Beschrijving
I. (a) Een heer, (a1) landheer, (a2) jonker, (a3) koning Frederik (II van Pruisen), (a4) officier, (a5) jager, (a6) Jood, (b) stelt een brutale jongen, (b1) Ulespegel, (b2) iemand, een of meer vragen. (c) "Van wie zijn die biggen?" - "Van de zeug", e.d. vragen en antwoorden [J1252]; (c1) hij vraagt naar de snelste en kortste weg en krijgt een bepaalde tijdsduur op, maar wordt als hij al een eindje op weg is weer teruggeroepen: "Als u zo snel loopt, is het nog een kwartier, e.d., korter", (c2) hij krijgt de raad te gaan waar de eenden lopen. De eenden gaan het water in en hij keert terug. "Ik zei ook: waar ze lopen, niet waar ze zwemmen." (c3) Hij krijgt raadselachtige antwoorden op zijn vragen (921). (d) De jongen moet voor hem op een kistje met een marmotje passen. Hij laat het dier ontsnappen. II. (a) De (een) heer, enz., nodigt hem (een jongen) uit bij hem te komen eten. (b) De jongen stroopt (vindt) een haas (in een strik) en lokt hiermee de honden weg die de heer, enz., op hem loslaat [K318]. (c) Hij klopt op de deur en antwoordt op de vraag wie daar is met: "De deur". (d) Hij weet het zo te spelen dat hij i.p.v. (naast) zijn eigen kleine vis (ook) die van zijn gastheer krijgt (1567C). (e) Als hij geen lepel krijgt eet hij met de pollepel. (f) Als hij kiezen mag uit 2 appels neemt hij de kleinste omdat hij ziet dat de grootste van hout is. (g) Hij weet een pak slaag in de wijnkelder te ontlopen (1539A*). III. (a) De heer, enz. neemt hem in dienst. (b) Zijn meester, (b1) koning Albert, verbiedt hem (een jongen) een bepaalde aardbei te eten (hij zet er een hoed (bloempot) over) omdat hij deze voor zijn vrouw (dochter) heeft bestemd. De jongen eet hem toch en legt er een drol voor in de plaats. De vrouw tast in de drol (cf. 1528). (c) De officier (zijn meester) laat hem een brief naar de kazerne (een bepaald adres) brengen. De jongen opent hem en leest hem (laat hem door iemand lezen). Het is een opdracht om de bezorger een pak slaag te geven. (d) Hij laat een jongen, (d1) Jood, de brief bezorgen [cf. K511].
Subgenre
sprookje
Literatuur
Cammann & Karasek 1977 472-474
Debus 1951 263-265
De Meyer 1968 nr. 921D*, 2-6
Dietz 1951 17
Henssen 1940 1-4
H. Kügler, in: HDM II 235-237
Moser-Rath 1964 116-117, 438
K. Ranke, in: Fabula VI (1964), 76
Salomon ende Marcolphus 1941 24, 61 (voor K318)
Ulenspegel 1952 4
Wehse 1979 487 nr. 473
Wossidlo-Neumann 1963 3-4.

