Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_004_11

Een sage (mondeling), donderdag 20 juni 1974

Hoofdtekst

Mijn vader die woonde in Udenhout, die diende in Udenhout als boereknecht. En in die buurt zat ook nog een knecht bij een andere boer dors uit ein waar de mensen niet van wisten, wat ze er aan hadden. En op een zekere keer, toen zou die knecht ’s graag naar de markt gaan. En was d’r al eens geweest: een hemelse markt, een meimarkt of Sinterklaasmarkt en daer waren in alle gevalle markte voor het jong volk, en daar wou die knecht ook wel heen.
Hij vroeg ’t aan z’n baas en die zei die: “nou die als je mokt dat dat mest kapot ligt drie mest te trekken, als je dat kapot, als je dat kappotte trekke dan kun je gaon”. “Oh,” zei de knecht.
Die gaat ’s meurgens om een uur of zeven met z’n riekske naar de akker en hoe’t je klaor speelde, dat weet geen man, en hij komt kwart voor acht, acht uur komt ie terug en hij gaat naar de zolder z’n eigen verkleeën.
En toen zegt die boer: “wa gade gij doen?” “Ik ga naar de markt toe”, zei die. “Ge weet toch wel”, zei de boer, “wat ik gezegd heb?” “ Jawel, naar de mest kun-de gaan kijken; ge kunt vort gaan ploegen, die ligt gelijk kapot”. ‘Nou,’ dacht de boer, ‘dat is sterk’. De knecht naar de markt en de boer ging kijken, maar ’t was gelijke broken. De knecht kwam ’s avons thuis, maar hij kon sien umkeer maken, want de […] op zand.
Nou schijnbaer had die knecht, die had um briefke, dat is later uitgekomen en van dat briefje had die knecht, had ie niets voor ongemakken en dat wou ie kwijt zijn en dat was hij nooit kwijt.
Gooide ie ’t in ’t vuur, kwam ’t terug. Nooit kon ie ’t kwijt worden. Ze hebben hem alle raad gegeven en de letste raad heeft ie genomen. En dat was, dat ie te Udenhout naar de Capucieners moest gaen. En dat deed ie. En die hebben hem gestuurd de duinen in. Maar ze gaven ‘m de warschuwing mee, dat ’t niet mee zou vallen, om er af te kommen. Want hij zou onderweg veul meemaken. En als ene een keer umkeek, was ie ’t briefke niet verloren of niet kwijt. Nou de knecht goei aan d’ welt en hij zij bij z’n eigen: dat moet de duivel dan doene, ik um mot kijken, ik kijk niet um. En het gaet te duinen in, het donderde en ’t weerlichte, en de bomen vielen achter de rug, het kraekte overal. Maar hij hield voet bij stuk en hij keek niet um. Het plaatske, waar ie ’t briefke neer moest leggen, heeft ie gehalt en neergelegd. Hij kuierde terug, er was nergens niks gebeurd. Maer ’t briefke die, was weg en heeft ie nooit meer gehad.

Beschrijving

Een boerenknecht in Udenhout wilde graag naar de markt. De boer zegt dat als de knecht de drie ladingen mest over het land verspreidt, hij mag gaan. Om zeven uur 's ochtends gaat hij, om acht uur is ie terug. De knecht gaat naar de markt. De boer ontslaat hem.
Die knecht had een briefje, waar hij maar niet van af kon komen. Hij raakte het kwijt in de duinen op een plaats aangewezen door de Capucijners.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Naam Overig in Tekst

Capucijners    Capucijners   

Naam Locatie in Tekst

Udenhout    Udenhout   

Plaats van Handelen

Udenhout    Udenhout