Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

AT 0551    AT 0551   

- The Sons on a Quest for a Wonderful Remedy for their Father

Een sprookje (),

Beschrijving

I. (a) Een zieke, oude koning heeft 3 zonen [P251.6.1], (b) waarvan de jongste niet wijs is [L101]. (c) Een vreemdeling, (c1) wijze man, zegt de koning dat hij genezen kan worden door het levenswater [D1500..18]. (d) Als de vreemdeling de koning een hand geeft verdwijnen zijn pijnen [D2161]. (e) Het water drupt in het hoge noorden van een sparreboom, (e1) wordt in het paleis van de zonneopgang [D1131] bewaard in de as waar de vuurvogel op zit [B32] in een gouden flesje, (f) met een reusachtige wolf [B16.2.4], (f1) 2 dito leeuwen [B16.2.3], als bewaker(s). (g) Het water kan alleen opgevangen worden door een oprecht iemand; (g1) wie het water hebben wil mag de vuurvogel niet aankijken [C316] en moet het kasteel weer verlaten hebben voor de klok 12 slaat [C761.4]. II. (a) De 2 oudste zonen gaan er eerst op af, tegelijk, (a1) na elkaar. (b) Ze zijn onvriendelijk tegen een sprekende witte vos, die hen de weg naar de boom wijst [B211.2.5, B563, B435.1], (c) (en) een oude vrouw die zit te spinnen onder de boon, (c1) hen in huis opneemt [Q2]. (d) De vreemdeling met het lichaam van een wolf, maar met zijn eigen hoofd [D682, D113.1] jaagt hen weg, (d1) een dwerg bij een tolhek wil hen alleen doorlaten als ze een gouden erwt betalen. Als ze proberen zonder te betalen hem voorbij te komen veranderen ze in wilgebomen [D215]. (e) De broers brengen hun vader slootwater als levenswater; de jongste ontdekt dit. III. (a) De jongste die er nu opafgaat is vriendelijk voor de vos (hij trekt hem een doorn uit zijn poot [B381] en geeft hem te eten [B391]), die hem bij de oude vrouw brengt [H1233.6], (b) (en) voor de oude vrouw [L13]. (c) Zij geeft hem een kruik voor het water en verdwijnkap zodat de wolf hem niet kan zien [D1361.15, D821], (c1) een gouden erwt voor de dwerg die hem op zijn beurt brood geeft om de leeuwen af te leiden en een hazevoet waarmee hij de poort van het kasteel kan openen [N825.3, D812.12, F451.5.1]. (d) In het paleis vindt de held een slapende prinses. Omdat de dwerg hem verboden heeft iemand wakker te maken wekt hij haar niet maar hij gaat bij haar liggen [T475.2]. (e) Hij krijgt (op tijd) het levenswater te pakken [H1242, L10]. (f) De vos waarschuwt hem voor zijn broers en geeft hem een gouden sleutel die alle deuren opent [B505, D1176, F886.1]; (f1) uit het paleis neemt hij ook nog mee een etenszak die nooit leeg raakt [D1652, D1470.2], een onoverwinnelijk zwaard [D1081, D1653.1.1, D838] en een splinter van de poot van het bed van de prinses. (g) Op zijn verzoek onttovert de dwerg zijn broers met een toverstaf [D1254.1, D771.4], waarna ze met zijn drieën naar huis trekken; onderweg lenigt de held een hongersnood met zijn zak en overwint alle moeilijkheden met zijn zwaard. IV. (a) De held wordt door zijn broers overvallen en van het levenswater beroofd [K2211, D861.3]; (a1) als de held slaapt ruilen zijn broers zijn levenswater om met zeewater [W154.12.3]. (b) De broers genezen hun vader, (c) die zijn jongste zoon wegjaagt. (d) De vos kalefatert de held op, stuurt hem naar een stad en geeft hem een verdwijnkap (!). Hij dringt met de gouden sleutel onopgemerkt binnen bij een prinses, die tegen haar zin uitgehuwelijkt zal worden. Zij slaapt met hem. Als ze verraden worden en haar moeder hem ontdekt ontkomt hij met de verdwijnkap. De verloofde van de prinses ziet hierop van haar af. V. (a) De held maakt zijn vader duidelijk dat zijn broers hem bedrogen hebben; deze belegeren hen daarop in het paleis. (b) De prinses, die van hem in verwachting is, (b1) een kind van hem heeft, verschijnt op zoek naar hem met een sterk leger voor het paleis [H1381.2.1]. (c) Ze trouwt met de held, (c1) herkent hem eerst aan het zwaard, dan, als z'n broers zeggen dat hij dat gestolen heeft, aan de splinter als de vader van haar kind [H81.1.1].

Subgenre

sprookje

Literatuur

Delarue & Tenèze 1964 358-364
Liungman 1961 154-159, 364
Ranke 1958 195-211
Tubach 1969 nr. 5214
Uther 1981 106-108.