die kant kolen moesten uitslaan en hij aan die kant en we keken. Je zag heb van m’n leven niet werken en altied was ie als eerste klaar. Die zag je nooit werken”. Toen zei die mannen: “Wat hebben we aan die? Die werkt van m’n leven niet, maar die ist al klaar” zeiden zij ook “maar hoe kan dat dan?” Toen had die opzichter gezorgd dat die vent in, een stuk alleen kreeg. Ganz alleen, want die mannen die zeien: “ik werk niet graag met em”. Die zei ook nooit van m’n leven wat. Die anderen die zaten allemaal bij melkaar te botteren en wat boterham eten en koffie drinken en hij altijd apart. Die sloot zich nooit nergens bij aan. Ze zeien: “Dat is een engel, zet die maar ergens alleen” zeie ze “die doet toch geen kop open” zeien ze. Zo zeien ze dat ook tegen die opzichter. Waren ze naar die opzichter gegaan hadden ze gezegd: “Zet hem alsjeblieft alleen, want die doet geen kop open, daar hebben we ook niets aan als kompel, he”. “Ja, hij doet toch goed z’n werk, we hebben geen klachten”. “Zet hem maar alleen” zeien ze “daar hebben we toch niets aan”. Toen kreeg die een stuk alleen, ganz alleen. Ze hebben hem uitgeloerd in andere kompels. He heb de hele tijd op de steen gezete en ‘t was a half shieft, die gingen al botteren, boterham eten, had ie nog geen slag gedaan. En toen, toen ze met schacht naar boven gingen had hij, wat die anderen met zeven man gedaan hebben, het stuk alleen deruit. En niemand heb em zien werken. En iedere dag deed die een stuk wat normaal zes, zeven man deeen, deed de man van de Kastanjelaan ganz alleen. Had die iedere dag gedaan.
En op zondags was ie in ‘t café, en toen had iemand, m’n vader, “kom maar op” hadden ze gezegd, “ga eens naar, naar, naar de café tegenover staatsmijn Emma”, was een café, is der nog da café. En toen zeien ze der is, “wa, wa is dan daar?” zei m’n vader. “Nou moet je vlug zijn” zeien ze “anders is ‘t misschien weg”. Nou die lopen zich in ‘t zweet naar ‘t café toe. Moest ie grote Heisterberg op voor‘t ie aan ‘t café wa. En daar zat die man van de Kastanjelaan in ‘t café [onverstaanbaar], niet sympathiek want niemand zei hem haast goeiendag he, wa een onvriendelijk iemand. En dan zat die daar met verschillende mensen om hem heen en dan zei die “ja, ik weet wel dat ik gehaat ben” zei die, “dat weet ik wel da niemand mij mag”. Hij zeg: “maar, eh, ik weet ook wel waarvoor”. En toen zei ze “ja je bent ook zo raar, je sluit je bij niemand aan en, en, en daarvoor mogen ze ook niet. En hier kennen ze zich allemaal, he”. “Ja” zei die “misschien ben ik ook een rare”. En toen zei die tegen die vrouw van ik, “blijft daar es effe staan” zei die tegen die vrouw. Die kwam net met het dienblad aangedragen. En toen keek die de vrouw aan en, eh, vloog het dienblad van die vrouw vloog zo naar die tafel op bij hem. Zo uit de lucht, kwam zo ‘t tafel te staan. En die kerel zette zo’n ogen op. Toen zegt ie: “ga eens effe opzij”. Stond daar zo’n tafeltje, zo’n café-tafeltje. Daar was vroeger, hier zo’n la en daar leggen ze altijd zo’n kaart in, die ouderwetse café-tafeltjes. Heb ik nog goed gekend, die hadden ze daar. En da tafeltje ging zo dansen, heen en weer door ‘t café heen. En die vent zat daar maar zo te kijken. Een heleboel mensen hebben het gezien, het tafeltje dansen. En ook het thee, het, het blad met, met, met de bestelling komen.
Beschrijving
Vroeger woonde er een man in de Kastanjelaan in Hoensbroek. Deze man had rare ogen en de vertelster en andere kinderen waren bang van hem. Hij werkte in de mijn maar niemand zag hem ooit werken. Desondanks kreeg hij dag op dag evenveel gedaan als zeven mijnwerkers samen.
Ook heeft hij ooit in een cafe een dienblad door de lucht laten vliegen en een tafel laten dansen.
Ook heeft hij ooit in een cafe een dienblad door de lucht laten vliegen en een tafel laten dansen.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Motief
D2136 - Objects magically moved.   
Naam Overig in Tekst
Kastanjelaan   
Staatsmijn Emma   
Naam Locatie in Tekst
Hoensbroek   
Heisterberg   
Plaats van Handelen
Hoensbroek   

