Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2180

Een sage (boek), 1896

Hoofdtekst

Te Staveren woonde zeer lang geleden een slager die zijn vak in het groot uitoefende. Gedurende een goed gedeelte van het jaar slachtte hij wekelijks een aanzienlijk getal vette beesten, waarvan het vleesch werd ingezouten ten behoeve der groote koopvaardijschepen. Het ligt in den aard der zaak dat dit werk ook een gedeelte van het jaar stilstond en dan deed hij aan den veehandel. Hij was dan soms dagen aaneen op reis om overal waar hij kon het geschiktste vee op te koopen. Had hij hiervan een goed aantal bijeen, dan reisde hij er meê naar Amsterdam, bracht het daar ter markt en deed dan niet zelden goede zaken.
Zoo was hij eens weêr gereed om uit Amsterdam naar Friesland terug te keeren, voorzien van eene aanzienlijke geldsom. Maar nu had toevallig het beurtschip van Staveren op de heenreis averij gekregen en konde alzoo niet op den gewonen tijd terugvaren. De koopman besloot dus om met de hindelooper kaaig te gaan. Van Hindeloopen naar Staveren had hij dan nog twee uren te wandelen; maar aan dit werk was hij wel gewoon en de weg niet zeer eenzaam ; dus dit was geen groot bezwaar.
Des avonds stak men van wal, en toen de koopman niet lang daarna op de kooi lag en nog eens over zijne zaken nadacht, verheugde hij zich vooral in het vooruitzicht dat hij behoorlijk intijds tehuis konde zijn. Maar nu schoot hem te binnen, dat het vrijdag was en de zeelieden niet gaarne eene reis op vrijdag aanvangen omdat dit licht een ongeluksdag kan zijn. Al dadelijk vond hij het opmerkelijk, dat er den geheelen dag eene flinke koelte had gewaaid, en thans waren ze nog niet eens het IJ uit en de wind ging reeds liggen. Het schip vorderde niet veel, de koopman mijmerde over allerlei dingen en kon den slaap niet vatten. Hij dacht er aan, naar boven te gaan, toen het schip eensklaps een hevigen stomp kreeg, zoodat alles scheen te zullen barsten. De koopman schrikte en was spoedig gekleed op het dek. Daar was veel geroep en gevloek. De kluiffokstok van een grooter schip stak dwars over het beurtschip en nu gaf het veel moeite om zich daar van onder weg te werken. Eene engelsche bark was in de duisternis tegen het hindelooper schip aangevaren, en alleen aan de windstilte had men het te danken, dat er geen ernstiger ongelukken waren gebeurd. De zaak kwam nu wel weêr terecht, maar gaf veel oponthoud. De dag brak aan, maar nog altijd geen voldoende wind: het schip vorderde weinig of niets. De koopman werd ongeduldig en meende dat iemand daarvan den duivel moest inkrijgen. Maar de schipper zeî, het was iets dat hun niet door menschen werd aangedaan, en vond het zeer ongepast en onverstandig den duivel er in te betrekken, want waar deze zijne klauwen in stak, daar maakte hij leelijk werk; daar zou de koopman nog wel eens ondervinding van kunnen krijgen, meende de gemoedelijke schipper. De windstilte bleef aanhouden, zoodat het schip meest voor anker moest liggen, daar men niet tegen den stroom op kon zeilen, tot men in den namiddag langzaam vorderde en toch eindelijk Staveren in het gezicht kreeg. Nu had men wel tot nabij de haven van Staveren kunnen varen om door 't opsteken van een seinvlag een sloep te doen komen, die den koopman van het veerschip afhaalde. Maar de schipper achtte dit niet raadzaam, omdat onder den wal de wind altijd veel minder sterk is. Zoo liep alles den koopman tegen. Zijn ongeduld uitte hij met woorden en gebaren, die het scheepsvolk en vooral den schipper zeer ergerden. Hij begon te gelooven dat de dag, op welken het beurtschip van Amsterdam was afgevaren, een ongelukkige vrijdag was geweest.
Tegen den avond wakkerde de wind nog wat aan, maar het was toch reeds schemerdonker, toen men te Hindeloopen in de haven kwam. De koopman, hoe gaarne hij naar huis wilde, zag er wel wat tegenop om alleen en met eene zoo belangrijke som gelds op zak langs den zeedijk van Hindeloopen naar Staveren te gaan. Op de langdurige reis over de Zuiderzee was er ook al over gesproken, dat men daar bij het Hoogezand, niet ver van de Molkwerumerzijl, laat in den avond wel onaangename ontmoetingen konde krijgen met heksen, spoken en dergelijk gespuis. Waarom nam de man geen rijtuig? vraagt men misschien. - Ja, daartoe ging men in vroegeren tijd niet zoo spoedig over dan thans. Vrij zeker zal daarvoor destijds in Hindeloopen ook geen gelegenheid hebben bestaan. De wegen waren gedurende een groot gedeelte van het jaar voor rijtuigen onbruikbaar, zoodat <<voermanderij>>, zooals men in Friesland zegt, in weinigbeduidende plaatsen geen bestaan kon opleveren. De man ondernam dus de reis te voet. Het was wel duister, maar toch nog niet zoo laat, of hij zou lang vóór het eigenlijke spookuur het verdachte punt achter den rug kunnen hebben, meende hij. Hij was toch geen kind meer en bovendien voorzien van een stevigen eiken stok. Hij stapte met flinken tred voorwaarts, maar toen hij de plaats van het Hoogezand begon te naderen, werd hij toch wel een weinig ongerust en liep wat minder vlug. Het duurde ook niet lang of hij zag op geringen afstand vóór zich eene witte gedaante en een dergelijke zwarte zich met snelheid op de helling van den zeedijk bewegen, alsof zij samen aan 't krijgertjespelen waren. Hij kon evenwel niet anders dan maar voorwaarts stappen. De twee gedaanten wemelden rusteloos om hem heen, dan waren zij wat verder van hem af, dan weêr wat nader bij. Hij begon te gelooven dat het een paar heksen moesten zijn en hield den stok gereed om de eerste de beste, die hem onder den slag zoude komen, gevoelig te raken. Maar zoo na kwamen ze hem niet. Iets verder komende, meende hij iemand te zien, die bij den dijk opkwam naar de kruin waar hij zelf liep. Nu dacht hij: <<twee heksen en daar de duivel bij als derde man, dit wordt toch te erg.>> En hij zette 't op een loopen. Toen dit een poosje geduurd had, waagde hij het om te zien. Nu zag hij niets en dit deed hem hopen, dat hij verder ongehinderd zijn weg zou kunnen vervolgen. Iets moediger en rustiger stapte hij weêr voorwaarts. Maar, in de nabijheid der Molk-werumerzijl gekomen, zag hij weêr iemand bij den zeedijk opkomen. Zijn moed werd weêr zwakker, maar hij zeide toch groetende : <<'navend!>> Dit bleef onbeantwoord. Hij dacht: <<daar staat toch iemand,>> en vervolgde zijn weg. Het duurde niet lang of hij zag beneden zich op de helling van den dijk weêr iemand staan. Hij zei weêr <<'navend!>> maar ook thans werd er gezwegen. - <<Dat is toch wel duivelsch!>> zeî hij tot zich zelf. Toen hij in de nabijheid van Staveren kwam, scheen zijn moed te herleven en hij dacht: <<Zie ik nu nog eens zoo iemand aan den dijk staan en hij zwijgt op mijn groeten, dan sla ik hem met den stok op zijn kop, zoo zeker als wat.>> - Nauwelijks had hij dit gedacht of zie! daar stond er weêr een. De koopman zei weêr <<'navond!>> maar ontving geen wedergroet. Nu sloeg hij, met kracht ook; maar op den harden kop, dien hij trof, spatte zijn eiken stok in tweeën, zoodat hij slechts een gedeelte in de hand hield; de geslagene liet geen geluid hooren. - Dit deed den man zoo hevig ontstellen, dat hij erbarmelijk begon te schreeuwen, zoo hard, dat sommigen, die zich nog op den weg bevonden en het gejammer in de verte hoorden, daar angstig van werden. De koopman snelde, zoo vlug zijne beenen hem wilden dragen, naar Staveren en kwam geheel ontsteld bij zijne vrouw tehuis. De vreemde ontmoeting had den man zoozeer geschokt, dat hij des anderen daags het bed moest houden. Nu kwamen er allerlei praatjes, want de lieden, die het gejammer op den zeedijk hadden gehoord, vertelden daarvan en nu was men 't spoedig eens: de koopman moest daar door den duivel afgeranseld zijn. Hij zelf vertelde het geval geheel anders: hij had den duivel op den kop geslagen. De helft van zijn stok werd gevonden aan den zeedijk niet ver van de Molkwerumerzijl, bij een steenen paal, zooals er eenige aan den dijk stonden op gelijke afstanden van elkander.

Onderwerp

SINSAG 0477 - Begegnung mit Geistern.    SINSAG 0477 - Begegnung mit Geistern.   

Beschrijving

Een slager loopt in het donker naar huis. Bij het Hoogezand aangekomen, meent hij twee heksen te zien. Niet veel later ziet hij een zwijgzame gestalte die de dijk op lijkt te komen. De man is bang dat het de duivel is en zet het op een lopen. Nog tweemaal komt hij de gestalte tegen. Telkens roept hij een groet, maar de gestalte antwoord niet. De derde keer slaat de slager met zijn stok op de gedaante in, maar deze maakt geen geluid. Hierop schrikt de man zo erg, dat hij begint te schreeuwen. In het dorp aangekomen, denkt men dat hij door de duivel in elkaar is geslagen. Zelf beweerd de man dat hij het was die de duivel heeft geslagen. Zijn stok werd in tweeën gebroken gevonden bij een stenen paal aan de dijk, waar meerdere palen op gelijke afstand van elkaar staan.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, p. 210-213.

Naam Overig in Tekst

het IJ    het IJ   

de Zuiderzee    de Zuiderzee   

Naam Locatie in Tekst

Staveren    Staveren   

Amsterdam    Amsterdam   

Friesland    Friesland   

Hindeloopen    Hindeloopen   

Hoogezand    Hoogezand   

Molkwerumerzijl    Molkwerumerzijl   

Plaats van Handelen

Hindeloopen    Hindeloopen   

Staveren    Staveren