Hoofdtekst
Hoe dat Doctor Faustus gelt van eenen jode ontleende ende hem synen voet te pande gaf, denwelcken hy selver in des joden presentie afsaechde.
MEn plach te seggen dat een toovenaer op een jaer niet eenen halven stuyver rijcker en wort, gelijck Doctor Faustus oock wedervaren is, want de belofte van zijnen geest Mephostophiles was wel int eerste contracteren seer groot, maer het waren meestal leugenen, gelijck oock de duyvel eenen leugengeest is. Hy hielt Doctor Faustus voor hoe dat hy door hem begaeft was. Daerom moeste hy toesien aen rijckdom te geraken, want het gelt hem vanselfs niet naloopen en soude. Daertoe so en waren zijne jaren ooc niet uut, want hy en hadde noch maer vier jaren aen hem verbonden geweest, in dewelcke dat hy noch ghelt noch goet van doene en hadde ghehadt. Item dat hy oock eten ende drincken door zijne conste becomen conde uut alle potentatenhoven, gelijc hiervoor verhaelt is, als Doctor Faustus ooc selve bekennen ende den gheest daerin gelijck gheven moeste, want hem docht selve dat hy van hem veel geleert hadde. Als hy nu also metten gheest ghedisputeert hadde, so is hy met goede gesellen gaen bancketeren. Ende gelijck hy nu geen gelt en hadde, so is hy veroorsaect om van eenigen jode gelt te becomen, waertoe dat hy practiseerde ende ghecreech also van eenen jode 60 daelders voor den tijt van een maent. Ende als nu den tijt om was ende den jode zijn gelt metten interest wilde wederom hebben, ende Doctor Faustus niet minders en dachte als hem te betalen, so coemt den jode tsynen huyse6ende begeert zijn ghelt. Doctor Faustus seyde tot hem: ‘jode, ick en heb geen gelt noch ic en weet oock daertoe geenen raet, maer omdat ghy uwe betalinge sout versekert wesen, so sal ick my eenen arme oft een been afsnijden ende hetselve u tot eenen onderpande laten, doch altijt op die conditie dat so verre als ick te gelde comen can dat ghy my alsdan mijn been sult wederom gheven.’ Den jode, die andersins eenen christenvyant is, dachte by hemselven: ‘Dit moet een wonderlick gheest wesen dat hy zijne leden voor gelt te pande setten wilt’ ende was met alsulcken pandt tevreden. Doctor Faustus neemt een sage ende saecht hem daermede den voet af, denwelcken hy den jode gaf (maer ten was maer een verblindinge) met alsulcken conditie dat so haest als hy ghelt hadde, hy hem den voet soude wederom geven, want hy wist raet om hemselven zijnen voet wederom aen te setten. Den jode was met dit contract seer wel tevreden ende droech tbeen met hem. Als nu den voorszeyden jode tbeen aenveert hadde, soo dacht hy by hemselven: ‘Wat mach my dit schelmsbeen helpen? Drage ickt met my, so salt doch worden stinckende ende het en sal alsdan niet mogelick zijn wederom daeraen te heelen. Nochtans so ist eenen hoogen pant. Wat conde hy my meer geven?’ Met sulcken ende dergelijcke gedachten (als den jode daerna selve bekent heeft) gaet hy met het been over een bruggestock ende smijt het been int water. Ende gelijck Doctor Faustus sulcx wel wiste, so schicte hy drie daghen daerna totten jode, hem aenseggende dat hy hem wilde betalen. Den jode coemt by hem. Doctor Faustus vraechde hem waer dat den pant was. De jode antwoorde: ‘Waer soude den pant zijn? Ick hebbet int water gesmeten, mits dat hy nergens toe nut en was.’ Doctor Faustus, dit hoorende, wilde goetront zijnen pant wederom hebben oft den jode soude sien wat hy daerom doen soude. In somma: den jode, niet wetende waermede dat hy hem soude contenteren, moeste hem noch LX daelders daertoe geven ende Doctor Faustus hadde evenwel zijn been noch.
MEn plach te seggen dat een toovenaer op een jaer niet eenen halven stuyver rijcker en wort, gelijck Doctor Faustus oock wedervaren is, want de belofte van zijnen geest Mephostophiles was wel int eerste contracteren seer groot, maer het waren meestal leugenen, gelijck oock de duyvel eenen leugengeest is. Hy hielt Doctor Faustus voor hoe dat hy door hem begaeft was. Daerom moeste hy toesien aen rijckdom te geraken, want het gelt hem vanselfs niet naloopen en soude. Daertoe so en waren zijne jaren ooc niet uut, want hy en hadde noch maer vier jaren aen hem verbonden geweest, in dewelcke dat hy noch ghelt noch goet van doene en hadde ghehadt. Item dat hy oock eten ende drincken door zijne conste becomen conde uut alle potentatenhoven, gelijc hiervoor verhaelt is, als Doctor Faustus ooc selve bekennen ende den gheest daerin gelijck gheven moeste, want hem docht selve dat hy van hem veel geleert hadde. Als hy nu also metten gheest ghedisputeert hadde, so is hy met goede gesellen gaen bancketeren. Ende gelijck hy nu geen gelt en hadde, so is hy veroorsaect om van eenigen jode gelt te becomen, waertoe dat hy practiseerde ende ghecreech also van eenen jode 60 daelders voor den tijt van een maent. Ende als nu den tijt om was ende den jode zijn gelt metten interest wilde wederom hebben, ende Doctor Faustus niet minders en dachte als hem te betalen, so coemt den jode tsynen huyse6ende begeert zijn ghelt. Doctor Faustus seyde tot hem: ‘jode, ick en heb geen gelt noch ic en weet oock daertoe geenen raet, maer omdat ghy uwe betalinge sout versekert wesen, so sal ick my eenen arme oft een been afsnijden ende hetselve u tot eenen onderpande laten, doch altijt op die conditie dat so verre als ick te gelde comen can dat ghy my alsdan mijn been sult wederom gheven.’ Den jode, die andersins eenen christenvyant is, dachte by hemselven: ‘Dit moet een wonderlick gheest wesen dat hy zijne leden voor gelt te pande setten wilt’ ende was met alsulcken pandt tevreden. Doctor Faustus neemt een sage ende saecht hem daermede den voet af, denwelcken hy den jode gaf (maer ten was maer een verblindinge) met alsulcken conditie dat so haest als hy ghelt hadde, hy hem den voet soude wederom geven, want hy wist raet om hemselven zijnen voet wederom aen te setten. Den jode was met dit contract seer wel tevreden ende droech tbeen met hem. Als nu den voorszeyden jode tbeen aenveert hadde, soo dacht hy by hemselven: ‘Wat mach my dit schelmsbeen helpen? Drage ickt met my, so salt doch worden stinckende ende het en sal alsdan niet mogelick zijn wederom daeraen te heelen. Nochtans so ist eenen hoogen pant. Wat conde hy my meer geven?’ Met sulcken ende dergelijcke gedachten (als den jode daerna selve bekent heeft) gaet hy met het been over een bruggestock ende smijt het been int water. Ende gelijck Doctor Faustus sulcx wel wiste, so schicte hy drie daghen daerna totten jode, hem aenseggende dat hy hem wilde betalen. Den jode coemt by hem. Doctor Faustus vraechde hem waer dat den pant was. De jode antwoorde: ‘Waer soude den pant zijn? Ick hebbet int water gesmeten, mits dat hy nergens toe nut en was.’ Doctor Faustus, dit hoorende, wilde goetront zijnen pant wederom hebben oft den jode soude sien wat hy daerom doen soude. In somma: den jode, niet wetende waermede dat hy hem soude contenteren, moeste hem noch LX daelders daertoe geven ende Doctor Faustus hadde evenwel zijn been noch.
Onderwerp
SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.   
Beschrijving
Men pleegt te zeggen dat een tovenaar in een jaar niet één halve stuiver rijker wordt. Dit geldt ook voor Faustus, want in het begin waren de beloften van Mephostophiles zeer groot, maar het waren meestal leugens. Dit zit in de aard van duivel. De geest houdt Faustus voor dat hij door hem zeer begaafd geworden is. De doctor moet op zoek naar andere bronnen van inkomsten.
Hij leent 60 daalders bij een jood voor de duur van een maand. Wanneer deze uiteindelijk zijn geld terug wil, biedt Faustus hem een arm of been als onderpand aan. De jood is hier erg verwonderd over, maar stemt in. Faustus wekt bij de jood de illusie dat hij zijn voet afzaagt en geeft deze aan de jood, met de voorwaarde dat hij deze terugkrijgt als hij het geld heeft.
De jood weet niet zo goed wat hij met deze voet aan moet; het zal uiteindelijk toch maar sterk gaan stinken en het zal nooit meer aan het lichaam kunnen groeien. Hij besluit het in het water te gooien. Wanneer Faustus komt vragen waar zijn voet is kan de jood het hem niet teruggeven. Hierdoor hoeft hij niets terug te betalen en hij heeft zijn voet nog.
Hij leent 60 daalders bij een jood voor de duur van een maand. Wanneer deze uiteindelijk zijn geld terug wil, biedt Faustus hem een arm of been als onderpand aan. De jood is hier erg verwonderd over, maar stemt in. Faustus wekt bij de jood de illusie dat hij zijn voet afzaagt en geeft deze aan de jood, met de voorwaarde dat hij deze terugkrijgt als hij het geld heeft.
De jood weet niet zo goed wat hij met deze voet aan moet; het zal uiteindelijk toch maar sterk gaan stinken en het zal nooit meer aan het lichaam kunnen groeien. Hij besluit het in het water te gooien. Wanneer Faustus komt vragen waar zijn voet is kan de jood het hem niet teruggeven. Hierdoor hoeft hij niets terug te betalen en hij heeft zijn voet nog.
Bron
Carel Baten, Warachtighe historie van doctor Johannes Faustus. (ed. René Blankers) Jasper Troyen (?), Dordrecht 1592, 35r-36r
http://www.dbnl.org/tekst/bate002wara02_01/bate002wara02_01_0036.php
http://www.dbnl.org/tekst/bate002wara02_01/bate002wara02_01_0036.php
Naam Overig in Tekst
Faustus   
Mephostophiles   
Plaats van Handelen
Wittenberg   
