Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Geheim van de bouwmeester

Een (), (foutieve datum)

Onderwerp

SINSAG 0985 - Das Geheimnis des Baumeisters.    SINSAG 0985 - Das Geheimnis des Baumeisters.   

SINSAG 0984 - Das Gebäude ruht auf Ochsenhäuten.    SINSAG 0984 - Das Gebäude ruht auf Ochsenhäuten.   

Beschrijving

Das Geheimnis des Baumeisters & Das Gebäude ruht auf Ochsenhäuten.

Tekst

“Eerwaarde heer bisschop,” sprak hij, “laat mij uw kerk bouwen. Ik kan de fundamenten leggen en de zuilen plaatsen zonder dat zij door drassigheid zullen verzakken.” “En hoe wil jij dat voor elkaar krijgen?”, vroeg Coenraad achterdochtig. “Dat zeg ik niet, heer, dat is mijn geheim.” Trots keek Pleberus in de ogen van Coenraad.

Dit verhaal uit de Nederlandse Volksverhalenbank gaat over de bouwmeester Pleberus en zijn kennis van een goed fundament voor gebouwen. Bisschop Coenraad wil een kerk laten bouwen ter ere van Onze Lieve Vrouwe, maar iedere poging mislukt doordat de ondergrond te nat is. Om succesvol een statige kerk te bouwen is er dringend een oplossing nodig. De Friese bouwmeester Pleberus weet hoe het aangepakt moet worden, maar hij wil zijn geheim niet zomaar prijsgeven. Zijn kennis over een goede fundering is kostbaar, omdat niet veel andere mensen ingewijd zijn in de leer van de bouwmeesters. De oplossing voor een drassige grond: ossenhuiden. Wanneer er ossenhuiden over de natte ondergrond gelegd zouden worden, dan zouden de huiden het water opnemen en er zo voor zorgen dat de grond minder drassig is. Het verhaal vindt tot op heden op verschillende manieren bekendheid. In de Verhalenbank komt deze sage meerdere keren voor. In boeken van verzamelaars van volksverhalen, zoals het boek Wat de torens vertellen van K. ter Laan, is dit verhaal meerdere keren te vinden. De sage is niet naar één enkele plaats te traceren; er wordt gesproken over kerken en andere gebouwen verspreid over heel Nederland en België. Op internet blijven de verhalen veelal nog circuleren. Maar waar komt dit gebruik vandaan? En tot wanneer is het verhaal te herleiden?

Hoewel het gebruik in de vertellingen eerst als de oplossing gezien wordt, zijn er in meer recente verhalen juist zorgen om deze bouwmanier. Zo is er te lezen in het stripboek Suske en Wiske - Amoris van Amoras dat het gevaar dreigt dat de kathedraal in Antwerpen omvalt, omdat de ossenhuiden in de fundering aan het rotten zijn. De fundering met ossenhuiden is juist het probleem, niet de oplossing! Niet alleen van de grotere bouwwerken, maar ook van normale woningen wordt er geloofd dat ze op ossenhuiden gebouwd zijn. Bouwkundigen en architecten krijgen er nog steeds vragen over. Mensen zijn bezorgd want ‘weet u, mijn huis is gebouwd op ossenhuiden.’ Daarmee bedoelen ze dat er juist een slechte fundering is, en dat hun huis vaak een vochtige, onstabiele ondergrond heeft.

In 2006 is de sage door zoveel mensen besproken dat het verhaal is behandeld als een kamervraag. Er waren bezorgde mensen die dachten dat als de gebouwen niet aan bepaalde constructie-eisen voldeden, het kon leiden tot het slopen van de gebouwen. Een consequentie zou dan zijn dat de kerktorens die op ossenhuiden gefundeerd zijn, dan moesten worden afgebroken. Destijds kwam minister Dekker met de geruststelling dat kerktorens mogen blijven staan, tenzij er sprake is van verzakking of een andere gebrekkige constructie. Het gebruik van ossenhuiden in de fundering verwees hij naar het rijk der fabelen.

De sage is op verschillende manieren overgeleverd, de ene keer in heel korte beschrijvende vorm, de andere keer juist in een verhalende vorm. Een verzamelaar die zich bezig heeft gehouden met de overlevering en de classificatie van deze sage is J.R.W. Sinninghe. Sinninghe was een verteller en verzamelaar van volksverhalen. Hij verzamelde een grote collectie volksverhalen uit heel Nederland. In het Duits publiceerde hij het boek Katalog der niederländischen Märchen- und Legendenvarianten (1943). Sinninghe heeft de sage over de ossenhuiden in het fundament het SINSAG-nummer 0984 gegeven: ‘Das Gebäude ruht auf ochsenhauten’. Er bestaat ook een variatie daarop: 0985 ‘Das Geheimnis des Baumeisters’. Het gebruik van het bouwen op ossenhuiden blijft aanwezig, maar er komen meer verhaalelementen omheen, zoals het verraden van het geheim en de gevolgen daarvan.

Jacob van Lennep heeft in zijn Onze voorouders in verschillende taferelen geschetst (1842) geschreven over het geheim van de bouwmeester. Het verhaal gaat over de Friese bouwmeester Febo (in andere verhalen ook wel Plebeo, Pleberus genoemd) en de listige bisschop Koenraad.

Ter ere van de heilige maagd Maria laat de bisschop Koenraad van Zwaben in zijn stad Utrecht een nieuwe kerk bouwen. De bouw verloopt echter moeizaam, alles zakt in de vochtige ondergrond. De meester-timmerman weet zich geen raad. Elke dag komt er een vreemdeling kijken die geheimzinnig lacht als hij ziet dat de werkzaamheden niet vorderen. Op een dag roept de vreemdeling dat hij wel weet hoe het moet. De bisschop hoort dit en vraagt de vreemdeling om nadere uitleg. De vreemdeling blijkt Febo van Dokkum te zijn, een gerespecteerde Friese bouwmeester met veel kennis van het vak. Febo moet zelf weer weg maar zijn zoon Ubbo zou de bouw zo kunnen uitvoeren. Voor zijn oplossing vraagt Febo echter wel veel geld. De bisschop is ontstemd, de som is veel te hoog! Wanneer de gierige bisschop erachter komt dat Ubbo verliefd is op Maaike, de dochter van de meester-timmerman, vormt hij een plan. Hij weet Maaike zover te krijgen om hem te helpen, aan haar geeft hij de taak om de rol van Delila te spelen. Ze is succesvol, Ubbo vertelt haar het geheim en zij speelt het door aan de bisschop. Zo heeft de bisschop zijn zin, de werkzaamheden kunnen verder. Wanneer de bouwmeester terugkomt hoort hij dat zijn zoon het geheim heeft verraden. De bouwmeester is woedend en hij vermoordt zowel Maaike als zijn eigen zoon. De jaren verstrijken en de bouw van de kerk is afgerond. Bisschop Coenraad is er echter niet om de kerk in te wijden; als men hem gaat ophalen, wordt ontdekt dat hij is neergestoken. Wie dat heeft gedaan is niet met zekerheid te zeggen, maar velen denken de wraak van de Friese bouwmeester hierin te herkennen… Van Lennep schrijft dat ter nagedachtenis van deze gebeurtenissen er op een van de kerkpilaren van de Mariakerk dit vers zou staan: Nakomeling, verhaal/ Eeuw in eeuw uit/ Dees zuil staat hier/Gevest op een stierenhuid.

Er zijn in de verhalen kleine variaties bijvoorbeeld wat betreft het verraden van het geheim. In het voorgaande verhaal is het geheim op een listige manier ontlokt. In andere verhalen is het kind omgekocht, of vertelt het kind puur uit enthousiasme en opluchting de oplossing van het probleem. Nog een andere manier van het verraden van het geheim is te lezen in het Utrechtse vertelsel over het wittebroodskind. Het verhaal volgt dezelfde basisstructuur; er zijn problemen met de bouw van de kerk omdat de arbeiders op een wel zijn gestuit. De bouwmeester heeft de oplossing en vraagt daarvoor een hoge prijs. Zijn zoon is op de hoogte van het geheim. De zoon wordt erop uit gestuurd om brood te halen bij de bakker; hij heeft geen geld meegekregen, maar toch krijgt hij het prijzige wittebrood mee. De zoon vertelt namelijk dat zijn vader binnenkort rijk zou zijn, omdat hij de wel ging stoppen met ossenhuiden. Eenmaal thuisgekomen komt de bouwmeester erachter dat zijn zoon het geheim heeft verklapt en slaat in zijn woede het kind met het brood dood. De verhalen gaan dat als je je oor tegen een van de zuilen legt, je het wittebroodskind nog kunt horen huilen.

In de verhalen is het belangrijk dat niet iedereen weet van de werking van ossenhuiden. Er wordt vrijwel nooit genoemd waar die kennis precies vandaan werd gehaald. In het verhaal van Jacob van Lennep heeft Pleberus de geheimen geleerd bij de Culdeërs in York. Bouwmeester Appelmans bouwt de toren van Antwerpen op ossenhuiden, nadat hij erover had gelezen in een heel oud geschrift. Maar is er ook echt wat te vinden in geschriften over deze sage? En valt de sage ook te dateren?

Sommige elementen van het verhaal van het geheim van de bouwmeester zijn terug te leiden naar andere geschriften. Zo vermeldt Melis Stoke in de dertiende eeuw in zijn Rijmkroniek al dat de bisschop wordt vermoord door een Friese knecht. In een kroniek tot 1430 van Johannes de Beke wordt de bouwmeester Pleberus als metselaar genoemd. En in de zestiende eeuw wordt vermeld dat de bisschop Koenraad ruzie kreeg met de Fries Pleberus. Aan deze literair-historische gegevens lijkt het migrerende volksverhaal van de ossenhuiden te zijn gekoppeld.

Er zijn wel motieven over ossen en het gebruik van ossenhuiden bij het claimen van land, die wijdverspreid zijn in Europa en al heel ver terug te dateren zijn. De sage over ossenhuiden in fundamenten lijkt echter niet veel verder terug dan de zestiende eeuw te dateren. De oudste bron is Descrittione di tutti i Paesi Bassi, geschreven door Lowijs Guicciardijn in 1567 en in 1612 vertaald naar het Nederlands door Cornelius Kilianus.

Tijdens de sloop van de Mariakerk in 1815 zou er serieus gezocht zijn naar ossenhuiden, maar tevergeefs, er werden geen huiden gevonden. Ter herinnering daaraan zou er een hardstenen plaat zijn, met het volgende rijm: Op ossenvel was ik gesticht/ Zoo als de oudheid hier bericht Maar toen men mij in deeze tijd/ De oude standplaats eens ontzeide, Op geene wel, noch ossenhuiden/ Zoo als het opschrift wil beduiden, En dus ’t verhaal een fabel zij.

In een sage zit vaak een kern van waarheid. Van het gebruik van ossenhuiden is nog nooit bewijs gevonden, maar het moet ergens vandaan zijn gekomen. Vanuit literair-historisch perspectief is de sage enigszins in kaart te brengen, maar voor de bouwtechnische kant is geen bewijs. Door bouwkundige ingenieurs is veelal geconcludeerd dat vanuit een grondmechanisch- en technisch oogpunt koeien- of ossenhuiden geen enkele dragende functie hebben.

Tot nu toe is het niet waarschijnlijk dat het gebruik echt bestond en van nut kon zijn. Maar waar komt het gebruik dan vandaan? Een mogelijk verklaring voor deze sage is een vergissing op basis van een Nederlands woord. De verhalen lijken uitsluitend in Nederland (en België) voor te komen.

Een eerste verklaring is een vergissing door de zinsnede de bouw ‘is op huyden’ begonnen. Men zou dit verkeerd hebben begrepen; het betekent gewoon dat de bouw op heden is aangevangen. Door een verbastering van het woord ‘heden’ zou men op het idee zijn gekomen dat er huiden mee bedoeld werden.

Een tweede verklaring zou het verkeerd begrijpen van de term ‘huien’ zijn, waarmee eigenlijk ‘heien’ werd bedoeld. Planken voor een fundament werden geplaatst op korte geheide houten paaltjes. Dit gebruik werd namelijk eerst ‘huien’ genoemd.

Een derde verklaring is dat er wel degelijk gebouwd werd op een soort huiden. Het zou dan niet om dierlijke huiden gaan, maar om oude scheepshuiden. Scheepshuiden zijn oude houten scheepswanden die horizontaal werden neergelegd om als fundering te dienen. Uit onderzoek in Amsterdam is gebleken dat dit gebruik echt bestond, wat deze verklaring wel het meest aannemelijk maakt. Er is echter ook een argument tegen deze verklaring, namelijk dat het gebruik van scheepshuiden als bouwmateriaal niet veel te vinden is in historische bronnen. Zo is bijvoorbeeld in het WNT het woord ‘huiden/huyden’ niet te vinden in de betekenis van een bouwmateriaal.

Totdat er een bericht komt met de vondst van ossenhuiden in een fundament, moeten wij het doen met de verhalen. De herkomst van het gebruik lijkt dus voor nu nog onbekend - of een geheim - te blijven.

Literatuur

Blécourt, Willem de. et al, Verhalen van stad en streek: sagen en legenden in Nederland. Amsterdam: Bert Bakker, 2010. 88-90, 94-96, 305-306.
Bun, P.J.A. ‘Mijn huis is gebouwd op koeienhuiden’, 18-10-2014, Geraadpleegd op: http://quattro-expertise.nl/projecten/-mijn-huis-is-gefundeerd-op-koeienhuiden--feit-of-fabel
‘Nr. 14 verslag van een schriftelijk overleg’ in: 29 392 wijziging van de Woningnet en enkele andere wetten, 23-01-2006. Geraadpleegd op: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29392-14.html
Dykstra, Waling, Uit Friesland's volksleven van vroeger en later : volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden : Van Seijen, 1986. 38
Koman, Ruben A., Bèèh...! Groot Dordts volksverhalenboek : een speurtocht naar volksverhalen, bijnamen, volksgeloof, mondelinge overlevering en vertelcultuur in Dordrecht. Bedum : Profiel, 2005. 204-206
Laan, K. ter, Wat de torens vertellen: overleveringen van torens en kerken; met houtsneden van N.J.B. Bulder. Zutphen: Thieme, 1940. 11-16
Laan, K. ter, Mythen, Sagen en Legenden, een keur van verhalen en overleveriingen afkomstig uit de Nederlanden en Vlaanderen. Amstersdam : A.J.G. Strengholts uitgeverijmaatschappij N.V, 1963. 171 - 172
Lennep, Jacop van, Onze voorouders in verschillende taferelen geschetst. Deel 4. Amsterdam: P.Meijer Warnars, 1842. Geraadpleegd op: http://www.dbnl.org/tekst/lenn006onze04_01/lenn006onze04_01_0010.php
Schwartz, Gary, ‘Saenredam, Huygens and the Utrecht Bull’ in: Simiolus: Netherlands Quaterly for the History of Art. Vol 1. No. 2 (1966-1977) 69-99
Sinninghe, J.R.W., Katalog der niederländischen Märchen- und Legendenvarianten. Helsinki: [S.n.], 1943. 11
Sinninghe, J.R.W., Utrechtsch sagenboek. Zutphen : Thieme, 1938. 6-7
Steen, Willy van der, Suske en Wiske - Amoris van Amerongen Amsterdam: Standaard Uitgeverij, 1984