Hoofdtekst
Het is vroeger gebeurd, dat iemand in den laten avond op den weg van Galamadammen naar Koudum alleen gaande, werd aangegrepen en in de sloot geworpen, - door wien? Daar begreep hij niets van. Hij kwam zeer laat en doornat tehuis. Aangezien hij een man was, wien men eigenlijk niets van beteekenis konde ontrooven, was het algemeen gevoelen dat hij met den duivel te doen gehad moest hebben. De schoolmeester van Koudum echter dreef den spot er meê en zeide : <<De man is dronken geweest en heeft zich niet kunnen besturen, dat is alles.>> - Maar spotters krijgen spottersloon. Meester was gewoon elken avond om acht uren het uurwerk in den dorpstoren op te winden. Hij zette dan de lantaarn bij zich op den uurwerkzolder neder en begon te draaien, om de zware gewichten, waardoor het uurwerk liep, omhoog te brengen. Hierbij was hij gewoon altijd een liedje te zingen als om zich het werk te verlichten. Op den avond toen hij zoo had gespot met die duivelsgeschiedenis daar op den weg, was hij ook weêr oudergewoonte boven in den toren aan het draaien en zingen. Toen dit een poosje geduurd had meende hij achter zich iets te hooren. Hij zag om, en ja! daar stond bij den muur eene groote ruigbehaarde gedaante met een paar hoornen op den kop. En aan den eenen hoorn hing meesters lantaarn. Meester verschrikte natuurlijk, hij was op dat oogenblik zelfs sprakeloos. Gelukkig ging het wezen op den aanblik van meester achterwaarts, den steenen trap af, altijd met de lantaarn aan een hoorn hangende, en aanhoudend den kop schuddende. De daling ging snel, het spook was spoedig buiten den toren. Met vaart snelde het monster langs het steenen pad over de Konijnenbuurt, waar het een jong meisje, dat boodschappen ging doen, bijna omver liep en zoo deed schrikken dat het kind bijna niet weêr tot zichzelve was te brengen. Vervolgens rende 't spook het slot voorbij en langs van der Haars bosch naar het binnendijkster bosch, waar het scheen te verdwijnen, althans het licht der lantaarn werd niet meer gezien. Meester was daar in het duister op den uurwerkzolder blijven staan en aanvankelijk zoo bedremmeld dat hij een poos niet scheen te wezen wat te moeten doen. Tot bezinning gekomen kwam 't hem 't verkieslijkst voor naar beneden te gaan, den toren te verlaten en te sluiten. Maar hij stond in het stikduister. Hij bevond zich wel niet op onbekend terrein, maar het zoeken naar de trap had toch zijn gevaar. Het gelukte den man echter behouden buiten den toren te komen, en nu ontdekte hij, dat het geheele dorp op de been was. Onderscheidene menschen vertelden hem dat zij met bun eigen zondige oogen den duivel hadden zien wegsnellen met een lantaarn op den kop. <<O!>> zeî meester, <<dan is hij ook bij mij in den toren geweest en heeft mijn lantaarn medegenomen om mij van de trap te doen vallen en den nek te doen breken. Dit is hem Goddank mislukt. >> Hij voorzag zich opnieuw van licht en verzocht een paar mannen om mede in den toren te gaan teneinde te onderzoeken hoe de zaken daar geschapen stonden. Dit geschiedde en men bevond alles in de beste orde ; alleen het uurwerk was nauwelijks half opgewonden. Het was zeker goed dat men dit ontdekte, want anders ware misschien des anderen morgens in de vroegte de torenklok blijven staan en zouden velen, die gewoon waren in hun bed den klokslag van zes, zeven of acht uren af te wachten, met hunne zaken van streek zijn geraakt en wellicht het geheele dorp in de war. Dit feit werd natuurlijk in de eerste dagen door het geheele dorp druk besproken. Er waren er die het voor meester maar eens zeer nuttig en leerzaam oordeelden, dat hij, de spotter, die van tooveren, spoken en dergelijke dingen niets wilde weten, eens eene ontmoeting met den duivel had gehad, vooral nu hij er heelhuids was afgekomen. Het ergste had, geloof ik, niemand hem gewenscht. De lantaarn van meester werd teruggevonden bij het bindijkster bosch, maar de vier glazen waren gebroken. Er woonden toen in Koudum reeds meer van die nieuwlichters, die alles uit de natuur widen verklaren. Dezen meenden al spoedig te begrijpen, hoe het met die duivelverschijning was toegegaan. Zij vertelden aldus: <<De dokter van het dorp had voor zijne jongens eene geit gekocht van een werkman die te Bindijk woonde. Toen de winterdagen aankwamen, werd dit dier bij het paard van den dokter op stal geplaatst. Maar de twee dieren leefden daar niet in vrede en de geit was natuurlijk de zwakste partij. De vroegere eigenaar zeide nu dat hij bij zijn huis nog wel een plekje gronds had, waarop het dier genoeg voedsel konde vinden om het leven te behouden. Daar werd nu de geit des daags aan een touw vastgezet om zoo te kunnen grazen en 's avonds weêr in den stal gebracht. Nu was op den avond, toen het bovengemelde gebeurde, de geit haren geleider, een niet zeer grooten jongen, ontkomen en had de vlucht genomen. Des avonds, toen meester bezig was het uurwerk op te winden, scheen de geit door de openstaande deur in den toren gesprongen en de trap opgeklauterd te zijn. Boven gekomen schijnt zij zich terstond met de op den grond staande lantaarn bemoeid te hebben, waardoor een harer hoornen door den ring geraakte, waaraan de lantaarn gedragen werd. Juist op het oogenblik toen meester even omkeek moet de geit gesteigerd en op hare achterpooten gestaan hebben. Het overige kan men er wel bij denken.
Velen in Koudum namen echter deze verklaring niet aan als de ware. Zij hielden vol, dat zij den ketting, dien de duivel aan zijn poot had, duidelijk genoeg op de straatsteeneen hadden hooren rinkelen. Daar bij het bindijkster bosch moest de booze in den grond zijn verzonken. De wijze mannen beweerden, dat het rinkelen op de steenen was gekomen van de ijzeren bout, die vastzat aan het einde van het lange touw dat de geit aan den hals had. Deze bout werd in den grond gestoken als men het dier op het land liet grazen. - Nu ja, maar op die manier kan men alles wel wegredeneeren, niet waar?
Velen in Koudum namen echter deze verklaring niet aan als de ware. Zij hielden vol, dat zij den ketting, dien de duivel aan zijn poot had, duidelijk genoeg op de straatsteeneen hadden hooren rinkelen. Daar bij het bindijkster bosch moest de booze in den grond zijn verzonken. De wijze mannen beweerden, dat het rinkelen op de steenen was gekomen van de ijzeren bout, die vastzat aan het einde van het lange touw dat de geit aan den hals had. Deze bout werd in den grond gestoken als men het dier op het land liet grazen. - Nu ja, maar op die manier kan men alles wel wegredeneeren, niet waar?
Onderwerp
SINSAG 0333 - Spuktier erschreckt Wanderer (und begleitet ihn).   
Beschrijving
De schoolmeester van Koudum drijft de spot met een spookachtige gebeurtenis. Nog diezelfde avond denkt hij door de duivel bezocht te worden wanneer hij bezig is het klokwerk van de toren op te winden. Meerdere dorpelingen beweren de spookverschijning van de duivel te hebben gezien en gehoord, nadat deze uit de klokkentoren kwam rennen. Enkele wijsneuzen beweren echter dat de spookverschijning in werkelijkheid een losgebroken geit is geweest.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, p. 206-208.
Naam Locatie in Tekst
Galamadammen   
Koudum   
Plaats van Handelen
Koudum (Friesland)   
