Hoofdtekst
De volgende nacht gaan naar bed. Ik kom op, ik zeg: “jongens, zal ik jullie es wat nieuws vertellen? Ik heb zuiver dezelfde droom gehad en dezelfde mensen gezien,” ik zeg, “die ik gisternacht ook heb gezien in mijn droom”. Ik zeg: “die is derbij, die is derbij” en ik noemde ze allemaal op die derbij waren. Ik zeg: “die was er niet bij,” ik zeg, “en ikzelf was er ook niet bij”. “Wat gek,” zeien ze, “wie zou er dan dood gaan?”. Ik zeg: “der gaat iemand dood”, en ik was de ganse dag. Ik was zo onrustig en zo gejaagd alsof ik. Ik zeg: “en ik ben der niet bij,” ik zeg, “maar het is toch iemand van de familie”. Ik zeg: “wie kan dat dan nou zijn?”.
Nou gedacht en gedacht en gedacht en mijn moeder was dood die kon het niet zijn. Mijn vader was dood, mijn moeder was dood. Nou.
Der derde nacht dito met een sterretje. Drie nachten achter mekaar! Zuiver dezelfde dinges, daar ken ik zat getuigen van eh halen waar ik at tegen verteld heb, die bij mij in huis waren toen: mijn dochter, die ome Jan, he, daar hebben we het zondag nog over gehad. Hij zeg: “ja dat zal ik ook nooit meer vergeten” zeg Jan. Ik zag de begrafenis. Ik kom ‘s morgens naar beneden de volgende dag. Met deze jongen, die moest naar de eerste klas en het was een september, dan gaan de kinderen naar school. Ik kom naar beneden, ligt er een dooienbrief. Ik zeg “verrek”, een brief met een zwarte rand had je vroeger nog, weet je wel, zo’n brief met een zwarte rand eromheen, tegenwoordig heb je modernere he. Ik zeg: “een dooienbrief” ik zeg, “als dat maar niet voor mij is”. Ik raap de brief op, ja hoor, G. Dohmen. Ik denk: ‘wie zou dat zijn?’ en Sjohn was toen een klein manneke die moest eerste schooldag hebben. Hij zeg: “mam, kom nou kom, anders kom ik te laat in school”. Ik zeg: ‘ja jong ik moet eerst kijken wie van wie de dodenbrief is” ik zeg, “da ken je niet volhouden totdat je hem gebracht hebt en weer terug” he. Ik scheur de dodenbrief open, nou [?] ik zeg: “Lena is dood”, mijn zuster van België, mijn oudste zuster. Ik zeg: “Lena”. Ik zeg, “maar dat is nog niks”. Ik zeg: “dat ze dood is is nog niks” ik zeg, “maar ze wordt nou begraven, ze zitten nou in de kerk”. Toen ik Sjon naar de eerste klas bracht zaten die op het kerkhof. En allemaal die ik had opgenomen waren bij de begrafenis en ik was der niet bij. Want ze wist mijn adres niet en. Is het eerst nog naar Marie van ons gegaan, naar Limburg, en die wist mijn adres. En die heb het hals over kop naar mij gestuurd maar et kwam op de dag dat ze begraven werd bij mij aan. Dat was Lena van ons. [precies] Dat vergeet je nooit meer.
Onderwerp
SIGSAG 0489   
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
Dohmen   
Lena   
Jan   
Sophie   
Bert   
Marie   
Harry   
Ria   
Sjon   
Naam Locatie in Tekst
België   
Amsterdam   
Ede   
Limburg   
Plaats van Handelen
Amsterdam   

