Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

FAUST69 - De weeclachte van Doctor Faustus van de helle ende van hare onuutsprekelicke pyne ende quale

Een sage (boek), 1592

Hoofdtekst

De weeclachte van Doctor Faustus van de helle ende van hare onuutsprekelicke pyne ende quale.

‘O Ick arme verdoemde, waerom en ben ick gheen beeste die sonder ziele sterven? Soo en hadde ick my niet voorder te bevreesen. Nu sal my de duyvel met ziele ende lijf van hier nemen ende my in eene onuutsprekelicke duysterheyt ende quale brengen, want ghelijck de zielen by haerselven schoonheyt ende vreucht hebben, also moet ick, arme bloet, ende alle de verdoemde, eenen ongeloovelicken grouwel, stanck, smaeck, bevinge, vreese, pijne, druk, huylen, crijten ende tantclippen hebben. Daertoe so zijn alle creatueren ende schepselen Gods teghens ons ende moeten van de heylighen Gods de eeuwighe versmaetheyt draghen. Ick ben noch indachtich van den geest die ick eens naer de verdoemenisse ghevraecht hebbe, dewelcke my seyde datter een groot onderscheyt is tusschen de verdoemde ende verdoemde, midts dat de sonden onghelijck zijn. Voorts so seyt hy noch meer: evenghelijck hoy, hout ende yser van den vyere verbrant worden, doch het eene lichter als het andere, also worden ooc de verdoemde in den gloet der hellen verbrant. Och ghy eeuwighe verdoemenisse! Dat ghy van den toren Gods so inflammeert, soo vol vyers ende hitte zijt. O, hoe grooten druck ende pijne moet men in der eeuwicheyt aldaer verwachten, met weenen der oogen, met knerselinghe der tanden, met stanck des neusen, met jammeren der stemme ende met een bevinge der handen ende der voeten? Och ick soude so gheerne den hemel moghen ontbeeren, mocht ick slechts de eeuwighe straffe ontgaen. Och wie sal my doch uut het onuutsprekelicke vyer der verdoemde verlossen? Aldaer gheene hulpe wesen en sal, aldaer gheen beweenen der sonde helpen en mach, aldaer noch nacht, noch dach, ruste en is. Wie sal my doch uut alsulcken elende verlossen? Waer is mijn toevlucht? Waer is mijn beschuddinghe, mijn hulpe ofte mijn ophoudinghe, mijn hulpe, mijnen troost? Waerop sal ick my dan vertroosten? Op de salighe Gods niet, want ick schame my, dat ickse soude aenspreken, midts my niet en soude geantwoordt worden; maer ick moet mijn aenghesicht voor haer verberghen. Och wat mach ic doch veel clagen, daer doch gheene hulpe te verwachten en is, noch gheene vertroostinghe des claghens en weet. Amen, want ick hebbet alsoo willen hebben, dus moet ick den spot tot de schade draghen.’

Onderwerp

SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.    SINSAG 0881 - Der Teufelsvertrag. Mann schliesst einen Vertrag mit dem Teufel, welcher ihm bei seiner Arbeit Hilfe leistet.   

Beschrijving

Faustus wenst dat hij een dier was geweest; die sterven zonder ziel. Dan had hij nergens bang voor hoeven zijn. Nu zal de duivel hem met lijf en ziel naar de duivel halen en daar zal hij een enorme duisternis en pijn ondergaan.
Faustus moet denken aan wat zijn geest hem vertelde over het onderscheid tussen de bestraffing van de verdoemden; de zielen worden naar de ernst van hun zonden bestraft. Hij hoeft niet per se naar de hemel, als hij maar niet naar de hel hoeft. Hij is erg bang, maar beseft dat niemand hem kan redden. Hij is te beschaamd om God om genade te vragen.

Bron

Carel Baten, Warachtighe historie van doctor Johannes Faustus. (ed. René Blankers) Jasper Troyen (?), Dordrecht 1592, 55v-56r
http://www.dbnl.org/tekst/bate002wara02_01/bate002wara02_01_0071.php

Naam Overig in Tekst

Faustus    Faustus   

Plaats van Handelen

Wittenberg    Wittenberg