Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_010_10

Een sage (mondeling), april 1976

Hoofdtekst

Uh de grootvader van die Tonnie in Ruurlo heb moet zich dat hebben afgespeeld. De grootvader was een slager, een huisslager net zoals mijn opa vroeger in het dorp. En we kwamen zo van het ene worp het andere te vertellen. Waar ik vandaan was, da mijn vader mijnwerker geweest was en mijn opa huisslachter, zegt ze: “mijn opa ook”. Toen zegt ze: “die heb ‘ns wat meegemaakt". Te zeg ik: “Wat heb ze dan meegemaak, hè?”
“Ja, zegt ze, die ging in alle vroegte ‘s morgens heel vroeg ging je dan weg. En ze zat op dat karretje voorop die bok. En zij nadat an nadat huh dat was ook Ruurlo hè, zo’n aangrenzend gehuchtje moesten ze aan huis slachten. En ze zijn een stuk weg en toen zei die grootvader - die vader was toen een jongen van twaalf jaar toen dat gebeurde - en toen zei die - die later de vader van Tonnie geworden was toen nog maar twaalf jaar - toen zei die grootvader: “nou jongen van dit stuk krijg ik angst”. Toen zegt die vader - die was nog maar een jongentje - “Maar pap, waarvoor ben je dan bang?” - was zijn vader - “waarvoor ben jij dan bang?” Toen zegt: “ja nou als de kat maar niet komt”. “Je bent toch niet bang voor een kat”, zei die. “Welke kat, zeg moet je eens opletten”. En ze hadden nog een klein stukje gereden met die wagen. “Zeg asjeblief, kijk eens voor je”. Er was schnnee op de grond, schnee winterdag was het en ‘t was niet november dat ze slachtten, ja wa. Er was schnee zei dat meisje. Zo’n hele grote zwarte kat. Kanjer van een beest. “Is dat een kat? zeg ‘n jongen, “dat is een grote”. “Ja”, zei die vader, “en daar ga ik bij langs zoon”. En hij pakt hij gaat stenen op de karren leggen, en hij pakt een steen van de kar en toen verwachte die kat en hij gooit naar die kat met een steen. En hij gooit nog een steen en de kat blijft midden op de weg zitten. En het weggetje was zo smal, hij die kat moest van de weg af, anders kon hij niet met zijn karretje door. Zo smal was dat. En middenop de weg staat dat kreng. Hij zeg:”maak dat je weg komt”. En die kat begint te lachen net als een mens. “Een lach”, zei die jongen, “die ging door je merg en been heen”. Hij klampt zich aan z’n vader vast, hij krijgt angst en die vader zegt: “jong dit is de eerste keer nie. Ga je van de weg af, hè. Ga je van de weg af of ik gooi je kapot”.
“Ik leef langer als jij”, zei de kat, “dan ben jij er niet meer, leef ik nog” zei die kat. En dat hoorde die jongen: “had die kat dat gezegd, vader, had die kat dat gezegd?” “O, is de eerste keer niet,” zei die vader. Die pakte nog zo’n brik en die wilt die kat recht voor de kop gooien hè. En die kat - hij raakte hem ook voor z’n kop hè - maar de kat die gaat niet opzij, hè. Hij van die wagen af en zo’n grote stok had hij en op de kat aan, hè. En hij slaat die kat van de weg af. Hij sloeg zo van de weg af en hij weer op de kar en hij weer door en hij hoorde dat lachen van die kat achter ze. Die lachte net als een mens net een vrouwenlach. Zo lachte die kat. En zegt: “is dat een mens vader?”“Nee ‘s een kat”, zegt die vader. “Maar vader, er lacht toch een mens, hè”, zei die jongen, “die lacht ons uit, hè” “Van dat kreng heb ik altijd last”, zei die vader.
Ze gingen slachten, ze kwamen we terug. Paar dagen daarna moesten ze op datzelfde plaatsje weer […] Ze gaan weer diezelfde rot kat zit weer midden op de weg. Kreeg hem niet van de weg af. De vader stenen gegooid, met de stok bracht mee, een dacht de vader nou krijg ik je. En had die een stok had die stuk ijzer, had die vader zo gemaak. In de steen de stok aan had hij ombindt met touw met koord, waarom bindt ‘t wel. Hij gaat naar de kat toe. De kat zegt: “ik ga niet weg. Ik leef langer als dat jij leeft,” zei die. “ik ga niet voor jou weg, ik ga voor jou niet opzij”. Het was een stem als van een vrouw, zei die jongen hè. De vader heft die kruk op en die slaat die kat. Nouja je hoorde het gewoon kraken. Die kat zakt in mekaar en bleef liggen. Die vader pakt die kat op was zo’n zo’n bak over zeis, stond daar nog waar ze vroeger brood bakte. En er was een putje naast. Een klein stenen putje naast, zei die, zo heeft dat meisje het verteld. Vader pakt die kat pak hem zo op aan de poten en gooit hem zo in die lege put. ‘T was een lege put met dor hout en rotzooi in, lege put gooit die kat erin. En zegt zo: “die hebben we geen last meer van. Dat kreng is kapot”. Zo mot ik nou lachen, zij weg.
Ze gaan daar niet meer, hele tijd later komen die vader – heule tijd zeker wel een half jaar later- komen die vader en die jongen op diezelfde plaats. Die vader had het jongentje bij zich, die mocht veel met vader mee op de kar. Hij had dat jongentje bij zich. Zit dat zelfde kreng van een kat zit weer op de weg. “Ik leef langer als jij, ik leef langer als jij”. En die jongen was al een man, dat jongentje van twaalf jaar was al een man, toen was zijn vader stokoud, slachtte die niet meer. Hadden ze de kat weer samen gezien. Samen. Waren ze weer eens weg niet voor slachten ze slachten niet meer. Zag die weer datzelfde kreng kat op de weg zitten. En die lachte iedere keer, net of het een oud wijf ergens zat, dat lachen hè. En die vader die had een angst zei die. De jongen was meer verbaasd dan bang was toen al jong kerel geworden. Het is die vader ziek geworden, die opa die vader is gestorven.
En de jongen is getrouwd hebt dat verhaal aan zijn kinderen verteld. En die Tonnie, die mij dat verteld heb was zijn dochter. En toen was die vader net, nou een goede maand anderhalve maand dood, toen ik die Tonnie trof. Was d’r vader net begraven, was pas dood, trof ik die Tonnie. Die Tonnie heb mij dat verhaal verteld en heb gezegd dat haar vader het volgehouden heeft tot zijn dood toe. Dattie altijd heb gezegd dat ‘t echt gebeurd was. En toen opa dood was heb vader nog vaak die weg gehad. En hebt hij nog zeggen en schrijven één keer de kat gezien en daarna nooit meer. Na opa’s dood.
Maar die kat had gezegd: “ik leef langer als jou” en toen die ene keer dat de kat zien heb, heb die kat op de weg zitten lachen, net als een mens, als een vrouw die zat te lachen. En kort erna is ie weer dezelfde weg genomen en heb maar één keer gezien en daarna nooit meer. Dus de kat heb langer geleefd als de oude baas.

Onderwerp

SINSAG 0603 - Andere Begegnungen mit sprechenden Katzen.    SINSAG 0603 - Andere Begegnungen mit sprechenden Katzen.   

0608    0608   

Beschrijving

Slager wordt meerdere malen de weg versperd door een zwarte kat die lachend zegt dat ze langer leeft dan de slager. De man is erg bang en probeert de kat te verjagen. Op een keer verwondt hij de kat zodanig dat de kat dood lijkt. Als oude man komt de slager de kat weer tegen, kort daarna wordt hij ziek en sterft. Daarna is de kat nog maar één keer gezien.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Motief

B211.1.8 - Speaking cat.    B211.1.8 - Speaking cat.   

Naam Overig in Tekst

Tonnie    Tonnie   

Naam Locatie in Tekst

Ruurlo    Ruurlo