Hoofdtekst
As vroeger iemand dood was bleven altijd twee mannen die de dooie goed gekend hadden, die bleve bij de dooie waken. En toen had je nog niet zo veel kamers in huis, er waren meestal kleine, allemaal werkmans huisjes, he. Hadden ze een goeie kamer zogezegd. Daar kwamen ze alleen maar met de kermis in. Zo’n rotding hadden wij vroeger thuis ook, we mochten der nooit in. Alleen met de kermis of als iemand trouwen ging, of als meneer pastoor kwam, he, die mocht in de goeie kamer he. Maar wij, wij mochten toch niet op die goeie stoelen zitten, da werd nooit gebruikt. Da was de goeie kamer, he. Ik had een hekel aan die goeie kamer, he, as kind. En, eh, toen was een man dood en toen kwamen ze opa weer halen en die moest die dooie, sch, scheren, he. “Ja, is goed” zei die en hij ging. Hij was da gewend, he. En vader was toen, mijn vader was toen nog een jong kind en die zei: “oe, griezelig, een dooie scheren”, he. En, en, en toen zei die vader: “maakt mij niks” zei die, eh, tegen die kinderen, die had er zo veel, “geen een gaat mee”, he. En hij ging naar dat sterfhuis en hij schoor de dooie. En die dooie lag in die goeie kamer opgebaard en dan bleef mijn vader en die andere man die bij hem was die heette Obellier […] die bleven […] Mijn grootvader zal ik maar zeggen en Obellier, die bleven bij dat lijk waken. Hie had gezegd “ik blijf ook bij hem waken”. Hie had hem zo goed gekend. En toen zei die: “ik haal wel Obellier” zei die. En er was een ouwe man, ook uit dat dorp, en wij met z’n tweeën blijven bij ‘t lijk zitten. En iemand die ‘t een bietje kon doen, sommige mensen gaven koffie, sommige mensen bier, of een drupke, zeien ze, een cognacje, die zette daar de fles neer, en dan konden die mannen zich die daar bij dat lijk zaten, het lijk lag in die hoek van de kamer, in de goeie kamer en hier moesten zij dan zitten, de ganse nacht. En ‘s morgens dan konden zij naar huis gaan en de nacht derna kwam weer een ander waken, weer twee anderen he, zo ging dat, tot die de grond in ging, he. Dan werd die ook gedragen met die kist. Niet een, ik weet nog zo goed dat ze gedragen werden door het hele dorp. Met een man of zes droegen ze zo die kist, he, aan de handvaten. En toen, toen, ja, toen zat mijn opa dan daar en, en die opa, ja die zat dan daar. Ja, ja eerst hadden ze zich wat zitten vervelen en het een het het ander verhaal vertellen. En geregeld keken ze naar die dooie die daar lag. Godverdikkie nog, gauw weg en zo. Dus als je dan praat he, en die familie ging dan naar bed. Die vrouw en die kindern, iedereen ging naar bed. Die twee mannen zaten daar, he.
En toen zeg die, Obellier die zeg dan: “nou we zellen es maar een drupke pakken, he. Een borreltje inschenken, he”. “Joa, da kunnen we doen” zei opa, he “want de nacht is nog lang” he. En da waren ze zich zo maar wa aan ‘t vertellen. En dan trok een nacht lang, zei vader. En die, die viel dan. Jullie zeggen val wij zeggen da trek lang, he. Die twee zaten daar en die hadden zich dat drupke inschonken, he. En ze pakten zich dat glaasje en ze zouwen zich dat drupke op, en ze keken zo naar de dooie en toen zeg die, Matt heette die dooie, ik zal het nooit vergeten, toen zeg die Matt, zeg die; “Hoeveel hebben we er samen gedronken, jongen” zeg die. ‘T was het eerste wat ze inschonken. Hij zeg: “konden we nog maar es samen, hoeveel hebben we samen gedronken, he”. En die zeg: “nou, proost” tegen, tegen m’n opa. En die wilt zich dat drupke, da was tenminste de bedoeling, hij pakt dat drupke in, drinken dat drupke. En aan die ene kant, die dooie lag der, grote rozenkrans in de handen over dat witte laken heen, tot hier lag dat witte laken, daar lag de rozenkrans zo op, he. En in een keer komt dat, die dooie komt overeind en zeg: “Drink geer alleen? Drink geer alleen?”. En die twee mannen, zei m’n vader, zei, heb, heb opa weer aan vader verteld, he, die konden niks meer. Die waren, die, die konden geen antwoord meer geven. Die wouen wel wat zeggen maar, ze wouen maar ze konden niet, he. De woorden bleven in de keel steken van angst en van ontzetting. Zat ie rechtop in de kist. En toen zeg die Obellier: “moest u wee jong”, toen ie weer bij, bij, bij een beetje bij zijn positieve kwam. En ie schudt dat glaasje vol en die zei: “ik breng et em, breng doe et em” tegen mijn opa. En die had hem geschoren, die was eigen met die man en alles he. Die zeg: “jij komt zo vaak aan een dooie” zeg die. En mijn opa die pakt zich het glaasje, gaat naar hem toe en zeg:“hei jong”. Hij geeft hem het glaasje, hij pakt het zo van hem aan, hij houd hem nog zo met de arm vast he, en die drinkt zich het glaasje uit en valt achterover en sluit de ogen en is weg. Hij is dood. Hij ligt er weer, de handen op de buik, de rozenkrans derin. En het glaasje had die uitgedronken. Toen zeg mijn opa en zo stond mijn opa, “zo,” bracht die, kwam die met dat glaasje naar de tafel terug, zo ging die hand. Hij had hem ook geschoren, hij kon hem heel goed. Toen zeg mijn opa tegen die ouwe Obellier, hij zeg; “Jong,” zeg die, “ik durf het niet tegen de vrouw vertellen” de vrouw was hier, “ik durf geen hoor” zeg die “maar zouden we dat tegen meneer pastoor zeggen morgenochtend?” hij zeg. “want hier is wat, wat vreemds aan de gang,” hij zeg “zou die schijndood zijn?”. Hij zeg: “dat kan toch? Dat heb ik wel eens meer gehoord” zeg die, he, dat later iemand bijkomt.
Toen ‘s morgens zijn ze met z’n tweeen naar pastoor gegaan. En ‘t is een oud pastoorke van Douvergenhout is gegaan en toen waren twee vreemde heren gekomen, zei vader. Maar toen hoorde ie dat er een uit Maastricht was en dat was der blijkbaar een van het gerech, dach hij he. Maar die buitenstaanders werd niets verteld. En toen kwam pastoor en toen zei ie tegen die vrouw, hij had niets tegen die vrouw verteld. “Mogen we nog es effetjes naar die dooie mogen kijken. Nog es afscheid van de dooie komen nemen?”. “Joa,” zeg die vrouw, “wat is dan loos? Dat zijn vreemden”. “Joa, dat zijn kennisen van mij” zeg pastoor “we wouen nog es effe graag naar de dooie komen kijken”. En hij zei niks tegen die vrouw, hij zei niet dat er wat bijzonders was, want die dooie lag daar gewoon dood. Zijn die een hele tijd in de kamer geweest. Ze hadden de deur dichtgemaakt, zei vader, en ze zijn een hele tijd daar geweest. En toen woonde in Amstenrade nog de oude dokter Kremers. En toen zeien alle mensen “waarvoor moet een dokter komen bij een dood? Dat heb ik van m’n leven nog niet meegemaakt”. Die is al jaren dood, die dokter. En ‘t is de oude dokter Kremers hebben ze nog bijgehaald en twee vreemde heren van Maastricht en het pastoorke van Douvergenhout. Zijn de hele tijd in de kamer geweest. En toen kwamen ze naar buiten zeien ze: “laat Smeets maar komen”, Smeets was onze huisbaas, die moest de kist sluiten, “de kist kan gesloten worden”. En Smeets hebt de kist gesloten en de dooie is begraven. En, en opa heb altijd van z’n leven volgehouen dat het zo gegaan […] [wa staan], opa heb altijd van z’n leven volgehouen da ‘t zo, m’n opa, opa heb nooit meer kunnen scheren. Mijn opa kon niet meer scheren want zo heb de hand altijd blijven beven. Dat is de laatste die die geschoren heb.
En toen zeg die, Obellier die zeg dan: “nou we zellen es maar een drupke pakken, he. Een borreltje inschenken, he”. “Joa, da kunnen we doen” zei opa, he “want de nacht is nog lang” he. En da waren ze zich zo maar wa aan ‘t vertellen. En dan trok een nacht lang, zei vader. En die, die viel dan. Jullie zeggen val wij zeggen da trek lang, he. Die twee zaten daar en die hadden zich dat drupke inschonken, he. En ze pakten zich dat glaasje en ze zouwen zich dat drupke op, en ze keken zo naar de dooie en toen zeg die, Matt heette die dooie, ik zal het nooit vergeten, toen zeg die Matt, zeg die; “Hoeveel hebben we er samen gedronken, jongen” zeg die. ‘T was het eerste wat ze inschonken. Hij zeg: “konden we nog maar es samen, hoeveel hebben we samen gedronken, he”. En die zeg: “nou, proost” tegen, tegen m’n opa. En die wilt zich dat drupke, da was tenminste de bedoeling, hij pakt dat drupke in, drinken dat drupke. En aan die ene kant, die dooie lag der, grote rozenkrans in de handen over dat witte laken heen, tot hier lag dat witte laken, daar lag de rozenkrans zo op, he. En in een keer komt dat, die dooie komt overeind en zeg: “Drink geer alleen? Drink geer alleen?”. En die twee mannen, zei m’n vader, zei, heb, heb opa weer aan vader verteld, he, die konden niks meer. Die waren, die, die konden geen antwoord meer geven. Die wouen wel wat zeggen maar, ze wouen maar ze konden niet, he. De woorden bleven in de keel steken van angst en van ontzetting. Zat ie rechtop in de kist. En toen zeg die Obellier: “moest u wee jong”, toen ie weer bij, bij, bij een beetje bij zijn positieve kwam. En ie schudt dat glaasje vol en die zei: “ik breng et em, breng doe et em” tegen mijn opa. En die had hem geschoren, die was eigen met die man en alles he. Die zeg: “jij komt zo vaak aan een dooie” zeg die. En mijn opa die pakt zich het glaasje, gaat naar hem toe en zeg:“hei jong”. Hij geeft hem het glaasje, hij pakt het zo van hem aan, hij houd hem nog zo met de arm vast he, en die drinkt zich het glaasje uit en valt achterover en sluit de ogen en is weg. Hij is dood. Hij ligt er weer, de handen op de buik, de rozenkrans derin. En het glaasje had die uitgedronken. Toen zeg mijn opa en zo stond mijn opa, “zo,” bracht die, kwam die met dat glaasje naar de tafel terug, zo ging die hand. Hij had hem ook geschoren, hij kon hem heel goed. Toen zeg mijn opa tegen die ouwe Obellier, hij zeg; “Jong,” zeg die, “ik durf het niet tegen de vrouw vertellen” de vrouw was hier, “ik durf geen hoor” zeg die “maar zouden we dat tegen meneer pastoor zeggen morgenochtend?” hij zeg. “want hier is wat, wat vreemds aan de gang,” hij zeg “zou die schijndood zijn?”. Hij zeg: “dat kan toch? Dat heb ik wel eens meer gehoord” zeg die, he, dat later iemand bijkomt.
Toen ‘s morgens zijn ze met z’n tweeen naar pastoor gegaan. En ‘t is een oud pastoorke van Douvergenhout is gegaan en toen waren twee vreemde heren gekomen, zei vader. Maar toen hoorde ie dat er een uit Maastricht was en dat was der blijkbaar een van het gerech, dach hij he. Maar die buitenstaanders werd niets verteld. En toen kwam pastoor en toen zei ie tegen die vrouw, hij had niets tegen die vrouw verteld. “Mogen we nog es effetjes naar die dooie mogen kijken. Nog es afscheid van de dooie komen nemen?”. “Joa,” zeg die vrouw, “wat is dan loos? Dat zijn vreemden”. “Joa, dat zijn kennisen van mij” zeg pastoor “we wouen nog es effe graag naar de dooie komen kijken”. En hij zei niks tegen die vrouw, hij zei niet dat er wat bijzonders was, want die dooie lag daar gewoon dood. Zijn die een hele tijd in de kamer geweest. Ze hadden de deur dichtgemaakt, zei vader, en ze zijn een hele tijd daar geweest. En toen woonde in Amstenrade nog de oude dokter Kremers. En toen zeien alle mensen “waarvoor moet een dokter komen bij een dood? Dat heb ik van m’n leven nog niet meegemaakt”. Die is al jaren dood, die dokter. En ‘t is de oude dokter Kremers hebben ze nog bijgehaald en twee vreemde heren van Maastricht en het pastoorke van Douvergenhout. Zijn de hele tijd in de kamer geweest. En toen kwamen ze naar buiten zeien ze: “laat Smeets maar komen”, Smeets was onze huisbaas, die moest de kist sluiten, “de kist kan gesloten worden”. En Smeets hebt de kist gesloten en de dooie is begraven. En, en opa heb altijd van z’n leven volgehouen dat het zo gegaan […] [wa staan], opa heb altijd van z’n leven volgehouen da ‘t zo, m’n opa, opa heb nooit meer kunnen scheren. Mijn opa kon niet meer scheren want zo heb de hand altijd blijven beven. Dat is de laatste die die geschoren heb.
Beschrijving
Een man die lijken schoor was samen met een vriend aan het waken bij het lijk van een andere vriend. Toen zei een drankje inschonken vroeg het lijk of ze alleen dronken. De man gaf een glaasje aan het lijk dat het drankje in een keer achterover sloeg en weer dood ging liggen. Later komen mensen van het gerecht samen met de dokter kijken bij het lijk maar die man was echt dood.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Naam Overig in Tekst
Obellier   
Matt   
Kremers   
Smeets   
Naam Locatie in Tekst
Douvergenhout   
Maastricht   
Amstenrade   

