Hoofdtekst
Der was een Sefke in Douvergenhout en pastoor zei tegen de hui, tegen de huishoudster, hij zeg “Marie” zeg die “als straks Sefke komt” zeg die “moet je goed opletten, want als die geweest is ben ik wat kwijt”. Maar Sefke was een type, een dorpsmannetje, maar als jij nou tegen hem zei “Sefke, potverdikke, ik had zin”, bijvoorbeeld, ‘in een tinnen koffiepotje”, zei Sefke “ik zal ens kieken”. Die kwam overal, bij alle boeren, “wen ich het zeen breng ich het met”. Nou met vier vingers en een beetje angst had je het koffiepotje en dat bracht die hoor. Wou die der niks voor hebben? Nee, Sefke wou der nooit wat voor hebben, paar drupkes en dan was het goed. He, Sefke, eh. Maar zei een ander nou tegen hem “Sefke, ik heb een vaas gezien maar, oh, op die boerderij hebben ze een fijne vaas”, “ik zal es kieken”, zeg Sefke “als de vrouw niet kiekt, vier vingers en een beetje angst” zei die dan en dan bracht Sefke dich die vaas. Maar als diezelfde vrouw nou zei, “Sefke ik ben het kwiet” dan bracht die diezelfde vrouw ook nog wat. Zo’n type was het, Sefke. Was niet gek! Nee voor de verdommenis was die niet gek want iedereen mocht hem even graag. Der, die was, die man was niet gek maar als je zei “breng mich dat es efkes”, “ah ik zal es kieken” zei die dan, eh, kreeg je.
Toen zei die pastoor tegen die Marie, he, heb pap van ons ons verteld, vader dus. Zei die pastoor, en die kon die Marie goed, die vader. Die was een hele goede school eh dinges, een schoolkameraad van vader, diezelfde Marie die later huishoudster werd. En zei die tegen Marie, zei eh: “as Sefke vanmiddag komt moet je een bietje goed oppassen” zei die, “want”. “Die brengt je toch vaak nog wat, heer pastoor” zei die, “ja” zeg ze “maar als een ander hem wat bestelt dan ben ik ook wat kwijt” zei pastoor, he “zo is Sefke” he. “Hij brengt me wat maar hij neem zich ook wat mee as ie ziet wat die net moet hebben voor een ander. As een ander hem wat gevraagd heeft neemt die het zich evengoed mee” zei de pastoor. “Ik zal goed oppassen” zei die Marie en die bracht koffie binnen en Sefke zat der en Sefke kreeg een paar borreltjes van pastoor en toen was Sefke weg. Sefke ging. En toen was ie weg en toen eh, die huishoudster die zeg: “meneer pastoor” zeg ze, “ik heb goed rondgekeken” zeg ze, “maar nou heeft Sefke toch geen kans gehad om zich wat mee te nemen want ik heb m’n ogen nie in m’n zak gehad”. En pastoor gaat zo es de kamer rond waar ze gezeten hadden. “Mais nondeju” zei die “men mag neet vloeken” zei der, de pastoor he, “mehr noe zou ik toch potverdikke vloeken” zei der. “Wat is dan?” zei zeg, “heb zich niets meegenomen meneer pastoor, dan had ik heb gezien!” “wer is me zilveren koffiepotje dan?” zeg de pastoor. Zo’n, zo’n klein zilveren mokkapotje had ie. Weg koffiepotje. Zei die “mer godverdikke” zeg ze, “die krieg ik. Die krieg ik” en dat wist m’n moeder ook, dat dat zo was gegaan, da’s echt zo gegaan. En toen zeg die “Marie, jij gaat met een briefje naar Sefke”, ze wisten op welke boe, boerenhof dat die sliep. En, en Marie wist niet wat in dat briefje stond. Er stond in het briefje. Had die geschreven. Sefke lees het briefje begint te lachen. “Op antwoord wachten” zei die he. Marie ging, komt terug en toen zeg ze: “ik heb m’n een brief terug meneer pastoor”, “wat heeft Sefke gezegd?”, “Sefke heb alleen maar gelachen en heb me een briefke mee terug gegeven” zei Marie. He, dichtgeplakt he, in een envelop. Zeg “wat schrijft ie heer pastoor?”. Had heer pastoor had op het briefje geschreven: ‘Sefke,’ had die op het briefje geschreven, ‘dat je altijd steelt zeg ik niet, hoor je mij niet zeggen, daar kennen we ons te goed voor, he. Dat je nou gestolen hebt zeg ik ook niet. Maar sinds dat jij weg bent is wel m’n zilveren koffiepotje weg en dat durf ik gerust zeggen. Groetend, Pastoor’. He, toen he. Wat [?] Sefke. Sefke schreef terug hier eh. “Marie muse, kijk es hier” zeg hij tegen Marie, he. Zo’ne kop. ‘Meneer pastoor, dat ge altied bie Marie sloapt zeg ich neet, zal ich mich wel verwachten’ stond derop tussen haakjes. ‘(zal ich mich wel verwachten)’ voordat te zeggen, ‘Dat ge dees nacht bie Marie gesloapen heb, zeg ich ouch neet, zeg ich ouch neet. Moar bent geer in ou eigen bed gesloapen had, had je ‘t koffiepotje gevonden wont doar ligt et’. En het koffiepotje lag ook in ‘t bed. In pastoor z’n bed.
Toen zei die pastoor tegen die Marie, he, heb pap van ons ons verteld, vader dus. Zei die pastoor, en die kon die Marie goed, die vader. Die was een hele goede school eh dinges, een schoolkameraad van vader, diezelfde Marie die later huishoudster werd. En zei die tegen Marie, zei eh: “as Sefke vanmiddag komt moet je een bietje goed oppassen” zei die, “want”. “Die brengt je toch vaak nog wat, heer pastoor” zei die, “ja” zeg ze “maar als een ander hem wat bestelt dan ben ik ook wat kwijt” zei pastoor, he “zo is Sefke” he. “Hij brengt me wat maar hij neem zich ook wat mee as ie ziet wat die net moet hebben voor een ander. As een ander hem wat gevraagd heeft neemt die het zich evengoed mee” zei de pastoor. “Ik zal goed oppassen” zei die Marie en die bracht koffie binnen en Sefke zat der en Sefke kreeg een paar borreltjes van pastoor en toen was Sefke weg. Sefke ging. En toen was ie weg en toen eh, die huishoudster die zeg: “meneer pastoor” zeg ze, “ik heb goed rondgekeken” zeg ze, “maar nou heeft Sefke toch geen kans gehad om zich wat mee te nemen want ik heb m’n ogen nie in m’n zak gehad”. En pastoor gaat zo es de kamer rond waar ze gezeten hadden. “Mais nondeju” zei die “men mag neet vloeken” zei der, de pastoor he, “mehr noe zou ik toch potverdikke vloeken” zei der. “Wat is dan?” zei zeg, “heb zich niets meegenomen meneer pastoor, dan had ik heb gezien!” “wer is me zilveren koffiepotje dan?” zeg de pastoor. Zo’n, zo’n klein zilveren mokkapotje had ie. Weg koffiepotje. Zei die “mer godverdikke” zeg ze, “die krieg ik. Die krieg ik” en dat wist m’n moeder ook, dat dat zo was gegaan, da’s echt zo gegaan. En toen zeg die “Marie, jij gaat met een briefje naar Sefke”, ze wisten op welke boe, boerenhof dat die sliep. En, en Marie wist niet wat in dat briefje stond. Er stond in het briefje. Had die geschreven. Sefke lees het briefje begint te lachen. “Op antwoord wachten” zei die he. Marie ging, komt terug en toen zeg ze: “ik heb m’n een brief terug meneer pastoor”, “wat heeft Sefke gezegd?”, “Sefke heb alleen maar gelachen en heb me een briefke mee terug gegeven” zei Marie. He, dichtgeplakt he, in een envelop. Zeg “wat schrijft ie heer pastoor?”. Had heer pastoor had op het briefje geschreven: ‘Sefke,’ had die op het briefje geschreven, ‘dat je altijd steelt zeg ik niet, hoor je mij niet zeggen, daar kennen we ons te goed voor, he. Dat je nou gestolen hebt zeg ik ook niet. Maar sinds dat jij weg bent is wel m’n zilveren koffiepotje weg en dat durf ik gerust zeggen. Groetend, Pastoor’. He, toen he. Wat [?] Sefke. Sefke schreef terug hier eh. “Marie muse, kijk es hier” zeg hij tegen Marie, he. Zo’ne kop. ‘Meneer pastoor, dat ge altied bie Marie sloapt zeg ich neet, zal ich mich wel verwachten’ stond derop tussen haakjes. ‘(zal ich mich wel verwachten)’ voordat te zeggen, ‘Dat ge dees nacht bie Marie gesloapen heb, zeg ich ouch neet, zeg ich ouch neet. Moar bent geer in ou eigen bed gesloapen had, had je ‘t koffiepotje gevonden wont doar ligt et’. En het koffiepotje lag ook in ‘t bed. In pastoor z’n bed.
Onderwerp
AT 1842C* - The Rector's Nights   
ATU 1842C* - The Clergyman’s Nights.   
Beschrijving
Een man in het dorp staat bekend als iemand die alles meeneemt wat hij ziet dat andere mensen willen. Op een dag komt hij koffie drinken bij de pastoor. Vooraf waarschuwt de pastoor zijn huishoudster dat ze moet opletten dat de man niets meeneemt uit zijn huis. Als de man na de koffie weg is, blijkt er een koffiepotje te missen.
De pastoor stuurt de huishoudster naar de man met een briefje. Na het lezen van het briefje begint de man hard te lachen en stuurt de huishoudster met een ander briefje terug naar de pastoor. In het briefje van de pastoor stond dat de pastoor de man niet wilde beschuldigen van stelen maar dat hij sinds zijn komst een koffiepotje mist. In de brief van de man stond dat de man de pastoor niet wilde beschuldigen van het slapen met de huishoudster maar als de pastoor in zijn eigen bed had geslapen dat hij dan zijn koffiepotje had gevonden want die lag bij hem in het bed.
De pastoor stuurt de huishoudster naar de man met een briefje. Na het lezen van het briefje begint de man hard te lachen en stuurt de huishoudster met een ander briefje terug naar de pastoor. In het briefje van de pastoor stond dat de pastoor de man niet wilde beschuldigen van stelen maar dat hij sinds zijn komst een koffiepotje mist. In de brief van de man stond dat de man de pastoor niet wilde beschuldigen van het slapen met de huishoudster maar als de pastoor in zijn eigen bed had geslapen dat hij dan zijn koffiepotje had gevonden want die lag bij hem in het bed.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Naam Overig in Tekst
Sefke   
Marie   
Naam Locatie in Tekst
Douvergenhout   
Plaats van Handelen
Douvergenhout   

