Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_003_09

Een sage (mondeling), dinsdag 26 november 1974

Hoofdtekst

En heb ik iets heel geks meegemaakt en dat weet hij ook, daar lacht ie niet om. Toen was eh, mijn zuster, mijn oudste zuster woonde in België, dat was Lena van ons, en die woonde in België. En die had ik al jaren niet meer gezien. Ik zat in Amsterdam en Lena zat in België, en Lena was de oudste, die was zo oud als ik nou ben, 57 ben ik en zo oud was Lena. En drie nachten lang en toen had ik een man in de kos en die is nou zondag nog hier geweest, ook wel een mens van zestig jaar, die was toen bij mij in de kos. En daar zeien we ome Jan tegen, dat was geen ome Jan maar we zeien ome Jan, he. En ook het kind zei altijd ome Jan, ik ben zondag nog naar Ede geweest met die ome Jan, he. Dat is altijd ome Jan gebleven he, en die woont nou in Haarlem, die is nou nog in de kos. Is niet getrouwd, een ongetrouwde man. En toen stond ik het ‘s morgens op in, in, in Amsterdam dan, en hij was klein en eh, die moest nog naar de eerste klas en ik zeg, “Wat is er” zeg ome Jan. “Dat ben ik niet van jouw gewend. Je hebt een vreemd gezicht” zeg die, “wat is er met jou?”. Ik zeg: “ik heb een gekke droom gehad, Jan. Ik heb toch zo stom gedroomd”. Toen zeg die: “vertel het es”. En ik vertel, ik zeg: “ik heb een begrafenis gezien”. Ik zeg “ik heb Sophie van ons gezien, Bert heb ik bij gezien, Marie van ons derbij, Harry derbij, Marie der man, allemaal heb ik ze zien gaan,” ik zeg, “en ik was er niet bij”. Toen zeg Ria van mij, een dochter van m’n is dat, “oh da, mam dat is slecht dan ga jij zeker dood” zeg ze. Ik zeg: “dat weet ik niet. Het kan, kind” ik zeg “maar ik was er niet bij” ik zeg “maar ik zag het helemaal vanaf een afstand”. Zeg ze: ‘hoe kan dat nou? Wie lag dan in die kist?”. Ik zeg: “dat weet ik niet, kind”. En ik noemde de hele stoet op die derbij was. En daar had ik er verschillende jaren niet gezien die derbij was, van Amsterdam naar Limburg dat is nogal een stukkie, he, daar kwam je haast niet meer. Goed, dat bleef zo. Dat verhaal had ik verteld.
De volgende nacht gaan naar bed. Ik kom op, ik zeg: “jongens, zal ik jullie es wat nieuws vertellen? Ik heb zuiver dezelfde droom gehad en dezelfde mensen gezien,” ik zeg, “die ik gisternacht ook heb gezien in mijn droom”. Ik zeg: “die is derbij, die is derbij” en ik noemde ze allemaal op die derbij waren. Ik zeg: “die was er niet bij,” ik zeg, “en ikzelf was er ook niet bij”. “Wat gek,” zeien ze, “wie zou er dan dood gaan?”. Ik zeg: “der gaat iemand dood”, en ik was de ganse dag. Ik was zo onrustig en zo gejaagd alsof ik. Ik zeg: “en ik ben der niet bij,” ik zeg, “maar het is toch iemand van de familie”. Ik zeg: “wie kan dat dan nou zijn?”.
Nou gedacht en gedacht en gedacht en mijn moeder was dood die kon het niet zijn. Mijn vader was dood, mijn moeder was dood. Nou.
Der derde nacht dito met een sterretje. Drie nachten achter mekaar! Zuiver dezelfde dinges, daar ken ik zat getuigen van eh halen waar ik at tegen verteld heb, die bij mij in huis waren toen: mijn dochter, die ome Jan, he, daar hebben we het zondag nog over gehad. Hij zeg: “ja dat zal ik ook nooit meer vergeten” zeg Jan. Ik zag de begrafenis. Ik kom ‘s morgens naar beneden de volgende dag. Met deze jongen, die moest naar de eerste klas en het was een september, dan gaan de kinderen naar school. Ik kom naar beneden, ligt er een dooienbrief. Ik zeg “verrek”, een brief met een zwarte rand had je vroeger nog, weet je wel, zo’n brief met een zwarte rand eromheen, tegenwoordig heb je modernere he. Ik zeg: “een dooienbrief” ik zeg, “als dat maar niet voor mij is”. Ik raap de brief op, ja hoor, G. Dohmen. Ik denk: ‘wie zou dat zijn?’ en Sjohn was toen een klein manneke die moest eerste schooldag hebben. Hij zeg: “mam, kom nou kom, anders kom ik te laat in school”. Ik zeg: ‘ja jong ik moet eerst kijken wie van wie de dodenbrief is” ik zeg, “da ken je niet volhouden totdat je hem gebracht hebt en weer terug” he. Ik scheur de dodenbrief open, nou [?] ik zeg: “Lena is dood”, mijn zuster van België, mijn oudste zuster. Ik zeg: “Lena”. Ik zeg, “maar dat is nog niks”. Ik zeg: “dat ze dood is is nog niks” ik zeg, “maar ze wordt nou begraven, ze zitten nou in de kerk”. Toen ik Sjon naar de eerste klas bracht zaten die op het kerkhof. En allemaal die ik had opgenomen waren bij de begrafenis en ik was der niet bij. Want ze wist mijn adres niet en. Is het eerst nog naar Marie van ons gegaan, naar Limburg, en die wist mijn adres. En die heb het hals over kop naar mij gestuurd maar et kwam op de dag dat ze begraven werd bij mij aan. Dat was Lena van ons. [precies] Dat vergeet je nooit meer.

Onderwerp

SIGSAG 0489    SIGSAG 0489   

Beschrijving

Een vrouw droomt drie nachten over een begrafenis. Ze ziet steeds dezelfde mensen die daar zijn maar zichzelf niet. Op de derde ochtend krijgt een een doodsbrief in de bus. Haar zus is overleden en ze kan niet bij de begrafenis zijn omdat die dezelfde ochtend gehouden wordt.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Naam Overig in Tekst

Dohmen    Dohmen   

Lena    Lena   

Jan    Jan   

Sophie    Sophie   

Bert    Bert   

Marie    Marie   

Harry    Harry   

Ria    Ria   

Sjon    Sjon   

Naam Locatie in Tekst

België    België   

Amsterdam    Amsterdam   

Ede    Ede   

Limburg    Limburg   

Plaats van Handelen

Amsterdam    Amsterdam