Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VENUSWERK01 - De onnosele, en gretige Helena

Een mop (almanak), 1752

Hoofdtekst

DE ONNOSELE, EN GRETIGE HELENA
Toen Juffrouw Helena trouwde,
En des ‘s nagts haar man beschoude
Voor de allereerste rys,
Riep zy: “Zou ik by uw slapen?
Neen gy zyt voorwaar wanschapen,
Want daar is een endtje vlys
Uit uw buik na ‘k zie gewassen,
Neen ik zal ‘er wel op passen,
Slaapt gy hier myn kind alleen,
Ik ga heenen.” “Wilt niet vresen;
Vond gy ’t niet, zoo had gy reên,
Om te kermen en te klagen.” [p.20]
“Maar laat ik uw dan eens vragen
Lieve Jacob; wat het is.”
“’t Is een trooster van de wyven”
Sprak hy, “en die zal het blyven
Voor altoos.” “Hebt gy ’t niet mis!
Vroeg zy weder.” “Neen myn liefje,”
Zei hy, “kom myn herten diefje
Kom ik zal het uw terstond
Toonen, laat uw dog gezeggen,
Ik moet boven op uw leggen
Borst op borst, en mond op mond.”
Leentje ging toen op haar rugje
Leggen, maar liet zugt op zugtje,
En Jacobus trooste haar,
Met den trooster van de vrouwen.
“Had ik dog wat eer gaan trouwen,” [p.21]
Sprak zy, “Koosje, want zie daar
Ik heb nimmermeer geweten,
Dat ik daar voor was gespleten:
Maar nu moet ik zeggen dat
Ik nooit grooter vreugd gevoelde,
Als toen gy daar even woelde,
Met uwe trooster in myn gat;
Maar waar is hy nu gebleven?
’t Is of hy den Geest zou geven,
O, het is met hem gedaan!
Na ik zie; want hy hangt neder.”
“Strak,” sprak Jacob, zal hy weder
Even als te vooren staan.”
“Neen,” riep zy, “hy is bezweken.”
Jacob weer, “het zyn maar streeken,
Zomtyds doet hy dat wel meer, [p.22]
Gaat hem met uw hand wat stryken,
Dan zal hy haast snugger kyken,
Voel je wel, hy ryst al weer?”
“Ja hy is weer bygekomen,
Jacob lief of ik moest droomen.”
“Neen,” sprak hy, “gy hebt ’t geraân.”
“Legt uw mond weer op myn mondtje,”
Riep zy, “toe myn liefste hondje,
Laat hy myn weer troosten gaan.”
Toen kroop klyne Kobus weder
Binnen, zy sprong op en neder,
Roepende: “ag my! ag my!
Kunt gy niet wat langer praaten,
Zulken troosten kan niet baaten,
O ik was in ’t eerst zoo bly:
Denkende, het zou wel duren [p.23]
Meer als driemaal zeven uuren
Maar het is de pyn niet waard;
Want hy is terstont bezweken
Van een woord twee, drie te spreeken,
‘k G’loof hy is voor my vervaard:
Als hy wil een trooster wesen,
Diend hy immers niet te vresen,
Maarf moet als een deftig man
Blyven troosten, niemand schouwen,
En vooral geen zwakke vrouwen,
Die men ligt vertroosten kan.”
“Als het troosten zoo veel uuren
Agter een zou moeten duuren,”
Sprak Jacobus, “als gy daar
Hebt gezegt, zoo was ’t te vresen
Dat hy liever dood zou wezen, [p.24]
Als zoo lang te troosten.” “Maar”
Sprak Heleen, “Ik kan niet zwygen,
Zyn ‘er nergens meer te krygen?
‘k Meen te koopen voor ons geld?
Koopt ze dan dog met Dousynen,
Groote, middelsoort, en klynen;
Dog ik ben wel ’t meest gesteld
Op het middelsoort, hoort Koosje.”
En toen zweeg Heleen een poosje:
Maar sprak eind’lyk: “Zoo je niet
Gaat om Troosters op te koopen
Zoo zal ik ‘er zelfs om loopen
Tot in ’t Persiaansch gebied:
Ik zal overal gaan zoeken,
Alle winkels alle hoeken
Gaan door snuffelen, tot dat ik [p.25]
Dat ik alle uur en stonden,
Ja op ieder oogenblik,
My door hen kan troosten laaten,
Die vermoeid word door het praaten
Kan terstond dan rusten gaan:
En terwyl dat die zig neder
Ligt, zoo zal een ander weder
Aanstonts zyne plaats bestaan,
En dan heb ik niet te vresen,
Dat ‘k ooit troosteloos zal wesen,
Als ik een Dousyn of agt,
Troosters hebbe op gaan soeken:
Maar dan moet Gy grooter broeken
Dragen, als gy eertijds plagt.”
“Die zyn voor geen geld te koopen, [p.26]
Wilt daar dog niet eens op hoopen,”
Sprak Jacobus, tot Heleen,
“Want gy zoud, myn Zielsbeminden,
Waar gy zogt, geen man ooit vinden,
Die meer Troosters had dan een:
Daarom kunt gy ligt begrypen;
Dat hy die niet af zou knypen,
Schoon dat gy die nog zoo dier
Woud betaalen, en de mannen,
Die dat deeden, zou men bannen,
Blyft dan lieve Leentje hier.”
“Ik ben met de zaak verlegen,
Dog zoo gy dat weet ter degen,
Liefste Koosje, zal ik myn,
Slegts behelpen dan met dezen,
En daar meê te vresen wesen, [p.27]
Wyl zy niet te koop en zyn.”
“Neen, wy zyn ‘er meê gebooren,
Zoo als gy zoud kunnen hooren,
Dat zweer ik uw, myn Heleen,
En daar is geen man op aarde,
Schoon hy andersins verklaarde,
Die ‘er meer heeft als maar een:
Anders zou hy zyn wanschapen,
En geen vrouw zou by hem slapen
Willen; want het zou niet gaan:
Meer al een, dat kan niet deugen,
En gy zoud uw nooit verheugen,
Als je ‘er zoo veel zag staan.”
“‘k Zal my dan te vreden houwen,
En my op uw woord vertrouwen,”
Sprak zy, voor het laast, dat men [p.28]
Nergens Troosters vind te koopen,
En voortaan alleen maar hoopen
Op den Trooster, die ik ken.”
Toen was ’t liedje uitgezongen.
Leentje raakte haast met jongen.
En sprak nooit niet meer daar van.
Ja zy schaamde zig ten laasten
Dat zy zig in ’t eerst zoo haasten
Zoo als men ligt denken kan.

Onderwerp

ATU 1543* - The Man without a Member.    ATU 1543* - The Man without a Member.   

AT 1543A* - A Combing-machine    AT 1543A* - A Combing-machine   

Beschrijving

In de huwelijksnacht wordt de bruid bang van haar man om wat hij tussen zijn benen heeft hangen. Hij legt haar uit dat het een Trooster der Vrouwen is. Als zij de werking eenmaal doorheeft, weet ze van geen ophouden meer, maar haar man kan niet meer. Zij eist nu dat haar man een paar dozijn Troosters der Vrouwen gaat kopen, en anders doet ze het zelf wel. Pas als de echtgenoot heeft uitgelegd dat er gewoon maar één Trooster per man is, legt de vrouw zich er bij neer.

Bron

Het Reukwerk van Venus, zynde een verzameling van koddige Snakerytjes, zeldzamen Voorvallen, en uitmuntende Puntdichten. Gedrukt op het Eiland der Verliefden MDCCLII

Naam Overig in Tekst

Trooster der Vrouwen    Trooster der Vrouwen   

Helena    Helena   

Jacob    Jacob   

Koos    Koos   

Jacobus    Jacobus   

Koosje    Koosje   

Kobus    Kobus   

Heleen    Heleen   

Leentje    Leentje   

Naam Locatie in Tekst

Perzisch    Perzisch