Hoofdtekst
In een ouden tijd was het hier veel plezanter om te jagen dan nu. Oude mensen weten nog te vertellen dat er toen te best meer hazen waren dan jagers en dat het veld bij pozen vergeven was van wild. Het was in den goeie tijd dat er nog toverhazen rondliepen die somtijds vergezeld waren door een heel regiment van huns gelijken. Op de singer te Hoogen verscheen zekeren dag ook zo’n wonderhaas. Een pracht van een beest. Als ie op z’n achterste zat was hij, zonder liegen, zo hoog als een toren. En tam waar andere hazen bij het minste gerucht of de kleinste beweging schamper viesspeelden daar bleef deze meneer ongegeneerd op zijn achterste zitten met zijn kwarts ogen recht omhoog. En of daar volk in het veld was of niet, daar om verzette hij geen poot.
Ze hadden al geprobeerd hem met de handen te pakken maar als ze van hier tot daar van hem af waren schoot hij ervan onder. Natuurlijk dat zoiets seffens verraden was. Het volk kon toen zo min zwijgen als nu. Maar die haas heeft vele jaars lelijke parten gespeeld.
Twee loerjagers, hadden het ook vernomen en kwamen af. Elk met een tweedeloops geweer. Ze zouden die haas zijn affaire eens voorgoed regelen dan was het uit met dat gezwets. Hetzelfde wie, wie, wie op hem schoot, voor ieder de helft. Dat ging toen zo. Ze stelden zich op tegen de dijk langs het veld op een vijftigtal meter van de kander. Het duurde niet lang of de haas was er ook. Wederom op zijn achterste de oren recht omhoog. Maar toen gebeurde er iets dat ze nog nooit aan de hand gehad hadden. Ze schoten ieder twee maal en het geweer ging niet af. Nog twee maal hetzelfde speeltje en met leden ogen zagen ze de haas vertrekken. Daar stonden ze nu. Ze zochten beide naar de oorzaak van die tegenslag. Wie de oorzaak kent van die tegenspoed is altijd half getroost en kan er nog aan verhelpen. En zo kwamen beide tot het besluit dat hun poeder vochtig was. Ze bleven nog een stondeke woord jammeren en besloten maar onmiddellijk om droog poeder te gaan halen. Die haas had daar zijn leger en zou nog zo rap niet vertrekken. Als ze onderweg waren wilde een van de twee zijn geweer toch nog eens proberen. Hij schoot twee maal in de lucht en pardaf, heel het gehucht daverde onder de zware slagen. Nu konden ze er niet meer uit wijs worden en begonnen te geloven dat er tovenarij in het spel was.
Terwijl die van hagen aan het zorgen waren voor droog poeder was de haas verhuisd naar een weide in de Dalensen dicht bij de woning van een klompenmaker.
Op enkele minuten van daar woonde een loerjager die Banaaike heette. Banaaike lag in de nachten meer in het veld dan in zijn eigen bed. Anders een braaf manneke en rechtuit want hij zei het zelf dat hij meer op de loer ging uit plezier dan om dat stukske wild. De klompenmaker liet Banaaike de complimenten brengen met verzoek naar de Dalensen te komen. Banaaike wist wat zulke verzoeken inhielden en trok er dadelijk naartoe met zijn tweedeloops geweer. Eerst moest hij door een haag kruipen. Zijn achterste helft was er nog niet door of hij zag de haas al gereed zitten rechtop met gesplitste oren. “Hola kerel, ik zal jou es gauw efkes wa lood in uw pels jagen”, zei Banaaike half luid tegen zichzelf. Toen hij zijn geweer vooruit stak om te schieten en al een oog toe had zag ie niet een maar tien, twintig, vijftig, nee wel honderd hazen. Het grimde ervan in de weide. Banaaike was er effe nog duizelig van en durfde niet meer schieten. Hij trok zijn voorste helft gauw terug door de haag en rende in volle galop huiswaarts altijd maar herhalend: “Toverij! Toverij! Toverij!”. Thuis gekomen vertelde hij het geval nog veel langer en breder dan het geweest was.
Maar Banaaike had wel gelijk en later is alles uitgekomen. Die klompenmaker bezat toverboeken en het was hij die de haas betoverd had om de jagers te bedriegen. Nadien werd die haas nog op andere plaatsen gezien doch niemand heeft hem ooit kunnen schieten. Op zo’n manier bleef er altijd wild in het veld. Als de jagers zonder haas thuis kwamen hadden ze toch dikwijls een schone historie derbij. Die hadden ze dan nodig voor hun vergaderingen waar deze waargebeurde hazenhistories altijd welkom zijn.
Ze hadden al geprobeerd hem met de handen te pakken maar als ze van hier tot daar van hem af waren schoot hij ervan onder. Natuurlijk dat zoiets seffens verraden was. Het volk kon toen zo min zwijgen als nu. Maar die haas heeft vele jaars lelijke parten gespeeld.
Twee loerjagers, hadden het ook vernomen en kwamen af. Elk met een tweedeloops geweer. Ze zouden die haas zijn affaire eens voorgoed regelen dan was het uit met dat gezwets. Hetzelfde wie, wie, wie op hem schoot, voor ieder de helft. Dat ging toen zo. Ze stelden zich op tegen de dijk langs het veld op een vijftigtal meter van de kander. Het duurde niet lang of de haas was er ook. Wederom op zijn achterste de oren recht omhoog. Maar toen gebeurde er iets dat ze nog nooit aan de hand gehad hadden. Ze schoten ieder twee maal en het geweer ging niet af. Nog twee maal hetzelfde speeltje en met leden ogen zagen ze de haas vertrekken. Daar stonden ze nu. Ze zochten beide naar de oorzaak van die tegenslag. Wie de oorzaak kent van die tegenspoed is altijd half getroost en kan er nog aan verhelpen. En zo kwamen beide tot het besluit dat hun poeder vochtig was. Ze bleven nog een stondeke woord jammeren en besloten maar onmiddellijk om droog poeder te gaan halen. Die haas had daar zijn leger en zou nog zo rap niet vertrekken. Als ze onderweg waren wilde een van de twee zijn geweer toch nog eens proberen. Hij schoot twee maal in de lucht en pardaf, heel het gehucht daverde onder de zware slagen. Nu konden ze er niet meer uit wijs worden en begonnen te geloven dat er tovenarij in het spel was.
Terwijl die van hagen aan het zorgen waren voor droog poeder was de haas verhuisd naar een weide in de Dalensen dicht bij de woning van een klompenmaker.
Op enkele minuten van daar woonde een loerjager die Banaaike heette. Banaaike lag in de nachten meer in het veld dan in zijn eigen bed. Anders een braaf manneke en rechtuit want hij zei het zelf dat hij meer op de loer ging uit plezier dan om dat stukske wild. De klompenmaker liet Banaaike de complimenten brengen met verzoek naar de Dalensen te komen. Banaaike wist wat zulke verzoeken inhielden en trok er dadelijk naartoe met zijn tweedeloops geweer. Eerst moest hij door een haag kruipen. Zijn achterste helft was er nog niet door of hij zag de haas al gereed zitten rechtop met gesplitste oren. “Hola kerel, ik zal jou es gauw efkes wa lood in uw pels jagen”, zei Banaaike half luid tegen zichzelf. Toen hij zijn geweer vooruit stak om te schieten en al een oog toe had zag ie niet een maar tien, twintig, vijftig, nee wel honderd hazen. Het grimde ervan in de weide. Banaaike was er effe nog duizelig van en durfde niet meer schieten. Hij trok zijn voorste helft gauw terug door de haag en rende in volle galop huiswaarts altijd maar herhalend: “Toverij! Toverij! Toverij!”. Thuis gekomen vertelde hij het geval nog veel langer en breder dan het geweest was.
Maar Banaaike had wel gelijk en later is alles uitgekomen. Die klompenmaker bezat toverboeken en het was hij die de haas betoverd had om de jagers te bedriegen. Nadien werd die haas nog op andere plaatsen gezien doch niemand heeft hem ooit kunnen schieten. Op zo’n manier bleef er altijd wild in het veld. Als de jagers zonder haas thuis kwamen hadden ze toch dikwijls een schone historie derbij. Die hadden ze dan nodig voor hun vergaderingen waar deze waargebeurde hazenhistories altijd welkom zijn.
Onderwerp
SINSAG 0341 - Die vermehrten Hasen: wenn der Jäger (Wilderer) auf einen schiesst, zeigen sich viele.
  
SINSAG 0592 - Hexentier kann nicht getroffen werden
  
Beschrijving
Vroeger was er een toverhaas in Hoogen. Twee jagers probeerde hem te schieten maar elke keer dat ze dat probeerde te doen werkte hun geweer niet. Een andere jager uit de buurt probeerde ook de haas te doden maar toen hij zijn geweer gereed had om te schieten stonden daar tientallen hazen in het veld. Het was een haas die door de klompenmaker betoverd was.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Naam Overig in Tekst
Banaaike   
Naam Locatie in Tekst
Hoogen   
de Dalensen   
Plaats van Handelen
de Dalensen   

