Hoofdtekst
Onder de winkels van kleinere afmeting wil ik het nederige winkeltje van „Kante Griet'' even noemen; het lag aan de zijde van Bahlmann dicht bij het huis van den behanger R. de Ruyter, waar een groote kogel in den gevel gemetseld was, op den hoek van een gangetje, dat toegang gaf tot een plaatsje, waarop o.a. de “hondendokter” Baumhauer woonde. Het huisje, door Kante Griet bewoond, was nog een typisch ouderwetsch gebouwtje met eene aardige betimmering in het winkeltje, waar eene trap naar eene soort van galerij voerde, vanwaar men in de bovenvertrekken kwam. Griet, altijd in eene kwade bui (zij werd dan ook wel geplaagd, al zouden we 's avonds maar eens den koperen klopper op de deur laten dansen) kon met zoo'n nijdig gezicht over de onderdeur hangen, met eene losse klapmuts op de grijze haren, omlijst door verschillende netjes met allerhande soorten van gekleurde of ongekleurde knotjes sajet, die met enkele roode, Zwitsersche zakdoeken langs de deurstijlen neerhingen. Voor het eenvoudige winkelraam met kleine ruitjes lagen dasjes en zakdoeken opgestapeld benevens kantwerken, echte Brabantsche kant, waaraan Griet haar bijnaam ontleende. Men beweerde, dat zij een grooten, houten potlepel in den winkel aan den zolder had hangen, om, bekend met de pingelzucht der vrouwen, als met een eed te bezweren, dat zij hare waar niet goedkooper geven kon, hetgeen zij dan deftig bezegelde met de woorden “zoowaar als de Schepper hier boven.”
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
familie Ketel   
firma Bunker   
B.J.J.F. Bahlmann   
R. Gamelkoorn   
R.M. Dullert   
A.H. en L. Ploeg   
A.E. Cohen   
A. Mos   
Kante Griet   
R. de Ruyter   
Baumhauer   
Naam Locatie in Tekst
Ketelstraat   
Plaats van Handelen
Ketelstraat   
