Beschrijving
(a) Een man krijgt op een avond onderdak bij een dominee, (b) die pas geërfd heeft. (c) De man waarschuwt de dominee voor een roversbende. (d) Hij vraagt de dominee of hij niet bang is. (e) Dominee vertrouwt op God (f) en zijn hond. (g) De man, onder de indruk van de goedheid en het godsvertrouwen van zijn gastheer bekent hem, (g1) schrijft een brief, (h) met zijn eigen bloed, (i) dat hij een roverhoofdman is en hem met zijn bende had willen beroven, maar dat hij berouw gekregen heeft, (j) dominee moet echter niet teveel op zijn hond vertrouwen - hij heeft hem opgehangen. (k) De roverhoofdman verbiedt zijn mannen ook maar iets te stelen, (l) d.m.v. een brief die hij op tafel achterlaat, (m) en reist 's nachts heimelijk (met hen) af. (n) Een van de rovers steelt toch een kip, (n1) gans, (o) wat de dominee en de hoofdman de volgende ochtend als zij alles inspecteren ontdekken. (p) Een dag later hangen in de tuin van de dominee de kip (gans) en de rover die hem gestolen had, (q) met op de gans, (q1) rover, een verklarend briefje.
Subgenre
sprookje
Literatuur
G.N. Visser, Van een dominee en een dievenkaptein. In: UW XVII (1968) 94-96.

