Hoofdtekst
Maar toen was ‘t kermis en toen deeen ze bronkstrooien, weet je wel wa bronkstrooien dat doet iedereen eh, vroeger als ‘t, als ‘t kermis was dan trok de processie uit en dee, iedereen wou bij zich het mooiste hebben he. De buurvrouw wou het nog mooier hebben dan die buurvrouw der werd mooi wit gingen ze veraf wit zand halen in de zandkuilen, en, en hele zakken van de werd, sleepten ze zich dood. En er werd zand gestrooid, prachtig. En er waren figuren gemaakt van zand, soms een kon ‘n vogel maken en een ander kon een kip maken, dat zo in ‘t zand uitgebeeld wa. Of een grote roos of een lelie, he, als je mooi wit zand had. Werd allemaal gemaakt, maar er werden ook in ‘t huis, der was gewoon leem, dat weet ik nog, toen in Sweikhuizen was ik zo’n pupke en dat herinner ik me nog. Was gewoon de vloer was geen vloer, ja dat was wel een vloer, geen planken en ook geen stenen en ook geen zeil, leem zetten wij ertegen, klei. En der werd iedere keer, iedere dag werd de tafel geschuurd met sodawater, dat weet ik nog goed, en de stoelen, dat weet ik nog zo goed, en ik was nog maar zo klein en ik herinner het me. En er werd over die eh, em, wit zand gestrooid.
Toen ging m’n moeder zand halen in een zakje of in een oude emmer in de zandkuil en, en als ze wit zand hadden dan waren ze zo blij, meestal was ‘t dan vies grijs zand he. En dan werd dat door ‘t hele tent gestrooid. En dan liep je daar over. Chic he, [gelach] als je zand, dat was dan deftig als je zand gestrooid had. Zeien ze “ze is proper en netjes he, die het ‘t zand al gestrooid, he”. Dat was een teken da je een heldere vrouw war als je al de tafel geschuurd had. Der lag geen tafelkleed op. ‘t was gewoon een witgeschuurde houten tafel en een grote bank stond erachter met zulke dinges allemaal in, achterin de bank, dat herinner ik me nog zo goed die bank. Had ze zo staan en die tafel geschuurd ertegen aan en wit zand gestrooid.
En toen was Tanber ziek. En toen zei Tanber die woonde dicht bij moeder, “Neel” zei ze tegen mijn moeder zei ze: Nelie, ja ich ken me geen zandje hoalen” en, en, en hij zei “en Sjenske deed ‘t niet hij zegt ‘dan strooit ze maar gene zandje’” zei Sjenske, dat was haar man Sjenske he, en dat was een halfbroer van mijn moeder, he. En, toen zei ze: “en ik had zo graag zand gehad, he”. En toen zei mijn moeder: “Wils u dat van mich hebben, zal ich teruggoan?”, “Nee,” zei ze “want jij sleept je toch al kapot” zei ze. Maar Godverdikke, ik wou dat ik zand had” zei ze. En toen zei mijn moeder: “ja maar als, als je het niet van mij wil hebben. Een ander brengt je geen zand”. “Kan me niets verdommen” zei ze, “waar ‘t vandaan kwam. Al bracht de duivel het me als ik maar wit zand had” zeg Tanber.
Maar de volgende dag was de processie maar Tanber had geen zand, er was geen zand gekomen. En, en ze zei, en dan lag ze in bed ‘s nachts en, en dan dacht ze: “godverdikke an, als er dan toch er was gebeurde. Sommige zeggen als, als je je goed staat met de duivel kom je voor niets in de hel” zei ze tegen Sjenske. Ze zeg: “ik heb me goed met em verstaan maar ‘k heb der maar geen wit zand” zei ze tegen in bed. “Slaap” zei die “en hou je kop, dan doe je het maar zonder zand” zei die. Dat was een eh ongebeerde, zo’n ruwe wa. Hij zeg “je heb geen zand nodig” hij zeg “die processie trok toch weg zonder dat zand van jou. Je mag niet van de dokter naar buiten. Je had geen zand, klaar”. En zij: “Jij had het toch kunnen doen?”, “ik heb het niet gedoan” zeg die “klaar. En slaap maar”, he.
Nou Tanber probeerde te slapen maar ze kon nie he. En, en in ene keer zeg ze tegen, tegen Sjenske: “Sjen ‘t is krek of henne wat huur?. “Sloap!” zei die. “Je krijgt mij er niet uit” zei die. Die man moest zich kapot werken maar. Hij zeg: “je krijgt mij er niet uit. Je kan horen wat je wil maar je krijgt mij er niet uit”, he. En ‘t ‘s morgens toen staat hij op, zij was nog ziek en hij zeg “zal ich te een tas koffie brengen?”, “joh geer” zeg ze, en hij staat op voor die tas koffie gaan te maken, en hij gaat de keuken in en ze hoort een schreeuw. En hij sprint uit het bed en de ganze keuken en de luif was met wit zand gestrooid. En zo’n mooi wit zand hadden ze van me leven nog niet gezien. En Tanber uit het bed en Sjenske ren naar moeder en moeder komt en die bekijkt zich dat en die zeg: “dachte jullie mij voor de gek te houen?”. Zeg ze “[is een hele jaar vuil, en daar gooit bie voor]” zei die, zo he. Toen zeg Sjen “me Neel” zeg die, zeg die tegen haar, dat was dan zogezegd broer en zuster, “heb jij dan ooit zo wit zand gezien?”. En mijn moeder pakt het zand en zeg “Sjen, het is geen zandje ‘t is meel”. “Ah, gang”, zeg Sjen “meel, wie strooit er nou meel?” Hij zeg: “je weet heel goed dat we blij zijn als we een brood hebben”. Ze hadden ook geen centen voor meel, niemand had wit meel da was toen allemaal van dat vieze grauwe meel waar ze zwart brood van maakten. Want vroeger kreeg je door de week nooit wit brood. “ja, gooien met dat meel da durf ik niet” zei ze. Wat heb ze toen gedaan, heb ze dat heel dat zand allemaal bij mekaar geveegd en heb ze het daar de deken, vroegen was en in Schinnen een deken, een deken is meer als een pastoor, da weet du wel, dat is een, een, een, van de kerk he. Eh, m’n moeder is nog bij de deken op de catechismus geweest. Heb ze ‘t allemaal bij mekaar gepakt het zand en ‘t is, en heb ze het de deken het verhaal verteld en heb ze het zand bij de deken afgegeven en zij dors het niet in de mestkuil te gooien toen ‘t vuil weg. Dagenlang heb dat zand daar op ‘t huis gelegen en iedereen nleef verstomt staan en dacht “prachtig wit zand dat [derop]” Want verschillende mensen die vroegen dat, “waar heb jij dat zand vandaan? Godverdikkeme zo’n wit zand hebben wij niet gekregen”.
“Ja,” Sjenske zei “nergens”. “Ja, wat nergens? Da wit du ons niet zeggen” zeien ze. Die dachten dat hij zich dat geheim hield. “die stiekeme” zeien ze “die willen niet zeggen waar dat zandkuil is”. Die dachten dat die een zandkuiltje ontdekt had wat prachtig wit zand was. Maar ze waren niet weggeweest.
Toen ging m’n moeder zand halen in een zakje of in een oude emmer in de zandkuil en, en als ze wit zand hadden dan waren ze zo blij, meestal was ‘t dan vies grijs zand he. En dan werd dat door ‘t hele tent gestrooid. En dan liep je daar over. Chic he, [gelach] als je zand, dat was dan deftig als je zand gestrooid had. Zeien ze “ze is proper en netjes he, die het ‘t zand al gestrooid, he”. Dat was een teken da je een heldere vrouw war als je al de tafel geschuurd had. Der lag geen tafelkleed op. ‘t was gewoon een witgeschuurde houten tafel en een grote bank stond erachter met zulke dinges allemaal in, achterin de bank, dat herinner ik me nog zo goed die bank. Had ze zo staan en die tafel geschuurd ertegen aan en wit zand gestrooid.
En toen was Tanber ziek. En toen zei Tanber die woonde dicht bij moeder, “Neel” zei ze tegen mijn moeder zei ze: Nelie, ja ich ken me geen zandje hoalen” en, en, en hij zei “en Sjenske deed ‘t niet hij zegt ‘dan strooit ze maar gene zandje’” zei Sjenske, dat was haar man Sjenske he, en dat was een halfbroer van mijn moeder, he. En, toen zei ze: “en ik had zo graag zand gehad, he”. En toen zei mijn moeder: “Wils u dat van mich hebben, zal ich teruggoan?”, “Nee,” zei ze “want jij sleept je toch al kapot” zei ze. Maar Godverdikke, ik wou dat ik zand had” zei ze. En toen zei mijn moeder: “ja maar als, als je het niet van mij wil hebben. Een ander brengt je geen zand”. “Kan me niets verdommen” zei ze, “waar ‘t vandaan kwam. Al bracht de duivel het me als ik maar wit zand had” zeg Tanber.
Maar de volgende dag was de processie maar Tanber had geen zand, er was geen zand gekomen. En, en ze zei, en dan lag ze in bed ‘s nachts en, en dan dacht ze: “godverdikke an, als er dan toch er was gebeurde. Sommige zeggen als, als je je goed staat met de duivel kom je voor niets in de hel” zei ze tegen Sjenske. Ze zeg: “ik heb me goed met em verstaan maar ‘k heb der maar geen wit zand” zei ze tegen in bed. “Slaap” zei die “en hou je kop, dan doe je het maar zonder zand” zei die. Dat was een eh ongebeerde, zo’n ruwe wa. Hij zeg “je heb geen zand nodig” hij zeg “die processie trok toch weg zonder dat zand van jou. Je mag niet van de dokter naar buiten. Je had geen zand, klaar”. En zij: “Jij had het toch kunnen doen?”, “ik heb het niet gedoan” zeg die “klaar. En slaap maar”, he.
Nou Tanber probeerde te slapen maar ze kon nie he. En, en in ene keer zeg ze tegen, tegen Sjenske: “Sjen ‘t is krek of henne wat huur?. “Sloap!” zei die. “Je krijgt mij er niet uit” zei die. Die man moest zich kapot werken maar. Hij zeg: “je krijgt mij er niet uit. Je kan horen wat je wil maar je krijgt mij er niet uit”, he. En ‘t ‘s morgens toen staat hij op, zij was nog ziek en hij zeg “zal ich te een tas koffie brengen?”, “joh geer” zeg ze, en hij staat op voor die tas koffie gaan te maken, en hij gaat de keuken in en ze hoort een schreeuw. En hij sprint uit het bed en de ganze keuken en de luif was met wit zand gestrooid. En zo’n mooi wit zand hadden ze van me leven nog niet gezien. En Tanber uit het bed en Sjenske ren naar moeder en moeder komt en die bekijkt zich dat en die zeg: “dachte jullie mij voor de gek te houen?”. Zeg ze “[is een hele jaar vuil, en daar gooit bie voor]” zei die, zo he. Toen zeg Sjen “me Neel” zeg die, zeg die tegen haar, dat was dan zogezegd broer en zuster, “heb jij dan ooit zo wit zand gezien?”. En mijn moeder pakt het zand en zeg “Sjen, het is geen zandje ‘t is meel”. “Ah, gang”, zeg Sjen “meel, wie strooit er nou meel?” Hij zeg: “je weet heel goed dat we blij zijn als we een brood hebben”. Ze hadden ook geen centen voor meel, niemand had wit meel da was toen allemaal van dat vieze grauwe meel waar ze zwart brood van maakten. Want vroeger kreeg je door de week nooit wit brood. “ja, gooien met dat meel da durf ik niet” zei ze. Wat heb ze toen gedaan, heb ze dat heel dat zand allemaal bij mekaar geveegd en heb ze het daar de deken, vroegen was en in Schinnen een deken, een deken is meer als een pastoor, da weet du wel, dat is een, een, een, van de kerk he. Eh, m’n moeder is nog bij de deken op de catechismus geweest. Heb ze ‘t allemaal bij mekaar gepakt het zand en ‘t is, en heb ze het de deken het verhaal verteld en heb ze het zand bij de deken afgegeven en zij dors het niet in de mestkuil te gooien toen ‘t vuil weg. Dagenlang heb dat zand daar op ‘t huis gelegen en iedereen nleef verstomt staan en dacht “prachtig wit zand dat [derop]” Want verschillende mensen die vroegen dat, “waar heb jij dat zand vandaan? Godverdikkeme zo’n wit zand hebben wij niet gekregen”.
“Ja,” Sjenske zei “nergens”. “Ja, wat nergens? Da wit du ons niet zeggen” zeien ze. Die dachten dat hij zich dat geheim hield. “die stiekeme” zeien ze “die willen niet zeggen waar dat zandkuil is”. Die dachten dat die een zandkuiltje ontdekt had wat prachtig wit zand was. Maar ze waren niet weggeweest.
Beschrijving
Vroeger strooiden ze bij de processie wit zand over de vloer. Een vrouw had geen zand kunnen halen omdat ze ziek was en daar zat ze over in. Het maakte haar niet uit, ook al kreeg ze het van de duivel ze wilde perse wit zand. De volgende ochtend was het hele huis wit maar bij nader inzien was het geen zand maar meel. Ze durfden echter het meel niet weg te gooien dus brachten ze het naar de deken.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Naam Overig in Tekst
Tanber   
Sjenske   
Nelie   
Naam Locatie in Tekst
Sweikhuizen   
Schinnen   
Plaats van Handelen
Sweikhuizen   

