Onderwerp
VDK 1967A* - Achterste wiel kan fietser niet bijhouden, komt later thuis   
Tekst
Een man kan zo hard fietsen dat hij op een dag al even thuis is (een hafuur, drie kwartier of een uur) van een tocht wanneer hij iets tegen de muur van het huis hoort bonken. Het is het achterste wiel van zijn fiets, dat hem niet bij had kunnen houden.
Jan Hepkes Wouda rijdt in slecht weer eens zó hard, dat hij het achtereind van zijn fiets verliest. Hij rijdt nietsvermoedend op slechts het voorstuk van de fiets naar huis. Als hij al ruim een kwartier thuis is, ziet hij buiten tegen de muur het achterste gedeelte van zijn fiets staan.
Jan Hepkes Wouda (1862-1939) uit Surhuisterveen was een heuse ‘leugenbaron’ in de trant van Münchhausen. Jan Hepkes betrok internationaal bekende leugenverhalen op zichzelf en vergrootte al zijn belevenissen uit tot groteske avonturen. Hij maakte veelvuldig gebruik van een aantal thema’s: met name gigantische visvangsten en zijn transportfiets, door hem steevast Fytske genoemd. Over zijn fiets heeft hij meerdere sterke verhalen verteld. Niemand kon zo hard fietsen als Jan. Hij fietste eens met twee- driehonderd pond vellen voorop en evenveel achterop zijn transportfiets naar Leeuwarden. Hij fietste het liefst met flinke tegenwind, dan zat hij wat steviger en slingerde de fiets niet zo. Een keer was hij al een kwartier thuis toen hij buiten wat tegen de muur hoorde vallen. Jan had zijn eigen achterwiel eruit gefietst en dat kwam nu pas aan.
Naast het verhaal over de onweersbui (zie VDK 1967*) en het achterwiel vertelde Jan ook regelmatig over situaties waarin hij verschrikkelijke tegenwind had gehad. Zo was hij al eens met fiets en al door een windhoos opgetild. Even later werd hij netjes weer voor zijn eigen deur neergezet. Om het nog mooier te maken vertelde hij dat hij in de lucht had kunnen blijven sturen. Ook had hij eens zo snel gefietst dat hij niet eens had gemerkt dat hij al thuis was toen zijn zus hem riep.
Jan Hepkes Wouda rijdt in slecht weer eens zó hard, dat hij het achtereind van zijn fiets verliest. Hij rijdt nietsvermoedend op slechts het voorstuk van de fiets naar huis. Als hij al ruim een kwartier thuis is, ziet hij buiten tegen de muur het achterste gedeelte van zijn fiets staan.
Jan Hepkes Wouda (1862-1939) uit Surhuisterveen was een heuse ‘leugenbaron’ in de trant van Münchhausen. Jan Hepkes betrok internationaal bekende leugenverhalen op zichzelf en vergrootte al zijn belevenissen uit tot groteske avonturen. Hij maakte veelvuldig gebruik van een aantal thema’s: met name gigantische visvangsten en zijn transportfiets, door hem steevast Fytske genoemd. Over zijn fiets heeft hij meerdere sterke verhalen verteld. Niemand kon zo hard fietsen als Jan. Hij fietste eens met twee- driehonderd pond vellen voorop en evenveel achterop zijn transportfiets naar Leeuwarden. Hij fietste het liefst met flinke tegenwind, dan zat hij wat steviger en slingerde de fiets niet zo. Een keer was hij al een kwartier thuis toen hij buiten wat tegen de muur hoorde vallen. Jan had zijn eigen achterwiel eruit gefietst en dat kwam nu pas aan.
Naast het verhaal over de onweersbui (zie VDK 1967*) en het achterwiel vertelde Jan ook regelmatig over situaties waarin hij verschrikkelijke tegenwind had gehad. Zo was hij al eens met fiets en al door een windhoos opgetild. Even later werd hij netjes weer voor zijn eigen deur neergezet. Om het nog mooier te maken vertelde hij dat hij in de lucht had kunnen blijven sturen. Ook had hij eens zo snel gefietst dat hij niet eens had gemerkt dat hij al thuis was toen zijn zus hem riep.
Literatuur
Willem de Blécourt, Ruben A. Koman, Jurjen van der Kooi en Theo Meder, Verhalen van stad en streek: Sagen en legenden in Nederland (Amsterdam, 2010).
J. van der Kooi, Volksverhalen in Friesland. Lectuur en mondelinge overlevering: een typencatalogus (Groningen, 1984).
J. van der Kooi, Volksverhalen in Friesland. Lectuur en mondelinge overlevering: een typencatalogus (Groningen, 1984).
