Hoofdtekst
Genoemde heer maakte met zijne bende den geheelen omtrek van Arnhem onveilig, en menige smid en timmerman zal met welgevallen aan dien tijd terugdenken, toen men op de meeste buitenplaatsen om de stad en op de singels veiligheidsmaatregelen tegen inbraak nam. De daders, die zeer brutaal optraden, waren niet te vatten, totdat het eindelijk den nieuwbenoemden commissaris van politie A.P.G.K. Zynenwartel gelukken mocht, de geheelen dievenbende met de Amsterdamsche helers en heelsters gevangen te nemen.
Het hoofd der bende, Schültz, zag er uit als een fatsoenlijk burgerman, die, naar men zeggen zou, zijn schaapjes op het droge had; hij logeerde in "het Haasje" en had eene geregelde levenswijze. Nadat hij 's avonds in een of ander koffiehuis zijn kruikje bier gedronken had, kwam hij om een uur of tien in zijn logement, gebruikte zijn avondeten, stak de kaars aan, groette het gezelschap en ging naar bed met verzoek, tusschen zeven en acht uur gewekt te worden. Als alles in ruste was, klom hij het huis uit en ging zijn slag slaan, kroop daarna weder in de kooi en liet zich wekken. Dit ging zoo geruime tijd voort, zonder dat men erg in dien bedaarden man had.
Als een staaltje van 's mans brutaliteit wil ik even opmerken, dat bij den heer M. Weimar ten Cate aan den Utrechtschen straatweg ingebroken was; de groote waakhonden vond men met pramen op den neus in het hok liggen. 's Morgens omstreeks half acht hadden zich tal van menschen om het huis verzameld; de mare was al door de stad verspreid, dat de onbekende dief weder aan het werk was geweest. Een heer met een cylinder op en eene verlakt lederen tasch in de hand, zich naar het station begevende, passeerde daar ook, en vroeg aan den aldaar gestationneerden agent van de politie, wat er gaande was; hij liet zich op de hoogte brengen en vervolgde zijn weg. Later herkende de agent in den heer, welke hem aangesproken had, Schültz, die tijdens het gesprek in zijne tasch het zilveren servies en andere voorwerpen van waarde had, die hij 's nachts, na ze gestolen te hebben, in een duiker bij het spoor, aan de z.g. "Rotsblokken" verborgen en zoo juist opgehaald had.
Toen hij eens van het gerechtshof naar "het pakhuis van Rappard", de gevangenis op de Beek, met zijne collega's tusschen gewapende rijksveldwachters geboeid werd overgebracht (de heeren hadden toen nog geen equipage), gaf hij op de stoep van het huis van bewaring aan den brigadier-majoor Sol zijne handboeien en het gebroken slot over met de woorden: "Ge moet die paternosters beter aanleggen, majoor, zoo geeft 't niets." Onderweg had hij zijne handboeien verbroken.
In Duitschland was hij reeds uit zes gevangenissen ontvlucht en hier zou het hem ook bijna gelukt zijn, als het niet bijtijds ontdekt was. Hij kreeg de hoogste straf, zijnde 20 jaar tuchthuis.
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
Friederich Wilhelm Hilff   
A.P.G.K. Zynenwartel   
Sol   
Schültz   
M. Weimar ten Cate   
Naam Locatie in Tekst
Duitschland   
Rappard   
Arnhem   
Beek   
Utrechtschen straatweg   
Plaats van Handelen
Arnhem (Gelderland)   
