Hoofdtekst
En als die bij ons kwam dan zei die altijd, als we zo wat vertelden en en zij goh ik moet nog naar de slager of wat ook. “Braadworst hoef je niet mee te brengen”, zei die dan altijd, “die ken je beter in Schinnen gaan eten”. Zei ik altijd: “waarvoor moet je die dan in Schinnen eten?” En dan zei die tegen me moeder: “Neelie, heb je haar dat niet verteld”. “Nee”, zei mam, “heb ik geen tijd voor voor zulke verhalen”. M’n moeder was een ontzettend druk mens altijd. Toen zeide: “zal ik jou het verhaal dan eens vertellen”. Zei ik: “joh Tij, vertel me dat dan eens”.
En toen zei die: “braadworst moet je in Schinnen eten”. En toen zeide: ”toen mijn vader en moeder nog leefden”, zei die dan, “en de moeder en de vader van jouw moeder”, zei die, “toen was dat verhaal in de omloop”. Toen woonden in Thull dat is vlakbij Schinnen een plaatsje, Thull, heet dat. Dat was een watermolen in Thull. En ik ken dat plaatsje ook goed, Thull. En daar woonden een vrouw en een man en die heette Betje en Willem. Heel oud en heel arm. Heel zootje kinderen hè zoals vroeger was, hele litanie hè. En die hadden het zo arm als wat, hè. Als iemand wat had dan uh bracht mar een restje naar eten of wat ook, ze brachten bij Betje en Willem, hè. Want die hadden nood, want uh. En of uh dat was vlak voor de kerst en ‘t was Betje had, Willem was werken die was boerenarbeider zo van een boer hier en daar, beetje boerenwerk hè. En waren oudere mensen en heel veul kinderen nog thuis, hadden ze opgroeiende kinderen en een vroeger waren mensen veel jonger oud hè. Begrijp je wel, als je toen een leeftijd van veertig had, dan was je oud. Dan hadden ze groot schort voor achter gebonden op de bips. En dan was je en liep je oud en je was ook oud he van die leeftijd. Nou verdomd om oud te worden he.
En uh toen was het Betje die had de hele ja, hoe zeggen jullie dat, luif zeggen wij, de stoep. Vroeger zeiden ze bij ons de luif, luif schoonmaakt, stoep had Betje helemaal schnee vrij gemaakt het had zulke dikke schnee. En dan zei ze: “Als Willem dan thuis komt -en het was de dag voor kerstmis- dannuh as as Willem thuiskomt dan heb ik die sneeuw van de stoep af, “, zei ze, tenminste dan had ze dat allemaal van de stoep af geschopt. En de kinderen waren naar bed en Willem had haar een stalletje gemaakt en kerststalletje van een paar plankjes van boterkistjes. Gewoon een kerststalletje paar takken d’rop hè, vroeger had je nog niet zoveel mooie kerststalletjes, vroeger had je nog niet zoveel mooie kerststalletjes in die tijd niet, weet jij ook wel hè. Een paar planken tegen mekaar an en paar takken erop. We hadden paar beetje en had je mooie kerststal. En ‘t toen hadden ze nog in de tijd een goede kamer, een keuken en een goede kamer, hè. Daar kwam je nooit in, dat was afgesloten ruimte. Alleen met kerstmis en met een doopfeest en als je met trouwen ging dan kwam je in de goede kamer. Anders nooit he dat was heiligdom. Er stond niks bijzonders in, in die goede kamer, gewoon een tafel met een tafelkleed om. Er werd zand gestrooid, hè. En een kast met een paar mooie kopjes enzo watin en een paar beeldjes. Dat was de goede kamer. Dat was geen waarde, d’r was geen cent voor. Maar voor die mensen in die tijd was het een goede kamer. En daar hadden ze het kerststalletje in de goede kamer gezet. En hadden ze de kinderen naar bed gedaan en hadden ze stukje spek in de pan en een klein stukje een heel klein stukje braadworst in de pan gedaan. Want jeweetwel vroeger dat was spek, hè. Braadworst was, kreeg je zondags. Eh, in die tijd van grootmoeder, braadworst dat was wel een rijkdom, hè. Die dat kwam zondags op tafel en met kermis en feestdagen en doordeweeks was spek, hè. Toen kwam er doordeweeks altijd zwart brood op tafel en zondag kreeg je snee witbrood. Dat was gewoonste zaak van de wereld. Toen was niet de rijkdom die ze nou hebben wat wil je eten, dat bestond nie.
En toen kwam die vrouw naar binnen en ze wou daar net naar binnen komen. Komt er een ganze oude man aangesloft met een grote kromme stok in de hand en een baard en een oude kapotte vieze vilthoed op de kop. Die komt eraan geschoffeld en ze denkt waar komt die vandaan, die ken ik niet. Die is hier niet uit het dorp, dacht ze. Ze kon die man niet. En toen zegt die: “moedertje mag ik me heel even bij je warmen”. “Ik heb het zo koud,” zei die hè. “Mag ik me even warmen, hè?” Hij sprak dialect. Ze zei: “u spreekt dialect maar u bent toch hier niet vandaan”, zegt ze, zegt Betje tegen de meneer. “Nee maar mag ik me even beetje warmen”. En die vrouw had de keuken schoon zandgestrooid. “Joh", zegt ze, “dat dat weiger ik nog geen hond, kom d’r maar in”, zegt ze en ze laat die oude man binnen en ze gaf hem een oude stoel en die zat te klappertanden van de kou. Oh die oude baas, heel oud een baard had ie en vies te vieze om aan te pakken. Misschien hadden ze hem op andere plaatsen geweigerd, zo vies zag hij er uit. Maar Betje niet, dat was een goed zieltje, die weigerde niemand. En die zet ‘m zo te bekijken en toen zegt ze: “dat doet een mens goed hè, warmte aan de handen en dan werd je beetje warm”. En toen ziet ze dat het water uit de schoenen slijpt. Had ganze kapotte ouwe hoge schoenen aan met kapotte veters d’rin. Een [towen] in schoen. En hele zool kapot en ‘t lag buiten sneeuw, weetjewel. Er was al dat sneeuwwater. Drijfnatte voeten en zegt: “ik ben koud tot op mijn gebeente hè”. Die vrouw zei: ”ja dat verwondert me niks. U hebt ook helemaal kapotte schoenen aan. Waar moet u nog heen?” “Ik ga naar Schinnen”, zegt die. Dat was Thull, is vlakbij Schinnen is maar paar stappen. Toen zegt die: “ik moet een oude vriend ophalen”. “Een oude vriend ophalen moet u dan nog naar toe?” “Ja”, zegt ze, “ik moet een oude vriend ophalen”, zegt die oude baas. Toen zegt die vrouw: “maar je kan toch zo niet, je hebt drijfnatte voeten”. Toen zegt ze: “Ja ik heb dan geen rijkdom”, zegt ze. “Maar ik zal eens kijken of ik wat droogs voor je voeten vind”, zegt die vrouw. En die haalt een paar oude sokken, die dikke gebreide die ze vroeger hadden, he. En toen zegt die man: “trek je die schoenen uit”. Die oude stijve man die kon haast niet neerkomen zo stijf was ie. Die trekt zich de sokken uit. De vrouw help ‘m nog, geef ‘m een handdoek voor de voeten af te drogen. En trekt hem die droge warme sokken aan en houdt ze nog even bij de kachel voor hem, sokken lekker warm aan, he. Toen zeg: “ja, nu moet je ook andere schoenen hebben, zeg maar. Ik heb het ook niet breed, jong”, zegt ze, “maar ik zal toch ‘ns kijken of ‘k wat voor jou vindt”. En ze vindt een paar ganse oude schoenen in de schuur. Die dicht waren maar wel heul oud. Maar ze zegt: “ja misschien is Willem wel kwaad op me want hij moet die schoen nog hebben”. Ze zegt: “Maar ik kan je toch ook niet zo laten gaan”. Geef die man die droge schoenen. Ze zeg tegen die man, “doe die natte jas toch even uit, dan droog ik die even bij kast”. Zo’n oude jack, tot hier. Zo’n ganse blauwe donkere duffelse jacker. Heel vol kapotte rafels d’raan te hangen te vies om aan te pakken. Die man doet de jas uit en vrouw hangt dat bij ‘n kachel over een stoel heen. Zo’n fornuis had ze daar staan, lekker warm gestoeld. Ze bekijkt die man, ze zegt: “man man wat zie jij uit”. Ze zeg: “jij hebt ook de rijkdom niet”, zegt ze, “zie ik zo wel”, zegt ze. “Kenne ons de hand geven”, zegt ze, “ik geloof dat we even rijk zijn”. “Ja”, zegt die man, “ik heb het ook niet breed” en dit en dan en begint zo ook zo kleinigheid te vertellen tegen die vrouw.
Die vrouw naar de kast toe, ze zeg: “ik zal eens gaan kijken of ik een ouwe trui van Willem vindt”, zegt ze. “Ik zal wel wat je toren dat weet ik sowieso maar ik ga toch ‘s voor je zoeken”. En ze komt met een oude trui ze zegt: “gooi dat ding maar weg”, zegt ze. Geef ‘m maar oude warme trui ,“trek die ook maar aan”, zeg ze. “Als Willem komt zeg ik het ‘m wel”, zeg ze. “Ik brei voor Willem een”, zegt ze. En ze laat die man een grote lap zien waar ze voor aan het breien is. Een nieuwe trui voor Willem was ze aan het breien. “En die heb ik nog lang niet klaar,” zegt ze. “En dan geef ik die al weg, hè”, zegt ze tegen die man. En die man die trekt ook die trui aan, die zei niks. En toen zegt ze: “zal klein stukje spek en stukje braadworst op die kachel in een pannetje”. Een grote pan met zo’n klein stukje braadworst erin want die kinderen hadden ook al wat gehad omdat het kerstmis werd was. Toen zegt ze: “ik heb nog gans klein stukje braadworst in de pan liggen. Zeg maar als Willem dadelijk komt heeft die honger. Maar weet je wat ik snijd er een gans klein stukje d’r vanaf”, zegt ze. En ze snijdt van dat klein stukje van wat ze had voor Willem, snijdt ze van die man ook wat af. En zeg: “geef je een snijtje brood erbij”. Zegt: “het langste leven toor alles”, het waren ganse arme mensen. Ze geef ‘m een sneetje brood met een stukje braadworst erbij. Een warm tas koffie. En die man eet ‘t alles lekker op, laat het zich goed smaken. Ze laat die man zien, ze zegt: “kijk de kinderen en Willem hebben een kerststalletje gemaakt”, zegt ze, “van oude plankjes”. “Mooi was hè”, zegt ze, ze is er trots op hè. En die man die bewonderd dat hè. En ja die man keek: “is dat hondje lam”, zegt die, “is die altijd lam geweest?” Ze hadden een klein hondje, daar lopen, zwart hondje. “Ja,” zegt ze, “voor de mooiigheid heb ik dat niet gepakt”, zegt ze, “maar dat was van de boer waar de man werkt en die waren allemaal verzopen“, zegt ze. “En die moest ook verzopen worden, helemaal”,zegt ze, “want die was mank. Dat kon je zo al zien. Die had 1 pootje korter”, zegt ze. “Dus die moet en had ik zo medelijden met het hondje”, zegt ze, “en heb ik die maar gepak”. “Maar voor de mooiigheid hoef je hem niet te houden”,zegt ze. “want vies scharminkel, hè een lamme poot, een poot korter”. En die man die liet haar maar vertellen en te vertellen allemaal en die man had de boterham op. Ze zeg: “Willem blijf lang, die is nog niet thuis”. Die man had de boterham op, had koffie lekker opgedronken. Had een warme trui aan, zijn oude jas was droog, “eh”, zegt die oude man, “ja dan zal ik maar eens opstappen. Heb ik me goed gewarmd en ik heb geen honger meer, vrouwtje vrouwke”, zegt die, “wat ben jij goed voor me geweest”. Ze zegt zei: “wat is dat nou je zou toch met die kou en die natte nog geen hond laten buiten staan” , zegt die vrouw. “Nee jij niet”, zegt die, “jij niet”, zegt die. En toen pakte hij zich op en zei die vrouw nog goedendag en die vrouw kwam er maar niet achter waar die heenmoest. En zegt ze: “direct komt Willem thuis je ken ook nog eventjes wachten op Willem”. “Nee ik moet nou weg” en pakte die grote knoestige stok. Dat was niet zo’n mooie wandelstok. Zo’n gewone knoestige boomstok waarmee die liep hè. En toen zegt die vrouw: “wat hebt u aan u been”. Die man die liep nog mank ook, die ouwe man hè. Een vies oud scharminkel was het zoals ze vertelde hè. En die oude man ging en die vrouw keek hem na en ze zag nog een boerenman verderop dan haar huis die zag ze buiten werken, hè. Toen dacht die vrouw daar gaat ie arme stumper, mank. Maar heb in ieder geval die buik vol, dacht ze, en heb droge voeten. Ik ken toch wel beetje rare dag, dacht het Betje, was een goed zieltje.
En die man gaat weg en een paar minuten later komt Betje bereddert nog gauw ruimt die troep van die man weer op, hè. Die die waar die man gezeten had. Het zal pas schoon zand gestrooid het moest mooi zijn als Willem thuis kwam, hè. Maar op haar manier was ze proper vrouwke hè. En ze is zo aan het redderen en dan komt Willem thuis had hij tas koffie had staan op die tafel gezet. Vroeger hadden ze geen gootsteen weet ie ook wel. Tafel afgewassen heb ik nog meegemaakt, de kind was. Gewoon een wit geschuurde tafel, die werd altijd zo naar water geschuur. Daar stond die kop van die man nog. Komt Willem binnen was misschien een halfuurtje nog niet later, toen kom Willem. Zegt ze: “wat ben je laat joh”. “Ja ben beetje opgehouden”, zegt die. “De vrouw van de boer was niet goed”, zegt die. “Ben ik een beetje door opgehouden”, zegt die, “moest dokter voor worden opgehaald enzo”. Toen zegt zij toen zegt: “heb je bezoek gehad”, zegt die he. En zag die kop daar staan. Zij hadden allebei hun eigen koppuh. Als bezoek kwam dan kreeg je een andere kop, hè. Zeg “heb jij bezoek gehad?”“Ja” zegt ze ondeugend, “ik heb herenbezoek gehad”, zegt ze. Zo voor de flauwekul hè. “Ik heb herenbezoek gehad”. “Joh wie is dan hier geweest”, zegt hij. Toen zegt zij: “Ja als je dat gezien had jong”, zegt ze. “Een ganse oude man, ‘k weet niet wie dat was”, zegt ze. “Vandaag of morgen wat bleef hè, kop nog eens af” zegt Willem. “Jij laat ook iedereen maar binnen”, zegt die ja. “Ja maar” zegt ze, “maar ganse oude man met kapotte schoenen aan en een oude vieze vilthoed op de kop”, zegt ze. “En een knoestige wandelstok, en vies”, zegt ze, “had lange baard. Maar hij was zo lief en hij bedankte me voor het eten”. “Oh, heb ook nog gegeten”, zegt Willem. “Ja”, zegt ze, “je ziet toch dat bord daar staan”. Zegt ze: “Willem je moet niet kwaad zijn, maar ‘k heb hem ook, een ‘k had voor jou een stuk braadworst bewaard”, zegt ze, “heb ik hem een beetje van gegeven”, zegt ze, “en een snee brood er bij. Die man had honger”, zegt ze, en een warm tas koffie met suiker d’r in”, zegt ze. En dat suiker dat was wat. Vroeger kreeg je niet altijd suiker in koffie. “Welja zeg”, zeg Willem, “je doet maar niet minder hè. Een oude man en Betje geeft maar suiker in de koffie. Betje doet niet minder”, zei hij. En toen zei ze: “ja ik had zo medelijden met die ouwe man”, zegt ze. “Heb ik wel niet veel braadworst voor jou”, zegt ze, “nog maar klein stuksje”, zegt ze hè. Ja godsnaam […]. “Ja maar dat is nog niet alles Willem”, zegt ze. “Ik heb ‘m die oude bruine trui van jou gegeven en ik heb hem ook een paar schoenen van jou gegeven”, zegt ze, ”en een paar warme sokken. De man had drijfnatte voeten”. “Kijk maar ‘ns”, zegt ze “daar liggen de oude”. Die lagen daar die oude schoenen die nam die man geen eens meer mee. De hele zool hing er onder los die kon je zo weg gooien, hè. Op de mesthoop hè. En Willem bekijkt ze dat gaan: “wat mot ik nu aan nu heb ik toch geen trui meer”. Ze zegt: “Je weet toch dat ik een aan breien ben”. “Ja”, zegt Willem, “maar die is toch lang niet klaar”. “Ja”, zegt ze, “maar ik zal m’n best doen Willem”, zegt ze. “Dat je het zo snel mogelijk hebt”, zegt ze. “Ben je dan niet kwaad op me?” “Dat helpt toch niks meer geks”, zegt hij. “Kan ook niks meer helpen gekke zouter”, zei Willem. Zouter dat was ja jullie zouden zeggen, uh, gek een idioot zo wat hè. Zo hard was het. Gekke zouter, het was goedzak. Hè zo.
Toen zegt die: “ik heb er toch niks meer op. Het is nu toch gebeurd”, zegt die. Ik ga maar aan tafel, schenk me maar een tas koffie in. En toen zegt ze, “ja Willem. Ik maak even de deur van de goeie kamer dicht. Ik heb hem het kerststal laten zien. Weet je even waarom ik hem maakt heb”, zegt ze. “En vond hij het mooi?” zei Willem. “Joah”, zegt ze, “dat vond hij hartstikke mooi”. “Die man heb me bedankt, het was goede man, hoor”, zegt ze tegen Willem. “Bij jou zijn ze allemaal goed,” zegt Willem. “Die was niet zo simpel” wie zei. En hij zegt: “maar ik heb honger ik pak mijn stuk braadworst”. “Ja”. zegt ze, “niet kwaad zijn dat het niet veel braadworst meer is”. En zij maakt die deur toe. En zo hier open en Willem maakt die pan open. Ziet die braadworsten in de pan. Zeg: “waar heb je die vandaan gehaald, Betje?!” Toen zegt ze: “ja t is niet meer veel wat jong”, zegt ze tegen hem. Toen zegt die: “Ja maar Betje”, zegt die, “wat ben je me nou aan het maken”. Toen zegt: “dacht zij dat ik kwaad op haar was. Dat hij nog zo’n klein stukje braadworst kreeg”. Toen zegt ze: “Ja Willem ik heb toch gezegd dat ik de ouweman een stukje heb gegeven daar moet je niet kwaad over zijn”, zegt ze, “en dat vlak voor de kerstmis kom nou”. En ze draait zich om en te begint die mevrouw me toch te huilen, dat Betje, was doe pan, het was een grote pan met klein stukje braadworst, vroeger hadden ze van die grote boerenpannen en met een deksel erop, stokvol braadworst. Heerlijke gebraaie braadworst. Zo lekker hadden ze van me leven niet gegeten, die pan die was tot onder de deksel gevuld. De grote pan lag maar zo’n stukje mer in, die lag vol tot onder de deksel! Had zij geen […] die deksel paste er nauwelijk op, die ganze pan was vol braadworst. Dus die kon braadworsten eten zoveel als ze wouen, konden die braadworsten eten. Die begreep dit niet, ze zeg: “ik heb dat nergens gehaald”. “Ja”, zegt die, “wat maak je mij nou wijs”. Ze zeg en ken en die vrouw begint me te huilen die begint me te huilen. Ze zeg: “zou die oude man een tovenaar zijn geweest”, zegt ze, “Willem, ik heb nergens braadworst gehaald, ik had maar een gans klein stukske”.
Nou zei mijn moeder altijd die zei: “hebben wij vaak om moeten lachen als kinderen”, ze zeg, “onze Lieve Heer”, zei mijn moeder altijd, “die ken in hele rare gedaanten tot je komen. Dat is die grote baas zelf geweest”. Heef ze allen van ons leven gezeg. Ze zegt “die ken ik schooier tot je komen, die ken in een oude man tot je komen, die ken in een klein kind tot je komen”. Mijn moeder zei dat is die geweest. Maar die vrouw zeg: “hij is hier geweest”. Ze zegt: “maar die man die heb ‘m ook gezien, want die stond buiten, paar huizen verder”. Dus die die Willem die gaat naar die man toe en buur hè, die kennen ze allemaal. Zeg “heb jij die oude man gezien die bij mij geweest is. Die zo en zo laat is weg is gegaan. Betje zei dat jij buiten stond”. “Ik heb geen oude man gezien”, zegt ‘t. Die had geen oude man gezien. Niemand had hem gezien en er was Betje Willem geweest. Het kop stond op tafel, het vuile bord stond op tafel, de schoenen lagen daar. En in die nacht toen was het al laat ‘s avonds en ‘s morgens alle slager vragen in dorp of iemand de oude man gezien hadden. Niemand had de oude man gezien. Hij zei: “ik moet naar een oude vriend, waar”. En in de nacht was in het dorp in Thull in in het dorp in Schinnen, een oude simpele gestorven. Een simpele.
Maar niemand had hem gezien dat die oude man daar geweest was. “Ik moet een oude vriend halen”, zegt die. En alles hebben ze nagepluisd of iemand die man gezien had. Geen mens had die man gezien. En Betje heb alle van z’n leven tot dood voorgehouden. In de tijd van mijn grootouders was dat hè. Want toen zei ze: “als je braadworst lekker wilt eten dan moet je naar uh Thull gaan, naar Betje”. Dat haar dat overkomen is. En dat ze dus tjokvolle pan braadworsten had en dat was vlak voor de kerstmis.
En toen zei die: “braadworst moet je in Schinnen eten”. En toen zeide: ”toen mijn vader en moeder nog leefden”, zei die dan, “en de moeder en de vader van jouw moeder”, zei die, “toen was dat verhaal in de omloop”. Toen woonden in Thull dat is vlakbij Schinnen een plaatsje, Thull, heet dat. Dat was een watermolen in Thull. En ik ken dat plaatsje ook goed, Thull. En daar woonden een vrouw en een man en die heette Betje en Willem. Heel oud en heel arm. Heel zootje kinderen hè zoals vroeger was, hele litanie hè. En die hadden het zo arm als wat, hè. Als iemand wat had dan uh bracht mar een restje naar eten of wat ook, ze brachten bij Betje en Willem, hè. Want die hadden nood, want uh. En of uh dat was vlak voor de kerst en ‘t was Betje had, Willem was werken die was boerenarbeider zo van een boer hier en daar, beetje boerenwerk hè. En waren oudere mensen en heel veul kinderen nog thuis, hadden ze opgroeiende kinderen en een vroeger waren mensen veel jonger oud hè. Begrijp je wel, als je toen een leeftijd van veertig had, dan was je oud. Dan hadden ze groot schort voor achter gebonden op de bips. En dan was je en liep je oud en je was ook oud he van die leeftijd. Nou verdomd om oud te worden he.
En uh toen was het Betje die had de hele ja, hoe zeggen jullie dat, luif zeggen wij, de stoep. Vroeger zeiden ze bij ons de luif, luif schoonmaakt, stoep had Betje helemaal schnee vrij gemaakt het had zulke dikke schnee. En dan zei ze: “Als Willem dan thuis komt -en het was de dag voor kerstmis- dannuh as as Willem thuiskomt dan heb ik die sneeuw van de stoep af, “, zei ze, tenminste dan had ze dat allemaal van de stoep af geschopt. En de kinderen waren naar bed en Willem had haar een stalletje gemaakt en kerststalletje van een paar plankjes van boterkistjes. Gewoon een kerststalletje paar takken d’rop hè, vroeger had je nog niet zoveel mooie kerststalletjes, vroeger had je nog niet zoveel mooie kerststalletjes in die tijd niet, weet jij ook wel hè. Een paar planken tegen mekaar an en paar takken erop. We hadden paar beetje en had je mooie kerststal. En ‘t toen hadden ze nog in de tijd een goede kamer, een keuken en een goede kamer, hè. Daar kwam je nooit in, dat was afgesloten ruimte. Alleen met kerstmis en met een doopfeest en als je met trouwen ging dan kwam je in de goede kamer. Anders nooit he dat was heiligdom. Er stond niks bijzonders in, in die goede kamer, gewoon een tafel met een tafelkleed om. Er werd zand gestrooid, hè. En een kast met een paar mooie kopjes enzo watin en een paar beeldjes. Dat was de goede kamer. Dat was geen waarde, d’r was geen cent voor. Maar voor die mensen in die tijd was het een goede kamer. En daar hadden ze het kerststalletje in de goede kamer gezet. En hadden ze de kinderen naar bed gedaan en hadden ze stukje spek in de pan en een klein stukje een heel klein stukje braadworst in de pan gedaan. Want jeweetwel vroeger dat was spek, hè. Braadworst was, kreeg je zondags. Eh, in die tijd van grootmoeder, braadworst dat was wel een rijkdom, hè. Die dat kwam zondags op tafel en met kermis en feestdagen en doordeweeks was spek, hè. Toen kwam er doordeweeks altijd zwart brood op tafel en zondag kreeg je snee witbrood. Dat was gewoonste zaak van de wereld. Toen was niet de rijkdom die ze nou hebben wat wil je eten, dat bestond nie.
En toen kwam die vrouw naar binnen en ze wou daar net naar binnen komen. Komt er een ganze oude man aangesloft met een grote kromme stok in de hand en een baard en een oude kapotte vieze vilthoed op de kop. Die komt eraan geschoffeld en ze denkt waar komt die vandaan, die ken ik niet. Die is hier niet uit het dorp, dacht ze. Ze kon die man niet. En toen zegt die: “moedertje mag ik me heel even bij je warmen”. “Ik heb het zo koud,” zei die hè. “Mag ik me even warmen, hè?” Hij sprak dialect. Ze zei: “u spreekt dialect maar u bent toch hier niet vandaan”, zegt ze, zegt Betje tegen de meneer. “Nee maar mag ik me even beetje warmen”. En die vrouw had de keuken schoon zandgestrooid. “Joh", zegt ze, “dat dat weiger ik nog geen hond, kom d’r maar in”, zegt ze en ze laat die oude man binnen en ze gaf hem een oude stoel en die zat te klappertanden van de kou. Oh die oude baas, heel oud een baard had ie en vies te vieze om aan te pakken. Misschien hadden ze hem op andere plaatsen geweigerd, zo vies zag hij er uit. Maar Betje niet, dat was een goed zieltje, die weigerde niemand. En die zet ‘m zo te bekijken en toen zegt ze: “dat doet een mens goed hè, warmte aan de handen en dan werd je beetje warm”. En toen ziet ze dat het water uit de schoenen slijpt. Had ganze kapotte ouwe hoge schoenen aan met kapotte veters d’rin. Een [towen] in schoen. En hele zool kapot en ‘t lag buiten sneeuw, weetjewel. Er was al dat sneeuwwater. Drijfnatte voeten en zegt: “ik ben koud tot op mijn gebeente hè”. Die vrouw zei: ”ja dat verwondert me niks. U hebt ook helemaal kapotte schoenen aan. Waar moet u nog heen?” “Ik ga naar Schinnen”, zegt die. Dat was Thull, is vlakbij Schinnen is maar paar stappen. Toen zegt die: “ik moet een oude vriend ophalen”. “Een oude vriend ophalen moet u dan nog naar toe?” “Ja”, zegt ze, “ik moet een oude vriend ophalen”, zegt die oude baas. Toen zegt die vrouw: “maar je kan toch zo niet, je hebt drijfnatte voeten”. Toen zegt ze: “Ja ik heb dan geen rijkdom”, zegt ze. “Maar ik zal eens kijken of ik wat droogs voor je voeten vind”, zegt die vrouw. En die haalt een paar oude sokken, die dikke gebreide die ze vroeger hadden, he. En toen zegt die man: “trek je die schoenen uit”. Die oude stijve man die kon haast niet neerkomen zo stijf was ie. Die trekt zich de sokken uit. De vrouw help ‘m nog, geef ‘m een handdoek voor de voeten af te drogen. En trekt hem die droge warme sokken aan en houdt ze nog even bij de kachel voor hem, sokken lekker warm aan, he. Toen zeg: “ja, nu moet je ook andere schoenen hebben, zeg maar. Ik heb het ook niet breed, jong”, zegt ze, “maar ik zal toch ‘ns kijken of ‘k wat voor jou vindt”. En ze vindt een paar ganse oude schoenen in de schuur. Die dicht waren maar wel heul oud. Maar ze zegt: “ja misschien is Willem wel kwaad op me want hij moet die schoen nog hebben”. Ze zegt: “Maar ik kan je toch ook niet zo laten gaan”. Geef die man die droge schoenen. Ze zeg tegen die man, “doe die natte jas toch even uit, dan droog ik die even bij kast”. Zo’n oude jack, tot hier. Zo’n ganse blauwe donkere duffelse jacker. Heel vol kapotte rafels d’raan te hangen te vies om aan te pakken. Die man doet de jas uit en vrouw hangt dat bij ‘n kachel over een stoel heen. Zo’n fornuis had ze daar staan, lekker warm gestoeld. Ze bekijkt die man, ze zegt: “man man wat zie jij uit”. Ze zeg: “jij hebt ook de rijkdom niet”, zegt ze, “zie ik zo wel”, zegt ze. “Kenne ons de hand geven”, zegt ze, “ik geloof dat we even rijk zijn”. “Ja”, zegt die man, “ik heb het ook niet breed” en dit en dan en begint zo ook zo kleinigheid te vertellen tegen die vrouw.
Die vrouw naar de kast toe, ze zeg: “ik zal eens gaan kijken of ik een ouwe trui van Willem vindt”, zegt ze. “Ik zal wel wat je toren dat weet ik sowieso maar ik ga toch ‘s voor je zoeken”. En ze komt met een oude trui ze zegt: “gooi dat ding maar weg”, zegt ze. Geef ‘m maar oude warme trui ,“trek die ook maar aan”, zeg ze. “Als Willem komt zeg ik het ‘m wel”, zeg ze. “Ik brei voor Willem een”, zegt ze. En ze laat die man een grote lap zien waar ze voor aan het breien is. Een nieuwe trui voor Willem was ze aan het breien. “En die heb ik nog lang niet klaar,” zegt ze. “En dan geef ik die al weg, hè”, zegt ze tegen die man. En die man die trekt ook die trui aan, die zei niks. En toen zegt ze: “zal klein stukje spek en stukje braadworst op die kachel in een pannetje”. Een grote pan met zo’n klein stukje braadworst erin want die kinderen hadden ook al wat gehad omdat het kerstmis werd was. Toen zegt ze: “ik heb nog gans klein stukje braadworst in de pan liggen. Zeg maar als Willem dadelijk komt heeft die honger. Maar weet je wat ik snijd er een gans klein stukje d’r vanaf”, zegt ze. En ze snijdt van dat klein stukje van wat ze had voor Willem, snijdt ze van die man ook wat af. En zeg: “geef je een snijtje brood erbij”. Zegt: “het langste leven toor alles”, het waren ganse arme mensen. Ze geef ‘m een sneetje brood met een stukje braadworst erbij. Een warm tas koffie. En die man eet ‘t alles lekker op, laat het zich goed smaken. Ze laat die man zien, ze zegt: “kijk de kinderen en Willem hebben een kerststalletje gemaakt”, zegt ze, “van oude plankjes”. “Mooi was hè”, zegt ze, ze is er trots op hè. En die man die bewonderd dat hè. En ja die man keek: “is dat hondje lam”, zegt die, “is die altijd lam geweest?” Ze hadden een klein hondje, daar lopen, zwart hondje. “Ja,” zegt ze, “voor de mooiigheid heb ik dat niet gepakt”, zegt ze, “maar dat was van de boer waar de man werkt en die waren allemaal verzopen“, zegt ze. “En die moest ook verzopen worden, helemaal”,zegt ze, “want die was mank. Dat kon je zo al zien. Die had 1 pootje korter”, zegt ze. “Dus die moet en had ik zo medelijden met het hondje”, zegt ze, “en heb ik die maar gepak”. “Maar voor de mooiigheid hoef je hem niet te houden”,zegt ze. “want vies scharminkel, hè een lamme poot, een poot korter”. En die man die liet haar maar vertellen en te vertellen allemaal en die man had de boterham op. Ze zeg: “Willem blijf lang, die is nog niet thuis”. Die man had de boterham op, had koffie lekker opgedronken. Had een warme trui aan, zijn oude jas was droog, “eh”, zegt die oude man, “ja dan zal ik maar eens opstappen. Heb ik me goed gewarmd en ik heb geen honger meer, vrouwtje vrouwke”, zegt die, “wat ben jij goed voor me geweest”. Ze zegt zei: “wat is dat nou je zou toch met die kou en die natte nog geen hond laten buiten staan” , zegt die vrouw. “Nee jij niet”, zegt die, “jij niet”, zegt die. En toen pakte hij zich op en zei die vrouw nog goedendag en die vrouw kwam er maar niet achter waar die heenmoest. En zegt ze: “direct komt Willem thuis je ken ook nog eventjes wachten op Willem”. “Nee ik moet nou weg” en pakte die grote knoestige stok. Dat was niet zo’n mooie wandelstok. Zo’n gewone knoestige boomstok waarmee die liep hè. En toen zegt die vrouw: “wat hebt u aan u been”. Die man die liep nog mank ook, die ouwe man hè. Een vies oud scharminkel was het zoals ze vertelde hè. En die oude man ging en die vrouw keek hem na en ze zag nog een boerenman verderop dan haar huis die zag ze buiten werken, hè. Toen dacht die vrouw daar gaat ie arme stumper, mank. Maar heb in ieder geval die buik vol, dacht ze, en heb droge voeten. Ik ken toch wel beetje rare dag, dacht het Betje, was een goed zieltje.
En die man gaat weg en een paar minuten later komt Betje bereddert nog gauw ruimt die troep van die man weer op, hè. Die die waar die man gezeten had. Het zal pas schoon zand gestrooid het moest mooi zijn als Willem thuis kwam, hè. Maar op haar manier was ze proper vrouwke hè. En ze is zo aan het redderen en dan komt Willem thuis had hij tas koffie had staan op die tafel gezet. Vroeger hadden ze geen gootsteen weet ie ook wel. Tafel afgewassen heb ik nog meegemaakt, de kind was. Gewoon een wit geschuurde tafel, die werd altijd zo naar water geschuur. Daar stond die kop van die man nog. Komt Willem binnen was misschien een halfuurtje nog niet later, toen kom Willem. Zegt ze: “wat ben je laat joh”. “Ja ben beetje opgehouden”, zegt die. “De vrouw van de boer was niet goed”, zegt die. “Ben ik een beetje door opgehouden”, zegt die, “moest dokter voor worden opgehaald enzo”. Toen zegt zij toen zegt: “heb je bezoek gehad”, zegt die he. En zag die kop daar staan. Zij hadden allebei hun eigen koppuh. Als bezoek kwam dan kreeg je een andere kop, hè. Zeg “heb jij bezoek gehad?”“Ja” zegt ze ondeugend, “ik heb herenbezoek gehad”, zegt ze. Zo voor de flauwekul hè. “Ik heb herenbezoek gehad”. “Joh wie is dan hier geweest”, zegt hij. Toen zegt zij: “Ja als je dat gezien had jong”, zegt ze. “Een ganse oude man, ‘k weet niet wie dat was”, zegt ze. “Vandaag of morgen wat bleef hè, kop nog eens af” zegt Willem. “Jij laat ook iedereen maar binnen”, zegt die ja. “Ja maar” zegt ze, “maar ganse oude man met kapotte schoenen aan en een oude vieze vilthoed op de kop”, zegt ze. “En een knoestige wandelstok, en vies”, zegt ze, “had lange baard. Maar hij was zo lief en hij bedankte me voor het eten”. “Oh, heb ook nog gegeten”, zegt Willem. “Ja”, zegt ze, “je ziet toch dat bord daar staan”. Zegt ze: “Willem je moet niet kwaad zijn, maar ‘k heb hem ook, een ‘k had voor jou een stuk braadworst bewaard”, zegt ze, “heb ik hem een beetje van gegeven”, zegt ze, “en een snee brood er bij. Die man had honger”, zegt ze, en een warm tas koffie met suiker d’r in”, zegt ze. En dat suiker dat was wat. Vroeger kreeg je niet altijd suiker in koffie. “Welja zeg”, zeg Willem, “je doet maar niet minder hè. Een oude man en Betje geeft maar suiker in de koffie. Betje doet niet minder”, zei hij. En toen zei ze: “ja ik had zo medelijden met die ouwe man”, zegt ze. “Heb ik wel niet veel braadworst voor jou”, zegt ze, “nog maar klein stuksje”, zegt ze hè. Ja godsnaam […]. “Ja maar dat is nog niet alles Willem”, zegt ze. “Ik heb ‘m die oude bruine trui van jou gegeven en ik heb hem ook een paar schoenen van jou gegeven”, zegt ze, ”en een paar warme sokken. De man had drijfnatte voeten”. “Kijk maar ‘ns”, zegt ze “daar liggen de oude”. Die lagen daar die oude schoenen die nam die man geen eens meer mee. De hele zool hing er onder los die kon je zo weg gooien, hè. Op de mesthoop hè. En Willem bekijkt ze dat gaan: “wat mot ik nu aan nu heb ik toch geen trui meer”. Ze zegt: “Je weet toch dat ik een aan breien ben”. “Ja”, zegt Willem, “maar die is toch lang niet klaar”. “Ja”, zegt ze, “maar ik zal m’n best doen Willem”, zegt ze. “Dat je het zo snel mogelijk hebt”, zegt ze. “Ben je dan niet kwaad op me?” “Dat helpt toch niks meer geks”, zegt hij. “Kan ook niks meer helpen gekke zouter”, zei Willem. Zouter dat was ja jullie zouden zeggen, uh, gek een idioot zo wat hè. Zo hard was het. Gekke zouter, het was goedzak. Hè zo.
Toen zegt die: “ik heb er toch niks meer op. Het is nu toch gebeurd”, zegt die. Ik ga maar aan tafel, schenk me maar een tas koffie in. En toen zegt ze, “ja Willem. Ik maak even de deur van de goeie kamer dicht. Ik heb hem het kerststal laten zien. Weet je even waarom ik hem maakt heb”, zegt ze. “En vond hij het mooi?” zei Willem. “Joah”, zegt ze, “dat vond hij hartstikke mooi”. “Die man heb me bedankt, het was goede man, hoor”, zegt ze tegen Willem. “Bij jou zijn ze allemaal goed,” zegt Willem. “Die was niet zo simpel” wie zei. En hij zegt: “maar ik heb honger ik pak mijn stuk braadworst”. “Ja”. zegt ze, “niet kwaad zijn dat het niet veel braadworst meer is”. En zij maakt die deur toe. En zo hier open en Willem maakt die pan open. Ziet die braadworsten in de pan. Zeg: “waar heb je die vandaan gehaald, Betje?!” Toen zegt ze: “ja t is niet meer veel wat jong”, zegt ze tegen hem. Toen zegt die: “Ja maar Betje”, zegt die, “wat ben je me nou aan het maken”. Toen zegt: “dacht zij dat ik kwaad op haar was. Dat hij nog zo’n klein stukje braadworst kreeg”. Toen zegt ze: “Ja Willem ik heb toch gezegd dat ik de ouweman een stukje heb gegeven daar moet je niet kwaad over zijn”, zegt ze, “en dat vlak voor de kerstmis kom nou”. En ze draait zich om en te begint die mevrouw me toch te huilen, dat Betje, was doe pan, het was een grote pan met klein stukje braadworst, vroeger hadden ze van die grote boerenpannen en met een deksel erop, stokvol braadworst. Heerlijke gebraaie braadworst. Zo lekker hadden ze van me leven niet gegeten, die pan die was tot onder de deksel gevuld. De grote pan lag maar zo’n stukje mer in, die lag vol tot onder de deksel! Had zij geen […] die deksel paste er nauwelijk op, die ganze pan was vol braadworst. Dus die kon braadworsten eten zoveel als ze wouen, konden die braadworsten eten. Die begreep dit niet, ze zeg: “ik heb dat nergens gehaald”. “Ja”, zegt die, “wat maak je mij nou wijs”. Ze zeg en ken en die vrouw begint me te huilen die begint me te huilen. Ze zeg: “zou die oude man een tovenaar zijn geweest”, zegt ze, “Willem, ik heb nergens braadworst gehaald, ik had maar een gans klein stukske”.
Nou zei mijn moeder altijd die zei: “hebben wij vaak om moeten lachen als kinderen”, ze zeg, “onze Lieve Heer”, zei mijn moeder altijd, “die ken in hele rare gedaanten tot je komen. Dat is die grote baas zelf geweest”. Heef ze allen van ons leven gezeg. Ze zegt “die ken ik schooier tot je komen, die ken in een oude man tot je komen, die ken in een klein kind tot je komen”. Mijn moeder zei dat is die geweest. Maar die vrouw zeg: “hij is hier geweest”. Ze zegt: “maar die man die heb ‘m ook gezien, want die stond buiten, paar huizen verder”. Dus die die Willem die gaat naar die man toe en buur hè, die kennen ze allemaal. Zeg “heb jij die oude man gezien die bij mij geweest is. Die zo en zo laat is weg is gegaan. Betje zei dat jij buiten stond”. “Ik heb geen oude man gezien”, zegt ‘t. Die had geen oude man gezien. Niemand had hem gezien en er was Betje Willem geweest. Het kop stond op tafel, het vuile bord stond op tafel, de schoenen lagen daar. En in die nacht toen was het al laat ‘s avonds en ‘s morgens alle slager vragen in dorp of iemand de oude man gezien hadden. Niemand had de oude man gezien. Hij zei: “ik moet naar een oude vriend, waar”. En in de nacht was in het dorp in Thull in in het dorp in Schinnen, een oude simpele gestorven. Een simpele.
Maar niemand had hem gezien dat die oude man daar geweest was. “Ik moet een oude vriend halen”, zegt die. En alles hebben ze nagepluisd of iemand die man gezien had. Geen mens had die man gezien. En Betje heb alle van z’n leven tot dood voorgehouden. In de tijd van mijn grootouders was dat hè. Want toen zei ze: “als je braadworst lekker wilt eten dan moet je naar uh Thull gaan, naar Betje”. Dat haar dat overkomen is. En dat ze dus tjokvolle pan braadworsten had en dat was vlak voor de kerstmis.
Beschrijving
Moeder van verteller vertelt hoe de goedheid van een arme vrouw die een oude zwerver droge kleren en eten geeft, wordt beloond met een pan vol braadworst. Ze meent dat het de Lieve Heer is geweest.
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Naam Overig in Tekst
Betje   
Willem   
Neelie   
Tij   
Lieve Heer   
Naam Locatie in Tekst
Schinnen   
Thull   

