Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MARKUS11 - Kante Griet

Een sage (boek), 1907

Hoofdtekst

De Ketelstraat is eene der oudste straten van de stad. Of zij haar naam ontleend heeft aan een huis, waarin de blikslagers bij elkander kwamen, of van aan eene familie Ketel, die in de 18e eeuw daar nog nakomelingen naast de firma Bunker had wonen, is mij onbekend, doch reeds in het jaar 1398 was de Ketelstraat als Platea cacaba (Ketelstraat) bekend. Zij was van oudsher eene winkelstraat, welke enkele zeer groote gebouwen bevatte, als de magazijnen van B. J. J. F. Bahlmann, het groote meubelmagazijn van R. Gamelkoorn, de woning van den heer R. M. Dullert, de manufactuurwinkels van A. H. en L. Ploeg, en A. E. Cohen „op de trappen" en daar tegenover het flinke gebouw van den heer A. Mos.
Onder de winkels van kleinere afmeting wil ik het nederige winkeltje van „Kante Griet'' even noemen; het lag aan de zijde van Bahlmann dicht bij het huis van den behanger R. de Ruyter, waar een groote kogel in den gevel gemetseld was, op den hoek van een gangetje, dat toegang gaf tot een plaatsje, waarop o.a. de “hondendokter” Baumhauer woonde. Het huisje, door Kante Griet bewoond, was nog een typisch ouderwetsch gebouwtje met eene aardige betimmering in het winkeltje, waar eene trap naar eene soort van galerij voerde, vanwaar men in de bovenvertrekken kwam. Griet, altijd in eene kwade bui (zij werd dan ook wel geplaagd, al zouden we 's avonds maar eens den koperen klopper op de deur laten dansen) kon met zoo'n nijdig gezicht over de onderdeur hangen, met eene losse klapmuts op de grijze haren, omlijst door verschillende netjes met allerhande soorten van gekleurde of ongekleurde knotjes sajet, die met enkele roode, Zwitsersche zakdoeken langs de deurstijlen neerhingen. Voor het eenvoudige winkelraam met kleine ruitjes lagen dasjes en zakdoeken opgestapeld benevens kantwerken, echte Brabantsche kant, waaraan Griet haar bijnaam ontleende. Men beweerde, dat zij een grooten, houten potlepel in den winkel aan den zolder had hangen, om, bekend met de pingelzucht der vrouwen, als met een eed te bezweren, dat zij hare waar niet goedkooper geven kon, hetgeen zij dan deftig bezegelde met de woorden “zoowaar als de Schepper hier boven.”

Beschrijving

Kante Griet had een winkeltje in de Ketelstraat. Griet verkocht zakdoeken, dasjes en ander kantwerk, waaraan ze haar bijnaam ontleende. Men beweerde dat zij een grote houten potlepel in de winkel aan het plafond had hangen. Wanneer er dan vrouwen wilden afdingen, zwoer Kante Griet dat zij haar kantwerk niet goedkoper kon geven, wat zij met de deftige woorden bezegelde 'zowaar de Schepper hier boven'.

Bron

Markus, A.: Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw: met geschiedkundige aantekeningen (Arnhem 1907), 328-329.

Naam Overig in Tekst

familie Ketel    familie Ketel   

firma Bunker    firma Bunker   

B.J.J.F. Bahlmann    B.J.J.F. Bahlmann   

R. Gamelkoorn    R. Gamelkoorn   

R.M. Dullert    R.M. Dullert   

A.H. en L. Ploeg    A.H. en L. Ploeg   

A.E. Cohen    A.E. Cohen   

A. Mos    A. Mos   

Kante Griet    Kante Griet   

R. de Ruyter    R. de Ruyter   

Baumhauer    Baumhauer   

Naam Locatie in Tekst

Ketelstraat    Ketelstraat   

Plaats van Handelen

Ketelstraat    Ketelstraat