Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_005_06 - Het verhaal van de zeven eksters

Een sage (mondeling), 1974

Hoofdtekst

Het verhaal van de zeven eksters
De molen van Nistelrode heeft een mulder die ook na twaalf uur ’s nachts nog graag wil malen maar de molen vertikt het. Dat is te zeggen: de stenen draaien wel maar der gaat geen korrel kapot. Ten einde raad besluit de mulder zijn knechts om raad te vragen. De eerste knecht schudt alleen met zijnen kop. De tweede schudt met zijnen kop. De derde schudt met zijnen kop maar de baas die hem scherp opneemt ziet dat ie een eugske knipt tegen em. ’t Is een nieuwe knecht en nieuwe bezems zijn handzaam, denkt de mulder. Diezelfde avond neemt ie em apart. Ja, de derde knecht kan zurgen dat de mulder ook na twaalf uur nog malen kan. “Driehonderd gulden per jaar” zegt ie, weer met zo’n eugsknipke tegen de baas. “Driehonderd gulden dan ben ik oe man”. ‘Ge zult het hier geen vierentwintig uur uithouden”, klaagt de mulder. ‘ik wel”, zegt de knecht, “en veel langer. Maar ik zegt oe dat ik meer de meester zal zijn en gij meer de knecht”. “Da kan me niet schelen!”, glundert de mulder, “as gij maar goe werkt en vooral ’s nachts na twaalf uur”. “sluit toe”, zei de knecht en hield hem zijn grote sterke hand voor. De mulder kletste derin dat het echode in de gebinten van de molen. “Mar nou mot ik nog iets van oe hebben: een goei geweer met hagel” vervolgt de knecht. “Dan krijge da. Ik zal ’t in da kaske zetten, da kende, en ik geef oe ook un sleutel. Ik ga’t ermee kopen, ’t wordt toch donker”.
Na twaalf uur ’s nachts gaat de mulder maar naar bed als ie gemerkt heeft dat er geen enkele korrel stuk gaat. Terwijl toch de wiekes door de lucht zoeven. Dan zet de knecht de molen af en ‘t is stil. Hij beklimt de omgang, schijnt er met een lantaarn, ziet niks. “En nou op wacht” zegt ie in z’n eigen. Posteert zich achter een klein raampje, speult wat af, aan met z’n geweer en mompelt: “toch is er beweging in de locht, geklepper van vleugels. De eksters, denkt ie. Ze zette zich op de rondgang, springen tegen een wiek of ze die aan de gang willen brengen. Met spiedende ogen doorboort de knecht het duister. Heeft aan een vleugje maanlicht genoeg om de grootste en mooiste ekster uit te zoeken. Even mikken, PANG! Hij gelooft dat ie geraakt heeft. Als door een rukwind zijn de eksters verdwenen. Nou kan de kier van ’t raamke z’n kop doorgang geven. Der valt van omhoog een klein ding op de omgang. Gauw erheen, lantaarn erop, voorzichtig rondkijken dat er geen van de zes anderen terugkomt. Hier ligt de teen van een ekster met een ring eromheen, een gouwe ring. Hij valt bijna van de haast om in de molen te komen als hij de wieken heeft losgemaakt. Alles draait, de stenen pakken, ’t is of de molen zingt. Hij werkt de hele nacht door. Zijn baas blijkt niet eens door het schot gewekt te zijn maar het gelijkmatige gedreun van de molen zingt in zijne kop. Hij jaagt hem naar de knecht, “En?”, “Jawel,” lacht de knecht, “ge hele nacht gemalen baas”. En met stomme verbazing hoort ie van de eksterteen en de goude ring eromheen. Hij trekt de ring eraf, bekijkt hem nauwkeurig. Der staat in ‘Drieke’, de naam van zijn vrouw en de datum van hun trouwen. Hij holt naar binnen en z’n vrouw nog in bed ligt. “Sta op!”, zegt ie, “ik en m’n knecht motten koffie”. Maar ze staat niet op. Ze zegt dat ze ziek is. Hij dwingt haar. Ze weigert. “Deruit!” roept ie en sleept haar uit bed. Dan ziet ie wat er gebeurt is. Ze mist een vinger, de ringvinger. Het bloed loopt over nachtkleed en beddengoed. “Wa is er me ou?” schrikt de mulder en laat haar los. “Ze hebben m’n vinger afgeschoten” huilt ze. De mulder begrijpt alles maar vraagt toch nog: “hoe kan het, da ge ’s nachts hier weg waard en da ik da niet merkte?”. Ze wilde niks zeggen, dat snapte de mulder. Hij liep rood van woede, “spreekt op zei’k oe!”. Zo had ze de goede mulder nog nooit gezien of gehoord. “ik lei er de bezem in m’n plaats”. “Waarom hedde mij doodarm gemaakt? Waarom mocht ik niet malen na twaalf uur?” “Ik was hele gaar in de waus, ik was er niets aan doen ik most!”, huilde ze. “Ik heb enne goeie knecht” zei de mulder. “Ik zal ‘em de andere zes eksters ook laten afschieten”. “Nee!”, schreeuwde ze. Maar da was ook niet nodig. Ze waren weg en ze bleven weg. En de molen bleef malen, dag of nacht.

Onderwerp

SINSAG 0622 - Die verzauberte Mühle (Brauerei)    SINSAG 0622 - Die verzauberte Mühle (Brauerei)   

Beschrijving

Een mulder wilde ook 's nachts malen maar de molen kon geen korrel verwerken 's nachts ondanks dat het wel draaide. Om dit op te lossen schakelde de mulder de hulp in van zijn knecht. Deze heeft op een avond de wacht gehouden en zag dat er bij de molen zeven eksters kwamen vliegen. De knecht schoot naar de grootste ekster en raakte daarbij de teen van de vogel waar een ring aan zat. De volgende ochtend bleek dat de ring aan de vrouw van de mulder toebehoorde. Zij was dus een heks.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Naam Overig in Tekst

Drieke    Drieke   

Naam Locatie in Tekst

Nistelrode    Nistelrode   

Plaats van Handelen

Nistelrode (Noord-Brabant)    Nistelrode (Noord-Brabant)