Hoofdtekst
Dan komt hier de heks zonder handen en hoe ze der stuur kwijtraakte. “Een heks op de fiets?” zegt ge. Nee, nee, stil nou es da’k et oe vertellen kan. Wa ge nie denke zou da da hekske nog ene mens had, ene echte Jan Sok, maar pas op want as ze de kans kreeg snevende hij een heel week geld in z’ne trechter. Ge zou ut aan da kleine manneke nie zeggen dat er zo’n groot geheim vat in verborgen stak. “’t is krek en monika”, zeiden z’n vrienden. “As ie muziek en lol begint te maken kan die zo mirakels groot worden dar et nie weet”. Ja zo was Hasse.
Op ene keer zei de heks tegen em: “lopt es bij Grader langs en zegt dat ze m’ne muts wast en op maakt”. Der was ene schone geplisseerde tierlantijne muts die Hasse der altijd op der kop moest trekken. Ja, het wijfke ha geen handen ge motte denken. Goe dan. Hasse vie de muts, moffelde die ergens in de binnentes en door de sneeuw klabbeterde die in de richting Nistelrooi. Ver kwam ie nie want bij het eerste cafeeke ’t beste hoorde hij z’n houtere tong klappe tegen z’n planke verhemelte. “Luste gij geen glaaske? Luste gij geen glaaske?”. “Enof”, knikte Hasse, “wa zes”. Hij zocht es in z’n vestzak en het gong. En Hasse gong ook. En in de kortste keren was Hasse van buiten haast krek zo warm as van binne. Een zou der een voordracht doen. Da’s te zegge: hij wilde es laten zien en horen wat voor een labbekoek van een vrouw ie had. Ut biljarddek vie die voor ook en hij wilde al een gordijntje van het raam halen om als muts te gebruike toen Hasse op een protest van de kastelein te hulp kwam. Hij had iets en zelf waggelde hij naar de voordrachtkunstenaar en frunnikte hem de muts om de kop. Door de lol vergat ie em later da ding weer af te nemen. Ze kwamen buiten, der werd de muts om de kop van een sneeuwpop gestrikt waar om ze een heidense dans uitvoerden.
De volgende dag sloeg hem de schrik diep in de hersepan maar hij moch niks laten merken want wat ze zien kon dat zag ze. Die muts verdimme, waar ha die da ding toch gebracht? Hij zag nog nevelig dat er een kop in gegroeid was, da kon toch nie? Een andere kop in die muts? En toch, een mooie witte kop met een neus. Een neus wat was da voor een neus? Da was een knolneus met haarkes. “Hedde menne muts nog nie gehoald? Hedde menne muts nou nog nie? Gaat er nou naar toe Jan Sok!”. “Zij ik al geweest”, “En wa zeien ze?”, “Dat er ene kop onder gegroeid was”. Ze keek hem aan of ze hem voor dessert wilde gebruiken maar al gauw kalmeerde ze omdat ze alweer een heksekarwijtje erin zag. “Goe”, zei ze, “goe, da motten we dan zien”. En Hasse schoof met trillende benen weg.
Op het hekseuur dee ze iets dat ze sinds ze haar handen was kwijtgeraakt niet meer gedurfd had. Het was zachter weer geworden en dus viet ze de bezem en maakte die startklaar, dat wil zegge: ze sloeg geslote riem om de stok en haar nek om toch met dat toestel een geheel uit te maken. Even de hekseformule en FUUT daar schoot ze over de bomen. Bij Lucifer, het sture viel niet mee. Wacht, met der voeten, zo. Dar werde wel moe van, sturen met de voeten, zou ze nog aan moete wenne. Ze gierde door de lucht. Ah daar hadde al lichtjes van Nistelrooi, zo ver hoefde ze niet eens. Zo, over dit huis heen en dan… Oei oei, ze stuurde niet scherp genoeg en met een krak stak de bezem in een schoorsteen en bleef, omdat ie onbreekbaar was, schuin overeind erin staan.
Hasse intussen lag te snurken maar het was een haazesnurk. Wat zou er voor em opzitten as ze briese terugkwam? Daar kwam iets. Dat was al lang niet meer gebeurt. Seigneur de duvel bracht er zelf thuis. Hasse sloeg een kruis en de duvel gierde weg. ‘Maar de duvelin is binne’ dacht Hasse. Maar och en toch wat zag ze er uit. “Heb ik et oe nie gezeit”, riep Hasse, “dat er een andere kop onder gegroeid was? Kijk nou toch es”. Heel het gezicht verbrand, de halve muts half zwart verschroeid, de haren as een geutveger omhoog. Zo’n lelijk vrommus liep er geen tweet. “Das de menne”, stamelde Hasse vast. En waar bleef de bezem? De duvel kon em niet eens uit de schoorsteen krijgen. Maar de felle rook kon et wel. Nog steeds cirkelt boven Heesch en Nistelrooi de bezem razend rond.
Op ene keer zei de heks tegen em: “lopt es bij Grader langs en zegt dat ze m’ne muts wast en op maakt”. Der was ene schone geplisseerde tierlantijne muts die Hasse der altijd op der kop moest trekken. Ja, het wijfke ha geen handen ge motte denken. Goe dan. Hasse vie de muts, moffelde die ergens in de binnentes en door de sneeuw klabbeterde die in de richting Nistelrooi. Ver kwam ie nie want bij het eerste cafeeke ’t beste hoorde hij z’n houtere tong klappe tegen z’n planke verhemelte. “Luste gij geen glaaske? Luste gij geen glaaske?”. “Enof”, knikte Hasse, “wa zes”. Hij zocht es in z’n vestzak en het gong. En Hasse gong ook. En in de kortste keren was Hasse van buiten haast krek zo warm as van binne. Een zou der een voordracht doen. Da’s te zegge: hij wilde es laten zien en horen wat voor een labbekoek van een vrouw ie had. Ut biljarddek vie die voor ook en hij wilde al een gordijntje van het raam halen om als muts te gebruike toen Hasse op een protest van de kastelein te hulp kwam. Hij had iets en zelf waggelde hij naar de voordrachtkunstenaar en frunnikte hem de muts om de kop. Door de lol vergat ie em later da ding weer af te nemen. Ze kwamen buiten, der werd de muts om de kop van een sneeuwpop gestrikt waar om ze een heidense dans uitvoerden.
De volgende dag sloeg hem de schrik diep in de hersepan maar hij moch niks laten merken want wat ze zien kon dat zag ze. Die muts verdimme, waar ha die da ding toch gebracht? Hij zag nog nevelig dat er een kop in gegroeid was, da kon toch nie? Een andere kop in die muts? En toch, een mooie witte kop met een neus. Een neus wat was da voor een neus? Da was een knolneus met haarkes. “Hedde menne muts nog nie gehoald? Hedde menne muts nou nog nie? Gaat er nou naar toe Jan Sok!”. “Zij ik al geweest”, “En wa zeien ze?”, “Dat er ene kop onder gegroeid was”. Ze keek hem aan of ze hem voor dessert wilde gebruiken maar al gauw kalmeerde ze omdat ze alweer een heksekarwijtje erin zag. “Goe”, zei ze, “goe, da motten we dan zien”. En Hasse schoof met trillende benen weg.
Op het hekseuur dee ze iets dat ze sinds ze haar handen was kwijtgeraakt niet meer gedurfd had. Het was zachter weer geworden en dus viet ze de bezem en maakte die startklaar, dat wil zegge: ze sloeg geslote riem om de stok en haar nek om toch met dat toestel een geheel uit te maken. Even de hekseformule en FUUT daar schoot ze over de bomen. Bij Lucifer, het sture viel niet mee. Wacht, met der voeten, zo. Dar werde wel moe van, sturen met de voeten, zou ze nog aan moete wenne. Ze gierde door de lucht. Ah daar hadde al lichtjes van Nistelrooi, zo ver hoefde ze niet eens. Zo, over dit huis heen en dan… Oei oei, ze stuurde niet scherp genoeg en met een krak stak de bezem in een schoorsteen en bleef, omdat ie onbreekbaar was, schuin overeind erin staan.
Hasse intussen lag te snurken maar het was een haazesnurk. Wat zou er voor em opzitten as ze briese terugkwam? Daar kwam iets. Dat was al lang niet meer gebeurt. Seigneur de duvel bracht er zelf thuis. Hasse sloeg een kruis en de duvel gierde weg. ‘Maar de duvelin is binne’ dacht Hasse. Maar och en toch wat zag ze er uit. “Heb ik et oe nie gezeit”, riep Hasse, “dat er een andere kop onder gegroeid was? Kijk nou toch es”. Heel het gezicht verbrand, de halve muts half zwart verschroeid, de haren as een geutveger omhoog. Zo’n lelijk vrommus liep er geen tweet. “Das de menne”, stamelde Hasse vast. En waar bleef de bezem? De duvel kon em niet eens uit de schoorsteen krijgen. Maar de felle rook kon et wel. Nog steeds cirkelt boven Heesch en Nistelrooi de bezem razend rond.
Beschrijving
Een heks zonder handen had haar man opgedragen haar muts naar de wasvrouw te brengen. Onderweg echter ging de man de kroeg in en het mutsje van de heks belandde op het hoofd van een sneeuwpop.
De volgende dag durfde de man dat niet tegen zijn vrouw te zeggen en toen zij aan hem vroeg waar haar muts gebleven was zei hij dat er een kop onder was gegroeid.
De heks ging toen op onderzoek uit en pakte haar bezem uit de kast die ze met haar voeten kon sturen. Ze stuurde op een gegeven moment iets te sterk en kwam vast te zitten in een schoorsteen. De duivel zelf heeft haar toen los gemaakt en naar huis gebracht.
De bezem is nu nog steeds te zien boven Heesch en Nistelrode.
De volgende dag durfde de man dat niet tegen zijn vrouw te zeggen en toen zij aan hem vroeg waar haar muts gebleven was zei hij dat er een kop onder was gegroeid.
De heks ging toen op onderzoek uit en pakte haar bezem uit de kast die ze met haar voeten kon sturen. Ze stuurde op een gegeven moment iets te sterk en kwam vast te zitten in een schoorsteen. De duivel zelf heeft haar toen los gemaakt en naar huis gebracht.
De bezem is nu nog steeds te zien boven Heesch en Nistelrode.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Motief
G242.1 - Witch flies through air on broomstick.   
Naam Overig in Tekst
Jan Sok   
Grader   
Lucifer   
Hasse   
Naam Locatie in Tekst
Nistelrode   
Heesch   

