Hoofdtekst
De zwijgende Hanneke en de sprekende kat
Honderd eksters maken geen lawaai zoals de heksen uit de hei, zeien de mensen. De heks, Hanneke, woonde buiten wegen en paden. Ze glipte tussen de bomenrijen van het bos door, had een oud pad laten doodlopen op een zelfgetoverde gracht die geregeld vol vuil water stond. Wie er verdwaalde maakte liever rechtsomkeert. Nou moet Hanneke […] om boodschappen. Al dicht bij de stad valt ze over een boomstronk. Dat zoiets een heks kan overkomen. Half versuft denkt ze nog ‘had ik toch de kat, m’n beste Mieneke, meegenomen die me altijd tijdig waarschouwd’. Maar die sprekende kat heeft het waarschouwen meer achterwege gelaten want as ze eindelijk, Hanneke, met der gebroke been hebbe gevonde, ontdekken ze in het ziekenhuis dat ze ooit een hete koffiestroom over der lijf heeft gekregen. De kat had niet gewaarschouwd. In haar ingewanden zat een speld! De kat had haar niet gewaarschouwd. Evenmin bij die houw in haar hand waar het litteken nog rood van zag. Hanneke werd behandeld met werktuigen zo van boender tot operatiemes.
Toen ze er een week lag had ze nog geen woord gesproke. Hanneke zong, en als Hanneke zong dan zong ze en zweeg voor geen mens. Het enige woord wat de vrouwen opvingen van het graftonige zang was ‘Mieneke’. Mieneke, wie was nou Mieneke? Wat moest Mieneke? Hanneke kreeg voor straf geen eten. ’s Morgens kwam de zuster binnen, naast Hanneke lagen nog afgeknabbelde stukken van boterhammen met spek. Woedend viel de hoofdzuster in de keuken uit: “Wie brengt Hanneke boterhammen met spek? Wie is er zo gek?”. Niemand bracht Hanneke boterhammen met spek, niemand was er zo gek.
Die dag kreeg Hanneke verder alleen wa drinken en haar kamer werd extra in het oog gehouden. ’s Morgens lagen er weer boterham brokken. ’t Hele ziekenhuis raakte in rep en roer. Het spookte bij Hanneke. Maar het werd plotseling kritiek met Hanneke’s gespook. Want op een morgen lagen er alleen boterhammen met spek maar geen Hanneke. Dat raadsel kon gedeeltelijk opgelost worden want het raam stond open. Dus daardoor was ze em gepiept. De boterhammen werden deskundig onderzocht. Rare tandensporen zaten er in en overal kattenharen op. Hoe kon hier nou een kat binnekomen? Hoe kon Hanneke lopen? “Ze komt geen dertig pas ver” stelde de dokter vast, “zoek maar in de tuin”. Alle zieken lagen in gedachte mee te zoeken. Maar ook binnen zestig meter geen Hanneke. Nergens. Alleen sporen van pantoffels en kattenklauwen. Dan de politie gewaarschuwd. Een agent schoot baggelaars aan en begaf zich goedsmoeds, een agent gelooft niet in heksen en zulk goed, op weg naar het hei hutje.
Voor de poel gekomen hoorde hij plotseling een ontzettend gekrijs en hulpgeroep. Hij draaide terug om een aanloop te nemen om zo ver mogelijk over de poel heen te springen. Middenin zijn ren en terwijl het gekrijs z’n hoogtepunt bereikte sniekte hem een zwarte kat tussen zijn tekkelende benen en PLOEF daar sleede hij over de vettige poelkant de poel in. Zwemmen kon hier niet baten, alleen spartelen. Het water kletste naar alle kanten en daar kon de kat niet van wisselen. Na heel wat gekloeder stond de agent aan de andere kant. Trok zijn zakken om. Waar was de kat? Wacht, daar in de struiken. KETS, KETS, PLETS. Ja wa doede met een verdronken revolver? Ketsen anders dee da ding niks. Lachte de kat? Hij meende zoiets te horen. Toen wendde hij zich snel naar de hut. “Gelukkig!”, riep Hanneke. “Ho, ik dach da gij geen pap kon zegge”, merkte de kletsnatte op. “Godzijdank, godzijdank!” en terwijl Hanneke dat riep klonk een oorverdovend gekrijs van buiten. En plots volgde een sissend geluid en een vuurstraal schoot door de struiken die as razend vlam vatte. “Da’s van een drup in ut vuur” schreede de natte. Holde naar buite, greep een emmer, plonsde die in de poel en smeet de ene na de andere over het brandend geval. Maar achter hem zag hij iets wat hij nog nooit gezien had. Een gevecht van een vrouw en een kat. RENG! Daar ging een volle emmer over allebei tegelijk. De kat jankte en scheen uit elkaar geploft te zijn. Een rookzuil was alles wat van het beest overschoot. Maar de vrouw, Hanneke, kwam naar de agent toe of ze hem omarmen wilde, hij nou nie bepaald om gevraagd had. “Godzijdank” riep ze nog es, “water! Da kan ie nie tege. Nou mag ik weer alles zegge. Nou kan ik weer prate. Ik ben van hem af! Voorgoed van die smerige… ”. “Over wie hedde het vrouwke?”, “Over de duvel meneer politie. Over den duvel, ik zij em kwijt!”.
Honderd eksters maken geen lawaai zoals de heksen uit de hei, zeien de mensen. De heks, Hanneke, woonde buiten wegen en paden. Ze glipte tussen de bomenrijen van het bos door, had een oud pad laten doodlopen op een zelfgetoverde gracht die geregeld vol vuil water stond. Wie er verdwaalde maakte liever rechtsomkeert. Nou moet Hanneke […] om boodschappen. Al dicht bij de stad valt ze over een boomstronk. Dat zoiets een heks kan overkomen. Half versuft denkt ze nog ‘had ik toch de kat, m’n beste Mieneke, meegenomen die me altijd tijdig waarschouwd’. Maar die sprekende kat heeft het waarschouwen meer achterwege gelaten want as ze eindelijk, Hanneke, met der gebroke been hebbe gevonde, ontdekken ze in het ziekenhuis dat ze ooit een hete koffiestroom over der lijf heeft gekregen. De kat had niet gewaarschouwd. In haar ingewanden zat een speld! De kat had haar niet gewaarschouwd. Evenmin bij die houw in haar hand waar het litteken nog rood van zag. Hanneke werd behandeld met werktuigen zo van boender tot operatiemes.
Toen ze er een week lag had ze nog geen woord gesproke. Hanneke zong, en als Hanneke zong dan zong ze en zweeg voor geen mens. Het enige woord wat de vrouwen opvingen van het graftonige zang was ‘Mieneke’. Mieneke, wie was nou Mieneke? Wat moest Mieneke? Hanneke kreeg voor straf geen eten. ’s Morgens kwam de zuster binnen, naast Hanneke lagen nog afgeknabbelde stukken van boterhammen met spek. Woedend viel de hoofdzuster in de keuken uit: “Wie brengt Hanneke boterhammen met spek? Wie is er zo gek?”. Niemand bracht Hanneke boterhammen met spek, niemand was er zo gek.
Die dag kreeg Hanneke verder alleen wa drinken en haar kamer werd extra in het oog gehouden. ’s Morgens lagen er weer boterham brokken. ’t Hele ziekenhuis raakte in rep en roer. Het spookte bij Hanneke. Maar het werd plotseling kritiek met Hanneke’s gespook. Want op een morgen lagen er alleen boterhammen met spek maar geen Hanneke. Dat raadsel kon gedeeltelijk opgelost worden want het raam stond open. Dus daardoor was ze em gepiept. De boterhammen werden deskundig onderzocht. Rare tandensporen zaten er in en overal kattenharen op. Hoe kon hier nou een kat binnekomen? Hoe kon Hanneke lopen? “Ze komt geen dertig pas ver” stelde de dokter vast, “zoek maar in de tuin”. Alle zieken lagen in gedachte mee te zoeken. Maar ook binnen zestig meter geen Hanneke. Nergens. Alleen sporen van pantoffels en kattenklauwen. Dan de politie gewaarschuwd. Een agent schoot baggelaars aan en begaf zich goedsmoeds, een agent gelooft niet in heksen en zulk goed, op weg naar het hei hutje.
Voor de poel gekomen hoorde hij plotseling een ontzettend gekrijs en hulpgeroep. Hij draaide terug om een aanloop te nemen om zo ver mogelijk over de poel heen te springen. Middenin zijn ren en terwijl het gekrijs z’n hoogtepunt bereikte sniekte hem een zwarte kat tussen zijn tekkelende benen en PLOEF daar sleede hij over de vettige poelkant de poel in. Zwemmen kon hier niet baten, alleen spartelen. Het water kletste naar alle kanten en daar kon de kat niet van wisselen. Na heel wat gekloeder stond de agent aan de andere kant. Trok zijn zakken om. Waar was de kat? Wacht, daar in de struiken. KETS, KETS, PLETS. Ja wa doede met een verdronken revolver? Ketsen anders dee da ding niks. Lachte de kat? Hij meende zoiets te horen. Toen wendde hij zich snel naar de hut. “Gelukkig!”, riep Hanneke. “Ho, ik dach da gij geen pap kon zegge”, merkte de kletsnatte op. “Godzijdank, godzijdank!” en terwijl Hanneke dat riep klonk een oorverdovend gekrijs van buiten. En plots volgde een sissend geluid en een vuurstraal schoot door de struiken die as razend vlam vatte. “Da’s van een drup in ut vuur” schreede de natte. Holde naar buite, greep een emmer, plonsde die in de poel en smeet de ene na de andere over het brandend geval. Maar achter hem zag hij iets wat hij nog nooit gezien had. Een gevecht van een vrouw en een kat. RENG! Daar ging een volle emmer over allebei tegelijk. De kat jankte en scheen uit elkaar geploft te zijn. Een rookzuil was alles wat van het beest overschoot. Maar de vrouw, Hanneke, kwam naar de agent toe of ze hem omarmen wilde, hij nou nie bepaald om gevraagd had. “Godzijdank” riep ze nog es, “water! Da kan ie nie tege. Nou mag ik weer alles zegge. Nou kan ik weer prate. Ik ben van hem af! Voorgoed van die smerige… ”. “Over wie hedde het vrouwke?”, “Over de duvel meneer politie. Over den duvel, ik zij em kwijt!”.
Onderwerp
SINSAG 0916 - Kampf mit dem Teufel.   
Beschrijving
Vrouw komt in het ziekenhuis terecht, waar vreemde dingen gebeuren, en verdwijnt opeens. Een agent die haar zoekt, wordt door een zwarte kat lastig gevallen. Bij de hut zet een vuurstraal struiken in brand, die de agent te lijf gaat met emmers water. Tegelijkertijd ziet hij een kat en een vrouw vechten, en gooit een emmer water over beiden, waarna er niets overblijft van de kat. De vrouw stelt dat ze door het water van de duivel is verlost, want daar kan de duivel niet tegen.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Motief
G303.3.3.1.2 - Devil in form of a cat.   
D1380.5 - Magic water protects.   
Naam Overig in Tekst
Hanneke   
Mieneke   

